Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7811

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-07-2019
Datum publicatie
30-07-2019
Zaaknummer
C/09/575550 / KG RK 19/902
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek ziet op (veronderstelde) procedurele beslissingen, te weten het door verzoeker gestelde niet reageren op een akte en een verzoek en op de verplaatsing van de vonnisdatum. Procedurele beslissingen kunnen in beginsel geen grond vormen voor wraking. Dit is alleen anders, indien (de motivering van) die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Hetgeen verzoeker in dit verband in zijn wrakingsverzoek en ter zitting van 1 juli 2019 heeft gesteld, ook voor wat betreft de door verzoeker geschetste omstandigheden van het geval, levert geen aanwijzing op die tot dat oordeel zou moeten leiden. Het wrakingsverzoek wordt dan ook afgewezen.

Verzoeker heeft in deze procedure reeds meerdere wrakingsverzoeken gedaan die geen van alle zijn gehonoreerd en die hebben geleid tot vertraging van de rechtspleging. Naar het oordeel van de wrakingskamer gebruikt verzoeker het middel van wraking voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren. Daarmee is sprake van misbruik. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/472
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer

Wrakingnummer: 2019/32

zaak- /rekestnummer: C/09/575550 / KG RK 19/902

Beslissing van 15 juli 2019

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot de wraking van

mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers,

kantonrechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de kantonrechter.

Belanghebbende in deze procedure is:

- [belanghebbende] , gemachtigde mr. B.F.H.L. van Campfort.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoeker van 17 juni 2019;

- de aanvulling op het wrakingsverzoek van verzoeker van 24 juni 2019;

- de schriftelijke reactie van de kantonrechter van 25 juni 2019;

- het antwoord van verzoeker op de schriftelijke reactie van de kantonrechter van 28 juni 2019.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling op 1 juli 2019 is de verzoeker verschenen.

De kantonrechter heeft laten weten, vanwege verhindering, niet te zullen verschijnen. De belanghebbende en zijn gemachtigde zijn – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

Op 12 april 2019 heeft in de zaak met nummer 7314146 \ RL EXPL 18-24487 tussen verzoeker en de belanghebbende een comparitie van partijen plaatsgevonden. Na deze comparitie heeft de kantonrechter de behandeling gesloten en de zaak voor het wijzen van vonnis verwezen naar de zitting van 22 mei 2019.

2.2.

Bij schriftelijk verzoek van 25 april 2019 heeft verzoeker de kantonrechter naar aanleiding van hetgeen is voorgevallen tijdens de comparitie op 12 april 2019 gevraagd zich te verschonen en haar, voor het geval zij daar niet mee instemt, gewraakt. De kantonrechter heeft laten weten zich niet te verschonen en niet in de wraking te berusten.

2.3.

Door de indiening van het wrakingsverzoek is de behandeling geschorst (art. 37 lid 5 Rv.)

2.4.

De vonnisdatum in de zaak met nummer 7314146 \ RL EXPL 18-24487 is verschoven naar 19 juni 2019.

2.5.

De wrakingskamer van deze rechtbank heeft op 27 mei 2019 het wrakingsverzoek van verzoeker afgewezen omdat dit te laat is ingediend en heeft bepaald dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.

2.6.

Verzoeker heeft vervolgens bij, op 6 juni 2019 ingekomen, verzoek de wrakingskamer in de bovengenoemde wrakingsprocedure gewraakt. Dit verzoek is op 14 juni 2019 door de wrakingskamer van deze rechtbank – zonder mondelinge behandeling wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid – afgewezen, op de grond dat het verzoek tot wraking was gedaan nadat de rechters in de eerste wrakingsprocedure einduitspraak hadden gedaan.

2.7.

Op 10 juni 2019 heeft verzoeker in de zaak met nummer 7314146 \ RL EXPL 18-24487 een akte wijziging en vermeerdering van eis en tevens een verzoek om pleidooi ingediend. Deze akte houdt onder meer in:

“ [verzoeker] voert hiertoe als reden aan de veranderde feiten en omstandigheden welke zich hebben voorgedaan gedurende de comparitie van partijen d.d. 12 april 2019 en de periode daarna tot aan de afwijzing van het verzoek tot wraking van de behandelend kantonrechter mw. mr. van der Poort-Schoenmakers. Het betreft hier dus feiten en omstandigheden welke gedurende maar met name na de comparitie van 12 april 2019 aan het licht zijn gekomen. (…)

Vordering valt dus buiten de bevoegdheid van de kantonrechter:

Het te vorderen bedrag wordt daarmee dus ten minste € 76.770,80 hetgeen het maximaal te vorderen bedrag waartoe de kantonrechter bevoegd is over te beslissen ver te boven gaat. (…) [verzoeker] verzoekt bij deze dan ook de zaak door te verwijzen naar de Sector Civiel van de Rechtbank Den Haag. (…)

Verzoek om pleidooi:

Wijst de kantonrechter ook dit af dan verzoekt [verzoeker] op grond van artikel 134 Rv en met tevens verwijzing naar HR 15 december 2017 ECLI:NL:HR:2017:3151 om het voeren van Pleidooi nu hem dat op de comparitie van 12 april 2019 in strijd met dat artikel en jurisprudentie van de Hoge Raad dienaangaande door de kantonrechter onthouden is. (…. )”

2.8.

Belanghebbende heeft hierop schriftelijk gereageerd.

2.9.

Vervolgens heeft verzoeker bij brief van 14 juni 2019 de kantonrechter bericht als volgt:

“(…) Slechts onder de voorwaarde van de onmiddellijke uitbetaling van € 40.118,69 heeft [verzoeker] zich bereid getoond zijn vordering van € 76.445,15, na aftrek van het nog aan [belanghebbende] verschuldigde bedrag, te minderen tot het bedrag van € 24.999,- ten einde de kantonrechter de bevoegdheid te verlenen zich daarover te kunnen uitspreken.

Nu de kantonrechter ter comparitie al heeft uitgesproken zich niet bevoegd te achten het beslag te doen opheffen is daarmee de bereidheid van [verzoeker] zijn vordering te minderen tot

€ 24.999,- ook vervallen. Daarmee was de kantonrechter op grond van art. 93 Rv dus niet meer bevoegd deze zaak verder te behandelen. Met deze uitspraak ter zitting heeft de kantonrechter zichzelf derhalve al onbevoegd verklaard deze zaak te kunnen behandelen.

Mocht de kantonrechter zich alsnog bevoegd achten het beslag te doen op heffen zonder dat zij bepaald dat het aan [verzoeker] door de notaris uit te keren erfdeel het bedrag van € 40.118,69 betreft (zonder de nog verrekening met [belanghebbende] zijn erfdeel van door [belanghebbende] aan [verzoeker] verschuldigde bedragen onder verrekening van door [verzoeker] aan [belanghebbende] verschuldigde bedragen) dan maakt dat de onbevoegdheid van de kantonrechter niet anders. Want ook dan is aan de door [verzoeker] gestelde voorwaarde waaronder hij bereid was zijn vordering te minderen niet voldaan.

Legt de kantonrechter bovenstaande naast zich neer en wijst zij de Akte Wijziging en

Vermeerdering van Eis van [verzoeker] d.d. 10 juni 2019, waarin bovenstaande ook verwoord is, af en besluit de kantonrechter alsnog vonnis te wijzen, terwijl ze daar op grond van artikel 93 Rv niet toe bevoegd is, dan kan dat niet anders dan opnieuw op partijdigheid en vooringenomenheid berusten. [verzoeker] zal de kantonrechter mr. van der Poort- Schoenmakers dan opnieuw wraken.

Gezien het korte tijdsbestek tot aan de datum van d.d. 19 juni 2019 waarop de kantonrechter uitspraak zal doen verwacht [verzoeker] uiterlijk maandag 17 juni 2019 voor 16:00 uur antwoord van de kantonrechter op bovenstaande en op de al dan niet acceptatie van zijn Akte Wijziging en Vermeerdering van Eis. inhoudende dat zij zich onbevoegd verklaard in deze zaak vanwege het niet kunnen voldoen aan artikel 93 Rv. Ontvangt [verzoeker] dat antwoord niet of is dat antwoord afwijzend dan zal [verzoeker] nog diezelfde dag de kantonrechter opnieuw wraken. (…)”

2.10.

De kantonrechter heeft niet vóór het door verzoeker genoemde tijdstip op de akte van 10 juni 2019 en het schrijven van 14 juni 2019 van verzoeker gereageerd.

2.11.

Bij schriftelijk verzoek van 17 juni 2019 heeft verzoeker de kantonrechter (wederom) gewraakt.

3 Het onderhavige wrakingsverzoek

3.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de kantonrechter in de zaak met nummer 7314146 \ RL EXPL 18-24487 tussen verzoeker en de belanghebbende.

3.2.

Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek tot wraking, de schriftelijke aanvulling hierop en blijkens zijn toelichting bij de mondelinge behandeling op 1 juli 2019 – kort samengevat – het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.

3.3.

De kantonrechter heeft verzuimd een antwoord te geven op de door verzoeker ingediende akte wijziging en vermeerdering van eis en op zijn verzoek tot pleidooi. Ook heeft de kantonrechter geen antwoord gegeven op zijn verzoek om zich onbevoegd te verklaren. In plaats daarvan heeft de kantonrechter aan partijen bericht op 19 juni 2019 uitspraak te zullen doen. Daaruit blijkt volgens verzoeker dat de kantonrechter vooringenomen en partijdig is.

3.4.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en ze heeft op het verzoek gereageerd. Zij heeft aangevoerd dat zij op 17 juni 2019 nog niet op de akte en de brief had gereageerd omdat het tijdsbestek hiervoor te kort was. Bovendien bestrijdt zij dat de vonnisdatum in reactie op de akte en brief van verzoeker op 19 juni 2019 is bepaald. Zij betoogt dat, de vonnisdatum door de eerste wraking 19 juni 2019 is geworden en dat deze, ten gevolge van de tweede wraking, opnieuw is opgeschoven.

4 De beoordeling

4.1

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.

4.2

De wrakingskamer overweegt dat het thans voorliggende wrakingsverzoek, gelet op het schriftelijke verzoek en de toelichting, ziet op (veronderstelde) procedurele beslissingen, te weten het door verzoeker gestelde niet reageren op een akte en een verzoek en op de verplaatsing van de vonnisdatum. Procedurele beslissingen kunnen in beginsel geen grond vormen voor wraking. Dit is alleen anders, indien (de motivering van) die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Hetgeen verzoeker in dit verband in zijn wrakingsverzoek en ter zitting van 1 juli 2019 heeft gesteld, ook voor wat betreft de door verzoeker geschetste omstandigheden van het geval, levert geen aanwijzing op die tot dat oordeel zou moeten leiden. Daarbij neemt de wrakingskamer in aanmerking dat de kantonrechter na de comparitie op 12 april 2019 de behandeling van de zaak heeft gesloten en deze heeft verwezen naar een (rol)zitting voor het wijzen van vonnis. Daarmee was de zaak in staat van wijzen. Een reactie, dan wel een beslissing van de kantonrechter op de nadien binnengekomen akte wijziging en vermeerdering van eis, dan wel een verzoek tot pleidooi, dan wel een verzoek om zich onbevoegd te verklaren, kan daarom in beginsel slechts bij (tussen)vonnis plaatsvinden. Ook uit de schriftelijke reactie van de kantonrechter op het onderhavige wrakingsverzoek volgt dat zij van oordeel is dat zij op deze stukken nog niet heeft beslist. Zij heeft immers betoogd dat zij op 17 juni 2019 (de datum waarop [verzoeker] het onderhavige wrakingsverzoek heeft ingediend) nog niet had gereageerd op de akte van 10 juni 2019 en de brief van 14 juni 2019 omdat het tijdsbestek hiervoor te kort was en dat de eerder geplande vonnisdatum (22 mei 2019) is verschoven naar 19 juni 2019 naar aanleiding van het eerste wrakingsverzoek. Hieruit leidt de wrakingskamer af dat de vonnisdatum wel moest worden verschoven omdat de oorspronkelijk geplande vonnisdatum niet meer haalbaar was. Een blijk van vooringenomenheid kan hieruit dus niet worden afgeleid. Het wrakingsverzoek wordt dan ook afgewezen.

4.3

Verzoeker heeft in deze procedure reeds meerdere wrakingsverzoeken gedaan die geen van alle zijn gehonoreerd en die hebben geleid tot vertraging van de rechtspleging. Naar het oordeel van de wrakingskamer gebruikt verzoeker het middel van wraking voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren. Daarmee is sprake van misbruik. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.

5 De beslissing

De wrakingskamer:

5.1.

wijst het verzoek tot wraking af;

5.2.

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

5.3.

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen;

5.4.

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker;

• de belanghebbende;

• de kantonrechter.

Deze beslissing is gegeven door mr. S.W.E. de Ruiter, voorzitter, mr. M.J. Alt-van Endt en mr. O.M. Harms, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier W.H. Ng en in openbaar uitgesproken op 15 juli 2019.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.