Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:780

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
C/09/548078 / HA ZA 18-184
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:1301, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering vernietiging honorariumovereenkomst advocaat afgewezen. Geen misbruik van omstandigheden. Niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/548078 / HA ZA 18-184

Vonnis van 30 januari 2019

in de zaak van

[eiser] te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat: mr. J.L. Oudshoorn te Rijswijk,

tegen

1 [gedaagde sub 1] te [plaats 2] ,

2. [gedaagde sub 2] te [plaats 3] ,

3. [de maatschap] te [plaats 1] ,

gedaagden,

advocaat: mr. C.A. Lucardie te Den Haag.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden zullen gezamenlijk worden aangeduid als “ [de maatschap c.s.] ” en ieder afzonderlijk als “ [gedaagde sub 1] ”, “ [gedaagde sub 2] ” en “de maatschap”.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 6 februari 2018, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het op 22 maart 2018 door [de maatschap c.s.] ter griffie van deze rechtbank gedeponeerde dossier;

  • -

    het vonnis van 28 maart 2018, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de akte indienen producties van de zijde van [de maatschap c.s.] ;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 2 oktober 2018.

1.2.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het proces-verbaal dat buiten hun aanwezigheid is opgemaakt. [de maatschap c.s.] hebben hiervan bij brief van 22 oktober 2018 gebruik gemaakt. Deze brief behoort tot de processtukken.

1.3.

Partijen hebben ter comparitie aangegeven dat zij de zaak twee weken wilden aanhouden om te bezien of zij een minnelijke schikking konden treffen. [de maatschap c.s.] hebben nadien verzocht om deze termijn met twee weken te verlengen. Vervolgens hebben beide partijen vonnis gevraagd.

1.4.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is geboren in [land] , waar hij hoogleraar aan de universiteit van Kabul was en een zelfstandige praktijk als arts had. In 1997 is hij naar Nederland gekomen. Op 15 december 2000 is [eiser] een verkeersongeval overkomen waarbij hij als fietser in botsing kwam met een auto waarvan de bestuurder destijds verzekerd was bij de rechtsvoorganger van Reaal Schadeverzekering N.V. (hierna: Reaal). [eiser] heeft hierbij ernstig letsel (een ernstige hersenkneuzing) opgelopen waardoor hij niet meer in staat was zijn beroep (chirurg) uit te oefenen.

2.2.

Deze rechtbank heeft bij vonnis van 8 september 2004 voor recht verklaard dat de bestuurder van de auto en Reaal hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het ongeval. Tegen dit vonnis is door Reaal hoger beroep ingesteld. De appelprocedure is naar de parkeerrol verwezen vanwege het door partijen gestarte overleg.

2.3.

Op 2 oktober 2009 hebben [eiser] en [B.V. I] (hierna: [B.V. I] ) een schaderegelingsovereenkomst gesloten. [B.V. I] heeft het dossier van [eiser] in behandeling genomen op basis van “no cure – no pay”. Een honorarium van 15% inclusief btw zou verschuldigd zijn over de door [B.V. I] te realiseren schadevergoeding.

2.4.

Bij brief van 22 april 2010 heeft [B.V. I] aan [eiser] meegedeeld dat Reaal bereid is een slotuitkering van € 800.000,-- te betalen bovenop de reeds betaalde voorschotten. Kort daarop heeft [eiser] de opdracht aan [B.V. I] ingetrokken. Hierna maakte [B.V. I] aanspraak op een honorarium van € 60.000,--.

2.5.

Vervolgens heeft [eiser] mr. [A] van [B.V. II] verzocht de behandeling van zijn zaak over te nemen.

2.6.

Kort hierna heeft [eiser] de behandeling van zijn letselschadezaak overgedragen aan Juristenkantoor [Juristenkantoor X] te [plaats 4] (hierna: [Juristenkantoor X] ). Dit was formeel de handelsnaam van een eenmanszaak op naam van de echtgenote van de heer [B] , mevrouw [C] . In december 2010 heeft [eiser] ook de overeenkomst met [Juristenkantoor X] beëindigd. [Juristenkantoor X] maakte daarna aanspraak op een resterend honorarium van € 8.582,--.

2.7.

Vervolgens hebben [B.V. I] en [Juristenkantoor X] [eiser] gedagvaard en betaling van hun (resterend) honorarium gevorderd. [eiser] is in eerste aanleg in beide zaken in het ongelijk gesteld, waarbij hij werd bijgestaan door mr. [D] . Van deze vonnissen is [eiser] in hoger beroep gekomen, waarbij [gedaagde sub 1] als advocaat van [eiser] is gaan optreden. [gedaagde sub 1] heeft op enig moment een toevoeging aangevraagd.

2.8.

Nadien is [gedaagde sub 1] tevens als belangenbehartiger gaan optreden in de letselschadezaak van [eiser] . Ook hiervoor heeft [gedaagde sub 1] een toevoeging aangevraagd.

2.9.

Bij e-mail van 21 juni 2013 heeft [eiser] het volgende geschreven aan [gedaagde sub 1] :

“Nog een herinnering over onze laatste gespreken bij uw kantoor. Daar ging ook gesprek over uw zo geheten arbeid betaling. Ik weet niet over details maar ik heb het volgende voorstel gemaakt over de betaling aan u (tussen ons gezegd: “no cure no pay”).

Na aftrek van alle etc. kosten tijdens het proces, afhankelijk van de hoogte van het bedrag wat uitgekeerd wordt wil ik u de volgende bedragen betalen:

Bij een toekenning van 1.000.000 euro wil ik u graag 70.000 euro betalen.

Bij een toekenning van 1.500.000 wil ik u graag 100.000 euro betalen.

En bij een toekenning van 2.500.000 euro wil ik u graag 200.000 euro betalen.”

2.10.

Op 1 juli 2013 heeft Reaal op verzoek van [gedaagde sub 1] een nader voorschot van € 70.000,-- ten behoeve van [eiser] betaald op de rekening van de aan de maatschap van [gedaagde sub 1] verbonden Stichting Derdengelden (hierna: de derdenrekening). Hiervan is een bedrag van € 5.000,-- aan [eiser] overgemaakt en voorts zijn er betalingen gedaan aan [B.V. I] (€ 27.177,12 op 19 september 2013) en [Juristenkantoor X] (€ 11.009,-- op 3 juli 2013).

2.11.

Bij brief van 29 juli 2013 heeft [gedaagde sub 1] het volgende geschreven aan [eiser] :

“Graag bevestig ik hierbij de afspraken die u mij in uw mailbericht van 21 juni 2013. Uw voorstel luidt als volgt: (…).

Om voor de tussenliggende bedragen een goede berekening te maken, stel ik voor, dat de tekst als volgt wordt:

‘Na aftrek van alle kosten etc. tijdens het proces, afhankelijk van de hoogte van het bedrag wat uitgekeerd wordt, betaalt [eiser] aan [de maatschap] :

Bij een toekenning tot 1.500.000 euro 7% van het uitgekeerde bedrag;

Bij een toekenning van meer dan 1.500.000 8% van het uitgekeerde bedrag.’

De brief is slechts voor akkoord ondertekend door [gedaagde sub 1] .

2.12.

Bij e-mail van 30 juli 2013 heeft [eiser] het volgende geschreven:

“Om de inhoud van mijn voorstel in mijn emailbericht van 21 juni 2013 nog meer te duidelijken zal ik volgende details omschrijven: In mijn emailbericht staat: [volgt de tekst van het e-mailbericht van 21 juni 2013, toevoeging rechtbank].

Allang heb ik het voorstel van Reaal verzekering 800000 euro exclusief alle doorbetaalde voorschot en andere bijdragen geweigerd. Als slotuitkering exclusief al betaalde bijdragen wordt minder dan 1.000.000 euro toegekend dan weiger ik deze.

Mijn voorstel is als volgt:

Ik betaal 70.000 euro als slotuitkering wordt toegekend vanaf 1.000.000 euro maar niet tot 1.000.000 euro exclusief voorschotbijdragen en andere kosten die van het begin tot nu toe door tegenpartij betaald zijn. Ik wil graag 100.000 euro betalen in geval als slotuitkering vanaf 1.500.000 tot 2.500.000 euro wordt toegekend.”

2.13.

Bij brief van 27 november 2013 heeft [gedaagde sub 1] namens [eiser] het bod dat Reaal in haar brief van 14 november 2013 had gedaan, te weten een slotuitkering van € 900.000, aanvaard.

2.14.

[eiser] en [gedaagde sub 1] hebben op 27 november 2013 een overeenkomst gesloten (hierna: de honorariumovereenkomst), met de volgende inhoud:

“(…)

overwegende dat

a tussen de heer [eiser] en Reaal / Hoghe Huys, door toedoen van de heer [gedaagde sub 1] , een overeenkomst tot stand is gekomen ter zake van de schadevergoeding die Reaal / Hooghe Huys aan de heer [eiser] zal uitbetalen

b dat tussen deheer [eiser] en de heer [gedaagde sub 1] nadere afspraken omtrent de vergoeding voor werkzaamheden dienen te worden vastgesteld.

c dat de vergoeding voor de werkzaamheden naast de totstandkoming van de overeenkomst ook behelst vergoeding voor de werkzaamheden die uit deze overeenkomst voortvloeien, zoals, maar niet daartoe beperkt, het inwinnen van fiscaal-juridische adviezen en de positie ten opzicht van de Sociale Dienst.

komen het volgende overeen:

De heer [eiser] betaalt op factuurbasis aan de heer [gedaagde sub 1] een bedrag van € 60.000,- excl. btw (€ 72.500 incl. btw).”

2.15.

Bij vaststellingsovereenkomst van 13 december 2013 zijn Reaal en [eiser] overeengekomen dat Reaal in aanvulling op het reeds betaalde voorschot van € 117.500 een slotbedrag van € 900.000 zal uitkeren. Na akkoord van [eiser] is deze slotuitkering gestort op de derdenrekening van de maatschap. Van dit bedrag heeft [eiser] € 852.843,88 ontvangen.

2.16.

Bij e-mail van 29 januari 2014 heeft [eiser] het volgende geschreven aan [gedaagde sub 1] :

“(…) Dank je wel voor de moete van u en al uwe medewerkers voor winnende afsluiting. Als hoogwaardig nut voel ik me, na verten jarige teleurstellende vol moete afstand, blij en tevreden.

Uitkomst van mijn financiële karakter heeft de hoeveelheid van de bijdragen weinig belang voor mij maar de juiste afrekening maken grote belang en vind ik heel nuttig. Als voorbeeld in dag van onze overeenkomst tot welke bijdrage zal ik als gift aan u betalen was afgesproken € 600000,0 en tijdens afrekenen is dat door mijn eigen initiatieven inclusief BTW dus nog meer dan € 1200,0 ook erbij dus het totaal meer dan € 72200,0 geworden die ik zelf uit de algemene schadevergoeding zal betalen en dat doe ik. (…)”

2.17.

In de zaak tegen [B.V. I] heeft het gerechtshof Den Haag op 15 april 2014 eindarrest gewezen. Alle principale grieven van [eiser] zijn verworpen. [gedaagde sub 1] heeft vervolgens op verzoek van [eiser] cassatie ingesteld. Omdat [gedaagde sub 1] per 1 juli 2014 niet bevoegd was om als advocaat in cassatiezaken op te treden heeft [gedaagde sub 1] de cassatieprocedure ingetrokken, onder de toezegging dat hij [eiser] hiervoor financieel zou compenseren.

2.18.

In de zaak tegen [Juristenkantoor X] heeft het gerechtshof Den Haag op 25 november 2014 arrest gewezen. Hoewel [eiser] in het gelijk werd gesteld heeft hij het door hem betaalde bedrag niet terug gekregen, omdat mevrouw [C] op 18 december 2014 in staat van faillissement is gesteld.

2.19.

[eiser] heeft zich vervolgens tot mr. [E] gewend. [E] heeft bij brief van 31 maart 2015 het volgende geschreven aan [gedaagde sub 1] :

“De heer (…) [eiser] heeft mij benaderd voor de behandeling van zijn Letselschade jegens Reaal verzekering, waarin u hem eerder heeft bijgestaan. Graag ontvang ik het dossier in deze zaak om deze over te nemen.

Daarnaast geeft de heer [eiser] dat aan u in een ander zaak een voorschot heeft betaald om cassatie in te stellen. Cassatie is niet ingesteld en het voorschot is ook niet terug betaald. Ook in dat dossier ontvang ik graag de stukken.

Omdat de heer [eiser] zich over uw handelwijze in de genoemde zaken beklaagt, verzoek ik u vriendelijk om een adequate toelichting uwerzijds op uw werkwijze in de genoemde zaken, opdat ik de klachten van de heer [eiser] in het licht van uw toelichting op hun merites kan beoordelen.”

2.20.

Bij brief van 22 oktober 2015 heeft [E] [gedaagde sub 1] kort gezegd geschreven dat [eiser] bij zijn klachten blijft. [E] heeft [gedaagde sub 1] verzocht de schade van [eiser] van

€ 18.837,68 terug te betalen, evenals een bedrag van € 4.334,75.

2.21.

[gedaagde sub 1] heeft het dossier aan [E] gestuurd en niet voldaan aan het verzoek om betaling.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis – samengevat – uitvoerbaar bij voorraad:

I. de honorariumovereenkomst van 27 november 2013 te vernietigen;

II. [de maatschap c.s.] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 84.508,91 (€ 71.541,66 + € 11.009 + € 1.958,25) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

III. [de maatschap c.s.] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering tot vernietiging van de honorariumovereenkomst ten grondslag dat deze tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden. Om die reden maakt [eiser] bovendien aanspraak op terugbetaling van het bij deze overeenkomst vastgestelde honorarium. Subsidiair is [eiser] van mening dat het honorarium aan hem dient te worden terugbetaald op grond van de redelijkheid en billijkheid. Meer subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat de honorariumovereenkomst geen definitieve betalingsverplichting van het daarin genoemde honorarium inhoudt. [eiser] maakt voorts aanspraak op betaling van een bedrag van € 11.009,-- op de grond dat [gedaagde sub 1] dit bedrag vanuit aan [eiser] toebehorende gelden, die op de derdenrekening stonden, zonder zijn toestemming en zonder dat daar een vordering van [Juristenkantoor X] tegenover stond, aan [Juristenkantoor X] heeft voldaan. Tot slot heeft [eiser] aan zijn vordering tot betaling van € 1.958,25 ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 1] heeft toegezegd dat hij dit bedrag ter compensatie aan [eiser] zou betalen en dat hij deze toezegging tot op heden niet is nagekomen.

3.3.

[de maatschap c.s.] voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid [eiser]

4.1.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde sub 1] is dat [eiser] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat hij niet tijdig heeft geklaagd. [gedaagde sub 1] stelt in dit verband dat de honorariumovereenkomst stamt van november 2013, terwijl [eiser] de dagvaarding die aan deze procedure ten grondslag ligt pas in februari 2018 heeft uitgebracht.

4.2.

Artikel 6:89 Burgerlijk Wetboek (BW) houdt in dat een schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, bij de schuldenaar terzake heeft geprotesteerd.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat voor zover het de vordering tot terugbetaling van het bedrag van € 71.541,66 betreft, artikel 6:89 BW niet van toepassing is. De grondslag van die vordering is immers niet dat de overeenkomst niet beantwoordt aan wat ter zake van de prestatie mocht worden verwacht, maar dat [gedaagde sub 1] misbruik heeft gemaakt van omstandigheden, waardoor [eiser] als gevolg van een wilsgebrek een overeenkomst is aangegaan. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat uit het hiernavolgende volgt dat ook indien artikel 6:89 BW van toepassing zou zijn, dit artikel niet geschonden is.

4.4.

Ten aanzien van de vorderingen tot terugbetaling van € 11.009 en € 1.958,25 is de rechtbank van oordeel dat de klachtplicht niet is geschonden. Uit het dossier volgt dat [eiser] zich vrij kort na de beëindiging van de dienstverlening door [gedaagde sub 1] (eind 2014) heeft gewend tot mr. [E] , die [gedaagde sub 1] in het voorjaar van 2015 heeft aangeschreven (zie 2.19). [gedaagde sub 1] was op dat moment dus ervan op de hoogte dat [eiser] niet tevreden was. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat voor zover [gedaagde sub 1] vanwege het tijdsverloop al in zijn bewijsmogelijkheden is geschaad, dit voor zijn risico komt. Hoewel tussen het moment van de laatste reactie van [gedaagde sub 1] op de vragen van mr. [E] (oktober 2015) en het uitbrengen van de dagvaarding in 2018 veel tijd is verstreken, levert dat enkele tijdsverloop geen geslaagd beroep op artikel 6:89 BW op. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep van [gedaagde sub 1] op artikel 6:89 BW geen doel treft.

Inhoudelijke beoordeling

4.5.

In het navolgende zal de rechtbank de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde sub 1] afzonderlijk beoordelen.

Vernietiging honorariumovereenkomst en terugbetaling honorarium

4.6.

[eiser] heeft zijn vordering tot vernietiging van de honorariumovereenkomst gebaseerd op de stelling dat deze tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 BW. [eiser] heeft in dit verband aangevoerd dat hij door afhankelijkheid van [gedaagde sub 1] dan wel door lichtzinnigheid ertoe is bewogen om deze honorariumovereenkomst, waarbij [gedaagde sub 1] een exorbitant loon voor zichzelf heeft bedongen, met [gedaagde sub 1] aan te gaan. Volgens [eiser] had [gedaagde sub 1] als belangenbehartiger hem hiervan juist moeten weerhouden.

4.7.

[gedaagde sub 1] heeft gemotiveerd betwist dat er tijdens het aangaan van de honorariumovereenkomst sprake was van bijzondere omstandigheden aan de zijde van [eiser] . Hij heeft – onweersproken – gesteld dat [eiser] ondanks zijn ernstige letsel zeer intelligent en strijdbaar is en dat hij in alle reeds door hem gevoerde procedures steeds zeer zorgvuldig en nauwgezet heeft aangegeven op welke wijze hij wilde procederen.

4.8.

De rechtbank verwerpt het beroep van [eiser] op vernietiging van de honorariumovereenkomst wegens misbruik van omstandigheden en zij overweegt daartoe als volgt. Op grond van artikel 3:44 lid 1 BW is een rechtshandeling vernietigbaar, wanneer zij door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. In het vierde lid van artikel 3:44 BW is bepaald dat misbruik van omstandigheden aanwezig is, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Bedoelde omstandigheden kenmerken zich hierdoor, dat degene die in die omstandigheden verkeert ten opzichte van de ander een zwakke positie inneemt. Op [eiser] rust de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het door hem gestelde misbruik van omstandigheden door [gedaagde sub 1] .

4.9.

Niet in geschil is dat [eiser] een ernstig ongeval is overkomen, waardoor hij onder meer sterk beperkt is in de mogelijkheid om zich mondeling uit te drukken. De rechtbank is echter van oordeel dat [eiser] in het licht van het gemotiveerde verweer van [gedaagde sub 1] onvoldoende concreet heeft gemaakt dat de honorariumovereenkomst in november 2013 door afhankelijkheid of lichtzinnigheid aan zijn kant tot stand is gekomen. Hoewel de relatie tussen advocaat en cliënt naar haar aard een afhankelijke relatie betreft, gelet op het belang van de cliënt bij juridische bijstand door zijn advocaat, heeft de rechtbank in het dossier geen aanknopingspunten gevonden voor het standpunt dat [eiser] door afhankelijkheid van [gedaagde sub 1] de honorariumovereenkomst heeft gesloten. Gebleken is dat [eiser] zich profileerde als een strijdbaar persoon die er alles aan was gelegen om zijn letselschadezaak tot een voor hem bevredigend einde te brengen. Hierbij stelde hij zich niet afhankelijk, maar juist kritisch op ten opzichte van zijn belangenbehartigers, mede getuige het feit dat hij diverse malen een nieuwe belangenbehartiger in de arm nam indien een eerdere belangenbehartiger niet aan zijn verwachtingen voldeed. Uit de overgelegde e-mails kan voorts worden afgeleid dat hij goed begreep waar het om ging in zijn zaken tegen Reaal, [B.V. I] en [Juristenkantoor X] .

4.10.

Evenmin heeft [eiser] feiten en omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat hij lichtzinnig zou hebben gehandeld bij het aangaan van de honorariumovereenkomst. De rechtbank volgt [eiser] daarom niet in zijn stelling dat hij de beslissing over het aangaan van de honorariumovereenkomst niet welbewust heeft kunnen nemen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [eiser] zelf het initiatief heeft genomen om afspraken te maken over de beloning van [gedaagde sub 1] en dat hij tevens het voortouw nam voor zover het de hoogte van de mogelijke beloning betrof (zie 2.9 e.v.).

4.11.

Nu ook niet gesteld of gebleken is dat [eiser] anderszins in een zwakke positie verkeerde ten opzichte van [gedaagde sub 1] , kan de rechtbank niet vaststellen dat bij het sluiten van de honorariumovereenkomst sprake was van bijzondere omstandigheden aan de zijde van [eiser] . [eiser] kan zich daarom niet met succes beroepen op misbruik van omstandigheden. Nu [eiser] ook geen andere gronden heeft aangevoerd die tot vernietiging van de overeenkomst kunnen leiden, dient te vordering onder I te worden afgewezen en is er op deze grond geen plaats voor terugbetaling van het honorarium.

Overeenkomst in strijd met redelijkheid en billijkheid

4.12.

In de tweede plaats stelt [eiser] zich op het standpunt dat [gedaagde sub 1] geen aanspraak kan maken op het in de honorariumovereenkomst neergelegde honorarium op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW).

4.13.

Artikel 6:248 BW lid 2 bepaalt dat een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Uit de formulering van de laatste zinssnede van het tweede lid volgt dat de rechter zich in dit kader terughoudend dient op te stellen.

4.14.

[eiser] stelt dat het in onderhavige zaak relevante rechtsgevolg van de honorariumovereenkomst is dat hij een honorarium aan [gedaagde sub 1] diende te voldoen van € 72.600 inclusief btw. [eiser] stelt dat dit in de gegeven omstandigheden geen redelijk honorarium is. Volgens hem is dit bedrag exorbitant hoog en behelst dit ruim 20 keer de waarde van de door [gedaagde sub 1] geleverde dienst die volgens [eiser] een tijdsbesteding van hooguit 15 uur inhoudt. [eiser] heeft erop gewezen dat het in rekening brengen van een dergelijk honorarium in strijd is met de Gedragsregels, waarin is opgenomen dat de advocaat bij het vaststellen van zijn declaratie een, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijk honorarium in rekening dient te brengen.

4.15.

[gedaagde sub 1] heeft betwist dat het overeengekomen honorarium te hoog is.

Ten eerste heeft hij hiertoe gesteld dat hij niet slechts 15 uur maar 97 uur aan deze zaak heeft besteed. Uitgaande van zijn gebruikelijke uurtarief (€ 235,-- per uur exclusief kantooropslag en btw) en een factor 2,5 komt dit tot een beloning die overeenkomt met het in de honorariumovereenkomst vastgestelde honorarium. Voorts heeft hij naar voren gebracht dat in andere letselschadezaken waarin lagere resultaten zijn behaald veel hogere beloningen redelijk zijn geacht.

4.16.

[eiser] heeft naar aanleiding hiervan uitsluitend herhaald dat [gedaagde sub 1] deze honorariumovereenkomst gelet op de voor hem geldende Gedragsregels en normen niet had mogen sluiten. Hieraan gaat de rechtbank voorbij. Daarbij laat zij in het midden of de honorariumovereenkomst daadwerkelijk in strijd is met de Gedragsregels voor de advocatuur of andere voor advocaten geldende normen. Het is in deze procedure aan [eiser] om aan te tonen dat het overeengekomen honorarium in de gegeven omstandigheden zo hoog is, dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, hetgeen hij niet heeft gedaan. Hierbij betrekt de rechtbank het gegeven dat de voorstellen tot betaling van een dergelijk honorarium in eerste instantie afkomstig waren van [eiser] zelf (zie 2.9 en 2.12). Gelet op het voorgaande en mede gelet op de terughoudendheid die de rechter ter zake van de toepassing van artikel 6:248 lid 2 BW in acht moet nemen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de vordering tot terugbetaling van het honorarium ook op deze grond niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Uitleg overeenkomst

4.17.

Tot slot stelt [eiser] zich op het standpunt dat de honorariumovereenkomst geen definitieve verschuldigdheid van het daarin genoemde honorarium inhoudt. Volgens [eiser] brengt een redelijke uitleg van de honorariumovereenkomst met zich dat nog nadere afspraken omtrent de vergoeding voor werkzaamheden van [gedaagde sub 1] dienen te worden gemaakt.

4.18.

De rechtbank verwerpt deze stelling. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat de uitleg van de honorariumovereenkomst dient plaats te vinden aan de hand van de Haviltex-maatstaf.

4.19.

De rechtbank is, toetsend aan de Haviltex-maatstaf, van oordeel dat partijen deze honorariumovereenkomst hebben gesloten met het oogmerk om een honorarium voor de (reeds verleende en nog te verlenen) diensten van [gedaagde sub 1] vast te stellen. Dit blijkt zowel uit de tekst van de honorariumovereenkomst als uit de e-mailcorrespondentie die hieraan vooraf is gegaan, die inhoudt dat [eiser] zelf voorstellen heeft gedaan met betrekking tot het door hem aan [gedaagde sub 1] te betalen honorarium. Ook uit de gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst kan dit worden afgeleid.

4.20.

De door [eiser] voorgestane uitleg van de overeenkomst kan daarom evenmin leiden tot toewijzing van de vordering tot terugbetaling van het honorarium.

4.21.

De vordering tot terugbetaling van (een deel van) het honorarium zal dan ook worden afgewezen.

4.22.

Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. [eiser] verwijt [gedaagde sub 1] vooral dat hij heeft gehandeld in strijd met de Gedragsregels, omdat de uiteindelijke beloning van [gedaagde sub 1] volgens hem exorbitant is en qua hoogte neerkomt op een percentage van 6% van de uitkering, waarmee in strijd met de Gedragsregels is gehandeld, die kort gezegd inhouden dat de advocaat niet mag overeenkomen dat het salaris een evenredig deel zal bedragen van de waarde van het door zijn bijstand te bereiken gevolg. Voorts heeft [gedaagde sub 1] volgens [eiser] verzuimd bij het aangaan van de opdracht duidelijk te maken en schriftelijk vast te leggen wat de financiële consequenties zouden zijn.

4.23.

De rechtbank overweegt dat de Gedragsregels een rol kunnen spelen in de civielrechtelijke rechtsverhouding tussen een advocaat en zijn cliënt. Meer in het bijzonder kunnen de regels invulling geven aan de op advocaten rustende civielrechtelijke zorgplicht, die inhoudt dat een advocaat dient te handelen zoals “van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht”. De aard van de regels brengt echter mee dat het enkele feit dat in strijd met de regels is gehandeld, niet zonder meer grond oplevert voor civielrechtelijke aansprakelijkheid.

4.24.

De ratio van het verbod van een resultaatsafhankelijke beloning is dat de advocaat geen eigen belang moet hebben bij de uitkomst. In casu is evenwel niet in geschil dat toen partijen de honorariumovereenkomst sloten, reeds duidelijk was hoe hoog de uitkering zou zijn. Het verwijt dat de beloning exorbitant is, is erop gebaseerd dat [gedaagde sub 1] slechts 15 uur in de zaak zou hebben gestoken. Voor deze stelling, die gemotiveerd is betwist door [gedaagde sub 1] , biedt het dossier echter geen enkel aanknopingspunt, reeds gelet op de omvang van het letselschadedossier. Bovendien moet het op het moment dat partijen de honorariumovereenkomst sloten voor [eiser] duidelijk zijn geweest hoeveel uur [gedaagde sub 1] aan zijn zaak had besteed, en welke beloning deze werkzaamheden volgens hem rechtvaardigden. Daarmee biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat [gedaagde sub 1] zijn zorgplicht heeft geschonden en dat [eiser] schade heeft geleden, en al helemaal niet hoe hoog die schade dan zou zijn, nog daargelaten dat [eiser] vernietiging van de overeenkomst heeft gevorderd en geen schadevergoeding op grond van schending van de zorgplicht.

Terugbetaling € 11.009,--

4.25.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat Reaal op 1 juli 2013 ten behoeve van [eiser] een bedrag van € 70.000,-- heeft gestort op de derdenrekening van de maatschap en dat [gedaagde sub 1] hiervan op 3 juli 2013 een bedrag van € 11.009,-- heeft overgemaakt aan [Juristenkantoor X] .

4.26.

[eiser] maakt thans aanspraak op betaling van € 11.009,-- en stelt hiertoe dat [gedaagde sub 1] de betaling aan [Juristenkantoor X] niet-bevrijdend heeft gedaan. Volgens [eiser] had [gedaagde sub 1] deze betaling niet mogen verrichten omdat [eiser] daarmee niet expliciet had ingestemd. Verder stelt [eiser] zich op het standpunt dat de betaling van [gedaagde sub 1] aan [Juristenkantoor X] onverschuldigd is verricht omdat de vordering van [Juristenkantoor X] in hoger beroep is afgewezen.

4.27.

[gedaagde sub 1] heeft bestreden dat hij destijds niet-bevrijdend jegens [eiser] aan [Juristenkantoor X] zou hebben betaald. In dit verband heeft hij naar voren gebracht dat [eiser] door de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 29 januari 2013 is veroordeeld tot betaling van genoemd bedrag aan [Juristenkantoor X] . Omdat [eiser] niet tot betaling was overgegaan had [Juristenkantoor X] reeds maatregelen getroffen om [eiser] tot betaling te bewegen. [Juristenkantoor X] had beslag laten leggen op alle vermogensbestanddelen van [eiser] en hij had daarnaast een faillissementsverzoek tegen [eiser] ingediend, waardoor [eiser] in een lastige financiële situatie was komen te verkeren. [gedaagde sub 1] heeft gesteld dat hij zich met instemming van [eiser] en geheel in zijn belang juist heeft ingespannen om het faillissement van [eiser] af te wenden en de beslagen op te heffen door een nader voorschot van Reaal te vragen waarmee – onder andere – [Juristenkantoor X] tijdig kon worden betaald.

4.28.

Naar aanleiding van het verweer van [gedaagde sub 1] heeft [eiser] ter comparitie verklaard dat hij het weliswaar niet eens was met de vordering van [Juristenkantoor X] , maar dat hij in het kader van het opheffen van de beslagen en het afwenden van zijn faillissement destijds wel akkoord was met de door [gedaagde sub 1] aan [Juristenkantoor X] verrichte betaling.

4.29.

In aanmerking genomen dat de vordering van [Juristenkantoor X] was toegewezen bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis en gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde sub 1] de betaling van € 11.009,-- aan [Juristenkantoor X] bevrijdend jegens [eiser] heeft verricht. Anders dan [eiser] meent, valt dan ook niet in te zien op grond waarvan [gedaagde sub 1] gehouden zou zijn een bedrag van € 11.009,-- aan [eiser] te voldoen. De rechtbank zal de vordering op dit punt dan ook afwijzen.

Terugbetaling € 1.958,25

4.30.

Tussen partijen staat vast dat [gedaagde sub 1] heeft toegezegd om [eiser] financieel te compenseren voor de omstandigheid dat de cassatieprocedure in de zaak [B.V. I] geen doorgang kon vinden.

4.31.

[eiser] heeft gesteld dat [gedaagde sub 1] zijn toezegging nog niet gestand heeft gedaan en dat hij aldus nog recht heeft op de toegezegde betaling van € 1.958,25. [gedaagde sub 1] heeft deze stelling betwist en heeft in dit verband naar voren gebracht dat de toegezegde compensatie reeds heeft plaatsgevonden doordat een factuur ter hoogte van genoemd bedrag niet bij [eiser] in rekening is gebracht.

4.32.

Gezien het gemotiveerde verweer van [gedaagde sub 1] , had het op de weg van [eiser] gelegen om zijn stelling dat hij nog recht heeft op een bedrag van € 1.958,25 nader toe te lichten en te onderbouwen. Nu hij dit heeft nagelaten, gaat de rechtbank aan deze stelling voorbij en zal de vordering van [eiser] op dit punt eveneens worden afgewezen.

Vorderingen jegens [gedaagde sub 2] en de maatschap

4.33.

Nu de vorderingen van [eiser] jegens [gedaagde sub 1] zullen worden afgewezen, zullen de vorderingen jegens [gedaagde sub 2] en de maatschap eveneens worden afgewezen. Hierbij laat de rechtbank in het midden of [eiser] ontvankelijk is in de vorderingen die hij tegen [gedaagde sub 2] en de maatschap heeft ingesteld.

Proceskosten

4.34.

Nu de vorderingen van [eiser] worden afgewezen, zal de rechtbank [eiser] veroordelen in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [de maatschap c.s.] worden tot dusver begroot op € 1.950,-- aan griffierecht en € 2.148,-- aan salaris advocaat (2 punten x liquidatietarief € 1.074,--), in totaal dus € 4.098,--.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af;

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten [de maatschap c.s.] , tot dusver begroot op € 4.098,--;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Voorwinden en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2019.1

1 type: 1366