Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7812

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-07-2019
Datum publicatie
30-07-2019
Zaaknummer
C/09/576568 / KG RK 19-1001
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

• De wrakingskamer verklaart verzoeker niet-ontvankelijk. De omstandigheden die tot de wraking hebben geleid zien hebben vooral betrekking op de gebeurtenissen rond en tijdens het kindgesprek van de rechter met de minderjarige op 26 oktober 2018. Dat betekent dat de termijnen [voor het indienen van het wrakingsverzoek] op 26 oktober 2018 en 6 en 12 november 2019 zijn gaan lopen en dat deze met de indiening van het wrakingsverzoek op 5 juli 2019 in aanzienlijke mate zijn overschreden.

• De wrakingskamer ziet voorts aanleiding om verzoeker een verbod op te leggen om de rechter nog te wraken. Verzoeker heeft in ieder geval tweemaal zijn beklag gedaan over de rechter bij de President van de Rechtbank, eenmaal bij de Nationale Ombudsman en eenmaal bij de Procureur-Generaal van de Hoge Raad. Vervolgens heeft hij een verschoningsverzoek ingediend bij de rechter. Toen dat alles niet had geleid tot het gewenste resultaat, heeft verzoeker het wrakingsverzoek ingediend. De wrakingskamer stelt vast dat verzoeker het wrakingsinstrument heeft ingezet als een uiterste poging om zijn gelijk te halen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer

wrakingnummer 2019/36

zaak- /rekestnummer: C/09/576568 / KG RK 19-1001

Beslissing van 15 juli 2019

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: verzoeker,

advocaat mr. J.M. Wigman te Den Haag,

strekkende tot de wraking van

mr. K.M. Braun,

familierechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

Belanghebbenden in deze procedure zijn:

[belanghebbende] en [belanghebbende] ,

de grootouders moederszijde,

en

[belanghebbende] , [belanghebbende] en [belanghebbende] ,

de tantes moederszijde,

allen wonende te [plaats] ,

advocaat mr. G.A. Nandoe-Tewarie te Leiden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het schriftelijke wrakingsverzoek van 5 juli 2019;

- de schriftelijke reactie van de rechter van 10 juli 2019;

- de brief van de raadsvrouw van de belanghebbenden van 15 juli 2019, tevens pleitnota.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- verzoeker;

- mr. G.A. Nandoe-Tewarie.

De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

Verzoeker heeft een pleitnotitie voorgedragen en overgelegd.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaken met nummers C/09/561864, FA RK 18-7658 naar aanleiding van de op 19 oktober 2018 ingekomen brief van de minderjarige dochter van verzoeker (informele rechtsingang ex artikel 1:377g van het Burgerlijk Wetboek). Deze zaak is gecombineerd met de respectievelijk op 16 november 2018 en op 28 december 2018 ingediende verzoeken van de grootouders moederszijde (C/09/563518, FA RK 18-8500) en van de tantes moederszijde (C/09/565939, FA RK 18-9662) om vaststelling van een omgangsregeling met de minderjarige. Het wrakingsverzoek wordt gezien de verwevenheid van eerstgenoemde zaak met de andere geacht betrekking te hebben op alle procedures.

2.2.

Verzoeker heeft het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. De rechter heeft zijn minderjarige dochter op 26 oktober 2018 voor een kindgesprek in het kader van de informele rechtsingang naar de rechtbank laten komen. De uitnodigingsbrief hiervan is rechtstreeks aan het adres van belanghebbenden (grootouders en tante moederszijde) verzonden en niet naar hem als (enig) gezaghebbende ouder. Nu hij hier niet vooraf van op de hoogte is gesteld, is hij van mening dat sprake is geweest van wederrechtelijke onttrekking van de minderjarige aan zijn ouderlijk gezag door grootouders en tantes moederszijde (belanghebbenden). Pas na dit kindgesprek heeft de griffier van de rechtbank de vader ingelicht dat de minderjarige door de rechter was gehoord. Hoewel de rechter wist dat de politie en anderen waren naar de minderjarige, heeft hij haar met de onttrekkers aan het ouderlijk gezag mee naar huis laten gaan en heeft zij verbleven in het huis van haar grootvader van moederszijde, tegen wie aangifte is gedaan van een zedendelict. Ook is duidelijk geworden dat de minderjarige de brief niet zelf heeft geschreven, maar hierdoor is aangezet en gemanipuleerd door belanghebbenden. Dat betekent dat er ook een onrechtmatige inmenging door derden heeft plaatsgevonden en dat er aan de zijde van de rechter sprake is van (grove) nalatigheid. Verzoeker heeft om opheldering gevraagd omtrent de rol die de rechtbank in zijn algemeenheid en de rechter in het bijzonder heeft gespeeld bij het faciliteren van dit delict. Hij maakt zich ernstige zorgen over het ontbreken van voldoende waarborgen bij de informele rechtsingang. Dit heeft hij aan de orde gesteld op de regiezitting van 6 november 2018. Verzoeker heeft vervolgens klachten over deze gang van zaken en de rechter ingediend bij de Nationale Ombudsman, de Kinderombudsman en bij de Procureur-Generaal van de Hoge Raad. Hij heeft via diverse wegen antwoord gevraagd op een zevental rechtsvragen, maar een toelichting op de feitelijke gang van zaken is tot op heden door de rechter niet gegeven. De rechter heeft in de ogen van verzoeker onvoldoende en ontoereikend informatie verschaft over de feitelijke gang van zaken voorafgaand, tijdens en na de zitting. Verder lopen er strafrechtelijke procedures tegen de grootmoeder moederszijde en twee tantes moederszijde wegens onttrekking van de minderjarige aan het ouderlijk gezag op 26 oktober 2018 en een zedenzaak tegen grootvader moederszijde. Deze aspecten zijn aan de orde in de lopende omgangsverzoeken en dat maakt dat de schijn van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter in deze kwestie in het geding is. De vraag is in hoeverre de rechter, die de uitnodiging voor de informele rechtsingang naar de familie moederszijde heeft gestuurd, in de lopende omgangszaken nog een onafhankelijk en onpartijdig standpunt kan innemen. Er lijkt sprake te zijn van vooringenomenheid. Gelet op dit alles is verzoeker van mening dat de schijn van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter in de lopende zaken niet is gewaarborgd.

2.3.

Ter zitting heeft verzoeker desgevraagd aanvullend gesteld dat hij zijn verzoek tijdig heeft ingediend. Hij heeft bij de President van de rechtbank gemeld dat er in zijn ogen problemen waren rondom de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter, met het verzoek dat de rechter zich zou onttrekken aan de zaak. Toen hij hierop een negatief antwoord kreeg en zodoende bekend werd met de gronden voor wraking, heeft hij, nadat hij uit proportionaliteitsoverwegingen eerst de rechter heeft verzocht zich te onttrekken, meteen na afwijzing van dat verzoek het wrakingsverzoek ingediend. Dat betekent dat hij onverwijld het wrakingsverzoek heeft ingediend.

2.4.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Vooreerst stelt hij dat vrijwel alles wat verzoeker aanvoert, is terug te voeren op de gebeurtenissen op en rond 26 oktober 2018, de dag waarop de rechter het gesprek met de minderjarige had. Dat betekent dat verzoeker te laat is met de indiening van het wrakingsverzoek. Mocht de wrakingskamer toch tot een inhoudelijke beoordeling komen, dan is de rechter van mening dat er voor hem geen aanleiding heeft bestaan om anders te handelen rondom (het organiseren van) het kindgesprek. Het was hem niet duidelijk dat er door politie en instanties werd gezocht naar de minderjarige. Voor wat betreft de aangiften die verzoeker heeft gedaan is de rechter van mening dat het niet aan hem als familierechter is om daarover te oordelen, maar aan de Officier van Justitie en de strafrechter.

Tot slot stelt de rechter dat veel van wat verzoeker stelt, ziet op handelen van anderen.

De rechter is van mening dat verzoeker geen feiten of omstandigheden heeft gesteld waardoor zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid als rechter in het geding is. Het verzoek om wraking dient te worden afgewezen.

2.5.

De raadsvrouw van belanghebbenden heeft betoogd dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, dan wel dat dit verzoek dient te worden afgewezen. Uit alles blijkt dat de brief van de minderjarige de aanleiding is geweest voor de klachten van verzoeker, omdat hij deze niet heeft mogen ontvangen en ontevreden is over de procedure rondom de informele rechtsingang voor minderjarigen. De inhoud van deze brief is echter inmiddels achterhaald door de vervolgprocedures, waarin een en ander door derden is bevestigd en waarin beslissingen genomen zijn die onomkeerbaar zijn. Belanghebbenden zijn van mening dat de rechter zorgvuldig en onpartijdig heeft gehandeld en dat hij daarbij het belang van de minderjarige voorop heeft gesteld. De rechter heeft in het kader van deze bijzondere procedure een verregaande bevoegdheid ter bescherming van de belangen van het kind. Uit geen van de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden volgt dat de rechter de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Daarenboven zijn belanghebbenden van mening dat verzoeker te laat is met de indiening van het wrakingsverzoek. Hij heeft eerst getracht via allerlei andere wegen informatie te verkrijgen en toen die niet kwam, is hij overgegaan tot indiening van het wrakingsverzoek. Dat verzoeker ervoor heeft gekozen te wachten op antwoord op zijn informatieverzoeken, dient voor zijn rekening en risico te komen. Tot slot zijn belanghebbenden van mening dat verzoeker misbruik van zijn recht maakt en niet kan worden uitgesloten dat hij op deze wijze tracht het proces tot (begeleid) contact te traineren. Zij verzoeken dan ook verzoeker een wrakingsverbod op te leggen.

3 De beoordeling

Ontvankelijkheid

3.1.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.

3.2.

De wrakingskamer stelt vast dat de omstandigheden die verzoeker aanvoert ter onderbouwing van zijn verzoek zien op de gang van zaken rond het kindgesprek op 26 oktober 2018, de regiezitting van 6 november 2018, de beschikking van de rechter van 12 november 2018 en de informatieverzoeken die verzoeker daarna heeft gedaan, meestal in de vorm van klachten, maar vooral betrekking hebben op de gebeurtenissen rond en tijdens het voornoemde kindgesprek van de rechter met de minderjarige. De wrakingskamer overweegt voorts dat het wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de omstandigheden die daarvoor aanleiding hebben gegeven zich hebben voorgedaan. Dat betekent naar haar oordeel dat de termijnen daarvoor op 26 oktober 2018 en 6 en 12 november 2018 zijn gaan lopen en dat deze met de indiening van het wrakingsverzoek op 5 juli 2019 in aanzienlijke mate zijn overschreden. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoek.

Wrakingsverbod

3.3.

De wrakingskamer ziet voorts aanleiding om verzoeker een verbod op te leggen om de rechter, mr. K.M. Braun, nog te wraken. Daartoe overweegt zij dat verzoeker in ieder geval tweemaal zijn beklag heeft gedaan over de rechter bij de President van de Rechtbank Den Haag, eenmaal bij de Nationale Ombudsman en eenmaal bij de Procureur-Generaal van de Hoge Raad. Vervolgens heeft hij een verschoningsverzoek ingediend bij de rechter. Toen dat alles niet had geleid tot het gewenste resultaat, heeft verzoeker het wrakingsverzoek ingediend. De wrakingskamer stelt vast dat verzoeker het wrakingsinstrument heeft ingezet als een uiterste poging om zijn gelijk te halen. Dat beschouwt de wrakingskamer als misbruik van wrakingsrecht en daarom gaat zij over tot het opleggen van een verbod tot wraking van mr. K.M. Braun.

3.4.

Derhalve wordt als volgt beslist.

4 De beslissing

De wrakingskamer

4.1.

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek;

4.2.

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

4.3.

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak tegen mr. K.M. Braun niet in behandeling wordt genomen;

4.4.

beveelt dat een afschrift van deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker, p/a zijn advocaat mr. J.M. Wigman;

• belanghebbenden, p/a hun advocaat mr. G.A. Nandoe-Tewarie;

• de rechter.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J. Eisses, P.M.E. Bernini en R. Cats, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. Willems en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2019.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.