Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7817

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-07-2019
Datum publicatie
30-07-2019
Zaaknummer
AWB 19/2621
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Visum kort verblijf. In deze uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het enkele feit dat eiseres alleenstaand is en geen zorgtaak heeft voor familieleden, onvoldoende is voor het standpunt van verweerder dat niet is gebleken van sociale binding met Iran. Voor die conclusie van verweerder zijn bijkomende omstandigheden nodig en die heeft hij niet gegeven. De opvatting van verweerder zou er namelijk toe kunnen leiden dat bij geen enkele alleenstaande zonder zorgtaken sprake kan zij van sociale binding en dat vindt de rechtbank slecht verdedigbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/2621

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer [nummer] , eiseres,

(gemachtigde: mr. J.M.E. van der Haar),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2018 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een visum kort verblijf voor familiebezoek aan [referente] (referente) afgewezen.

Bij besluit van 13 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 16 juni 2019. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en ook niet heeft aangetoond dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikt om te voorzien in de kosten van haar verblijf in Nederland en de terugreis. Daarnaast bestaat er redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het visum. Volgens verweerder is niet gebleken dat in het geval van eiseres sprake is van een zodanige sociale en economisch binding met Iran dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd wordt.

Wettelijk kader

2. Het bestreden besluit is genomen op grond van artikel 32 van de Visumcode1 en met inachtneming van de Schengengrenscode2.

Op grond van artikel 21, eerste lid, van de Visumcode, wordt bij het onderzoeken van aanvragen voor een eenvormig visum nagegaan of de aanvrager aan de inreisvoorwaarden als omschreven in artikel 5, eerste lid, onder a), c), en e), van de Schengengrenscode voldoet en wordt bijzondere aandacht geschonken aan de toetsing van de vraag of de aanvrager een risico van illegale immigratie of een risico voor de veiligheid van de lidstaten vertegenwoordigt, en met name, of de aanvrager het voornemen heeft het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor de geldigheidsduur van het aangevraagde visum verstrijkt.

Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, onder ii, van de Visumcode wordt een visum geweigerd indien de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond.

Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, onder iii, van de Visumcode wordt een visum geweigerd indien de aanvrager niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor zijn terugreis naar het land van herkomst of verblijf, of voor doorreis naar een derde land waar hij met zekerheid zal worden toegelaten, of in de mogelijkheid te verkeren deze middelen legaal te verkrijgen.

Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode, voor zover nu van belang, wordt een visum geweigerd indien er redelijke twijfel bestaat over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.

3. Uit het toepasselijke Unierecht vloeit voort dat het aan de aanvrager is om zijn verblijfsdoel, alsmede zijn tijdige terugkeer naar het land van herkomst, aannemelijk te maken. Bij de beoordeling komt de autoriteiten een ruime beoordelingsmarge toe, zo volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2013 in de zaak Koushkaki tegen Duitsland (ECLI:EU:C:2013:862).

Doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf

4. De rechtbank stelt vast dat eiseres het visum heeft aangevraagd met als doel familiebezoek. Verweerder heeft daarom eerst kunnen beoordelen of eiseres de familieband met referente heeft aangetoond.

5. Eiseres betoogt dat zij en referente volle nichten zijn: haar moeder en de vader van referente zijn zus en broer van elkaar. Ter onderbouwing daarvan heeft zij de identiteitsbewijzen van beiden overgelegd. Eiseres voert aan dat zij elkaar tien jaar niet hebben gezien en dat een bijzondere (intense) band niet is vereist voor een bezoek van twee maanden.

5.1

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat zij en referente volle nichten zijn van elkaar. Dat verweerder een bijzondere intense band mag vereisen, volgt de rechtbank niet. Het kan niet de bedoeling zijn dat de mogelijkheid tot familiebezoek wordt beperkt tot familieleden met een dergelijke band. Familiebezoek kan juist ook bedoeld zijn om contact te herstellen.

5.2

Daarnaast heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij twijfelt aan de opgegeven reisduur en het beoogde verblijf van eiseres. Daartoe acht de rechtbank het standpunt van verweerder dat er een verschil zit tussen de duur die eiseres heeft gevraagd, 60 dagen, en de duur waarvoor referente logies verstrekt, drie maanden, onvoldoende. Het gaat er immers om dat referente logies kan verstrekken voor de volledige 60 dagen van het verblijf.

5.3.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres het doel en de omstandigheden van het verblijf niet heeft aangetoond.

Het voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum

6. Eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte oordeelt dat zij onvoldoende sociale en economische binding heeft met Iran. Eiseres is geboren en opgegroeid in Iran en onderhoudt een band met haar familie. Het is voor haar niet aantrekkelijk om in Nederland te wonen. Daarom is er sprake van voldoende sociale binding.

Wat betreft de economische binding stelt eiseres dat zij tot aan haar pensioen in 2018 als ‘Deskundige financieel verantwoordelijke’ bij het Waterbedrijf ‘ [bedrijf] ’ in Teheran heeft gewerkt. Eiseres ontvangt dan ook maandelijks een naar Iraanse maatstaven ruim pensioen en beschikt over een flink banksaldo dat verspreid is over een drietal spaarrekeningen. Hiervan heeft eiseres stukken overgelegd. Voor de visumaanvraag heeft zij stortingen gedaan om bij de aanvraag een flink saldo aan te tonen, waarover eiseres niet geheimzinnig doet. Eiseres betoogt dat zij met het pensioen en spaargeld een comfortabel leven in Iran kan leiden, waardoor haar tijdige terugkeer na afloop van het beoogde verblijf wordt gewaarborgd.

6.1.

Eiseres is inmiddels 60 jaar, ongehuwd en heeft geen kinderen. Zij heeft een hoogbejaarde moeder, twee broers en drie zussen in Iran. Zij heeft niet de zorg voor familieleden.

Het enkele feit dat eiseres alleenstaand is en geen zorgtaak heeft voor familieleden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor het standpunt van verweerder dat niet is gebleken van voldoende sociale binding met Iran. Naar het oordeel van de rechtbank zijn voor de conclusie van verweerder bijkomende omstandigheden nodig en die heeft hij onvoldoende gegeven. De opvatting van verweerder zou er immers toe kunnen leiden dat bij geen enkele alleenstaande zonder zorgtaken sprake kan zijn van voldoende sociale binding en dat vindt de rechtbank slecht verdedigbaar.

6.2.

Wat betreft de economische binding met Iran blijkt uit het dossier dat eiseres maandelijks een pensioen heeft van 67.926.109 IRR (omgerekend € 1436,31) en na aftrekkingen 66.613.317 IRR (omgerekend € 1407,81). In het bestreden besluit is verweerder ingegaan op het banksaldo van eiseres waarvan zij volgens verweerder de herkomst niet inzichtelijk heeft gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het gegeven dat eiseres beschikt over een bankrekening met een positief saldo onvoldoende is om aan te nemen dat een economische binding met Iran moet worden aangenomen. Dat in de periode van 3 maart 2018 tot en met 10 september 2018 diverse stortingen zijn gedaan op de door haar gestelde bankrekening en dat de drie spaarrekeningen medio 2017 en begin 2018 zijn geopend acht de rechtbank, gelet op wat eiseres heeft aangevoerd, daartoe onvoldoende.

Alles bij elkaar is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van onvoldoende economische binding van eiseres met Iran.

6.3

Verder heeft eiseres bij brief van 31 mei 2019 bankafschriften overgelegd die zien op de periode van 28 februari 2019 tot en met 25 mei 2019. Deze stukken geven inzicht in het pensioen dat overeenkomt met het pensioenslip van 11 september 2018. Nog daargelaten of deze stukken kunnen worden meegenomen in de beoordeling van het beroep, heeft de rechtbank al onder 6.2 het standpunt van verweerder onvoldoende gemotiveerd geacht. Verweerder kan deze stukken, zoals hierna volgt, meenemen in het nieuw te nemen besluit.

6.4.

Gelet op het voorgaande stelt verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt dat in het geval van eiseres niet is gebleken van voldoende sociale en economische binding met Iran. Concluderend is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er sprake is van redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten.

Beschikken over voldoende middelen van bestaan

7. Wat betreft het middelenvereiste heeft verweerder hetzelfde standpunt over de bankgegevens van eiseres gehanteerd als over de economische binding. Omdat de rechtbank het standpunt van verweerder over de economische binding onvoldoende gemotiveerd heeft geacht, kan de rechtbank dit standpunt ook hier niet volgen.

Conclusie

8. Uit het voorgaande volgt dat verweerder het bezwaar ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 512 per punt en wegingsfactor 1).

10. De rechtbank bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.024; en

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 174 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Rashid, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 219.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Verordening (EG) nummer 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.

2 Verordening (EG) nummer 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016.