Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:784

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
C/09/543381 / FA RK 17-8891
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

afstamming; Eritrees recht (zie ook C/09/543473 / FA RK 17-8933: erkenning in Eritrea gesloten huwelijk + echtscheiding)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 17-8891

Zaaknummer: C/09/543381

Datum beschikking: 31 januari 2019

Ontkenning vaderschap + gerechtelijke vaststelling vaderschap

Beschikking op het op 20 november 2017 ingekomen verzoek van:

[verzoekster] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. G.O. Perquin te Zoetermeer.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[belanghebbende 1] ,

de man,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland;

[belanghebbende 2] ,

hierna: [belanghebbende 2] ,

wonende te Rotterdam;

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ,

de minderjarige, hierna: [minderjarige] ,

in rechte vertegenwoordigd door mr. H.H. Keereweer advocaat te Zoetermeer,

in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift, met bijlagen;

- een brief van 12 december 2017, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

- het verweerschrift van de bijzondere curator;

- een brief van 22 februari 2018 van de zijde van verzoekster;

- een F9-formulier van 18 juni 2018 van de zijde van verzoekster;

- een brief van 20 juni 2018 van de bijzondere curator.

Op 8 november 2018 heeft ter terechtzitting van deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel het onderhavige verzoek als het door de moeder ingediende verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen (C/09/543473, FA RK 17-8933), op welk verzoek bij afzonderlijke beschikking wordt beslist.

Verschenen zijn: de moeder met haar advocaat en de bijzondere curator. [belanghebbende 2] is alhoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De rechtbank is gebleken dat de man geen bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland heeft. De man is openbaar opgeroepen in de Staatscourant van 17 september 2018, nummer 52631, zoals blijkt uit de door de griffier in het dossier gevoegde gegevens. De man is evenwel ook niet verschenen.

Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

De moeder heeft ter zitting haar vreemdelingendocument getoond. Daaruit blijkt dat de moeder de Eritrese nationaliteit heeft.

Verzoek en verweer

Het verzoekschrift strekt tot gegrondverklaring van de ontkenning door de vrouw van het vaderschap van de man over [minderjarige] en tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [belanghebbende 2] .

De vrouw voert daartoe aan dat de man niet de biologische vader van [minderjarige] kan zijn, omdat zij in oktober 2015 niet samen met de man Nederland is in gereisd. Zij kwam toen vanuit Eritrea waar de man vermoedelijk nog is. Zij heeft na haar vertrek uit Eritrea geen enkel contact meer met de man gehad.

De bijzondere curator voert verweer, welk verweer -voor zover nodig- hierna zal worden besproken.

Feiten

- De man en moeder zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 1993 te [huwelijksplaats] , Eritrea.

- Tijdens het huwelijk is [minderjarige] geboren.

- Bij beschikking van heden heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen de man en de moeder uitgesproken.

- De vrouw en [minderjarige] hebben de Eritrese nationaliteit.

- Bij beschikking van deze rechtbank van 27 november 2017 is mr. H.H. Keereweer voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde [minderjarige] ingevolge artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.

Beoordeling

Nu de moeder in Nederland woont heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht.

Ontkenning vaderschap

De rechtbank houdt het er, op grond van de stukken in het dossier, voor dat de man Eritreese nationaliteit heeft. Ingevolge artikel 10:93 jo. artikel 10:92 BW, past de rechtbank Eritrees recht toe op het verzoek, zijnde het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de man en de moeder.

Volgens Eritrees familierecht (artt. 653 en 654 Eritrees BW) kan de moeder het vaderschap ontkennen, tenzij de man en de moeder beiden hebben ingestemd met de kunstmatige inseminatie die mogelijk heeft geresulteerd in de zwangerschap van de moeder, op de grond dat de man niet de biologische vader van het kind is.

De ontkenning van het vaderschap kan alleen door middel van een ontkenningsprocedure worden bewerkstelligd.

De moeder moet de procedure instellen binnen drie jaar na de geboorte van het kind.

De moeder heeft gesteld dat niet de man maar [belanghebbende 2] de biologische vader van [minderjarige] is en heeft haar verzoek tijdig ingediend. Zij wordt ontvangen in haar verzoek.

De bijzondere curator heeft gesteld dat eerst nadat door middel van een DNA-onderzoek is komen vast te staan dat [belanghebbende 2] de verwekker van [minderjarige] is, kan worden gekomen tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap. Het belang van [minderjarige] brengt dan met zich dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke.

De rechtbank is van oordeel dat voor de toewijzing van het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de man een DNA-onderzoek niet noodzakelijk is. Er zijn door de moeder voldoende feiten gesteld om aan te nemen dat de man niet de verwekker is van [minderjarige] . Bovendien is gesteld noch gebleken dat dat de man toestemming heeft gegeven tot een daad die de verwekking van [minderjarige] tot gevolg kan hebben gehad.

Het verzoek tot ontkenning van het vaderschap van de man zal worden toegewezen.

Gerechtelijke vaststelling vaderschap

Ingevolge artikel 10:93 jo. artikel 10:92 BW, past de rechtbank Eritrees recht toe op het verzoek, zijnde het recht van de staat van de nationaliteit van [belanghebbende 2] .

Volgens Eritrees familierecht kan de moeder een procedure tot gerechtelijke vaststelling vaderschap instellen tot het kind de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt. Zij dient bewijs aan te dragen dat de man de vader van het kind is.

Nu de moeder haar verzoek binnen vijftien jaar na de geboorte van het kind heeft ingediend wordt zij ontvangen in dat verzoek.

De bijzondere curator stemt -zoals hiervoor overwogen- in met het verzoek mits uit DNA-onderzoek blijkt dat [belanghebbende 2] de verwekker van [minderjarige] is.

De moeder heeft gesteld dat zij noch [belanghebbende 2] de kosten van een DNA-onderzoek kunnen dragen. Zowel de moeder als de bijzondere curator verzoeken de rechtbank daarom de kosten voor ’s Rijks kas te laten komen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat voor het bewijs van het eventuele verwekkerschap van [belanghebbende 2] een DNA-onderzoek het meest gerede middel is en zal, nu de moeder en [belanghebbende 2] hebben verklaard bereid te zijn daaraan mede te werken, na te melden onderzoek bevelen. Nu de moeder en [belanghebbende 2] zich niet hebben uitgelaten over de persoon van de te benoemen deskundige, gaat de rechtbank ervan uit dat zij stilzwijgend hebben verzocht, zoals gebruikelijk, na te melden deskundige te benoemen.

Daar de moeder degene is op wie de bewijslast rust, behoren de kosten van het onderzoek voorshands door haar te worden gedragen. De moeder en de bijzondere curator hebben verzocht om de kosten van het onderzoek voor ’s Rijks kas te laten komen. De rechtbank ziet echter op dit moment geen gewichtige redenen om af te wijken van de gebruikelijke gang van zaken in procedures als de onderhavige, namelijk dat bij de latere beschikking van de rechtbank een ouder of beide ouders worden veroordeeld tot het betalen van (de helft van) de kosten van de deskundige. Deze zullen ongeveer € 700,- bedragen. Afhankelijk van de uitkomst van het verzoek zal bij de eindbeschikking worden geoordeeld wie van de ouders deze kosten zal moeten betalen.

Nu de moeder een toevoeging is verleend, zal haar ter zake van het deskundigenonderzoek geen voorschot worden opgelegd.

De moeder en [belanghebbende 2] hebben op 12 december 2017 schriftelijk verklaard dat zij wensen dat [minderjarige] na de vaststelling van het vaderschap de geslachtsnaam [belanghebbende 2] zal dragen.

De rechtbank is van oordeel dat op de naam van [minderjarige] , na gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, Eritrees naamrecht dient te worden toegepast. De rechtbank merkt op dat volgens Eritrees naamrecht -wanneer de afstamming wordt vastgesteld na de geboorte van een kind- de naam van het kind wijzigt volgens de regels van naamgeving van wettige kinderen. De keuze voor een familienaam of een tweede naam moet binnen zes maanden na de vaststelling van het vaderschap gemaakt worden (artikel 33 Eritrees Burgerlijk Wetboek (EBW)). De moeder en [belanghebbende 2] hebben met hun verklaring van 12 december 2017 deze keuze reeds gedaan (en dus tijdig).

Het Eritrees naamrecht kent echter geen geslachts- en voornamen. Er is sprake van een namenreeks met een voornaam (roepnaam), gevolgd door de naam van de vader en de naam van de grootvader. In plaats van de naam van de grootvader kunnen de ouders kiezen voor een familienaam (artikel 31 EBW).

Gelet op dit alles gaat de rechtbank er vooralsnog vanuit dat voor zover komt vast te staan dat [belanghebbende 2] de vader is van [minderjarige] de ouders willen dat hij voormelde naam dient te krijgen. Als dit anders is dienen de ouders zich hierover tijdig uit te laten.

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart gegrond het verzoek van [verzoekster] , tot ontkenning van het vaderschap van [belanghebbende 1] , geboren op 00-00-1985 te [geboorteplaats] Ethiopië,

ten aanzien van de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ,

uit: [belanghebbende 1] ;

beveelt een onderzoek door een deskundige van het DNA van:

1. de man: [belanghebbende 2] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , Eritrea, en

2. de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 20017 te [geboorteplaats] ,

en legt aan deze deskundige de vraag voor welke conclusie er aan de hand van zijn bevindingen moet worden getrokken ten aanzien van het eventuele verwekkerschap van de man;

Voorschot door verzoekster als degene op wie bewijslast rust, tenzij zij een toevoeging heeft.

Zie verder onder dictum voor alternatief in geval van toevoeging.

benoemt tot deskundige die het onderzoek zal verrichten en de bovenstaande vraag zal beantwoorden:

een deskundige verbonden aan Verilabs Nederland B.V., Noothoven van Goorstraat 11D, 2806 RA Gouda (telefoonnummer 085-105 1415; er is tevens een afnamepunt in Maastricht);

beveelt dat partijen binnen twee weken na de datum van deze beschikking telefonisch een afspraak maken met Verilabs en daarbij aangeven welk afnamepunt, Gouda of Maastricht, de voorkeur heeft;

Voorschot door verzoekster als degene op wie bewijslast rust, tenzij zij een toevoeging heeft.

Zie verder onder dictum voor alternatief in geval van toevoeging.

223 lid 2 Rv: Er wordt geen voorschot opgelegd aan de partij aan wie een toevoeging is verleend

of aan wie het vast recht gedeeltelijk in debet is gesteld. OVERWEGING: “Nu aan de ... een

toevoeging is verleend (m.m.: het vast recht gedeeltelijk in debet is gesteld), zal ... terzake van het

deskundigenonderzoek geen voorschot worden opgelegd.” En hieronder ex art. 225 lid 3 Rv in

DICTUM het volgende bepalen - voor de betreffende partij of voor beide pp (het laatste i.p.v. de

bepaling tot betaling van het voorschot) -:

bepaalt dat hangende de procedure het ten laste van ’s-Rijks kas betaalde deel van de kosten van het onderzoek voorlopig aan de vrouw in debet zal worden gesteld;

bepaalt dat de benoemde deskundige een schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend Een termijn van 3 maanden na dagtekening beschikking bericht omtrent zijn onderzoek uiterlijk op 1 april 2019, vergezeld van zijn declaratie zal zenden naar de griffie van deze rechtbank, team Familie, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag;

bepaalt dat de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zendt;

HR 011289, NJ’90, 216: De man staat als vermoedelijke verwekker niet in een familierechterlijke

betrekking tot de minderjarige: De vaderschapsactie is uitsluitend een onderhoudsactie en juist

niet een afstammingsactie.

Compensatie van de proceskosten zou er toch weer een afstammingsfacet aan geven.

M.a.w.: Bij toewijzing van het verzoek wordt de man als de in het ongelijk gestelde partij in de

kosten van verzoekster veroordeeld.

houdt iedere verdere beslissing - waaronder de naamskeuze en de kosten van het deskundigenonderzoek - aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Vink, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

31 januari 2019.