Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7614

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-08-2019
Datum publicatie
14-10-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1116
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:501, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Eiser is eigenaar van het perceel en heeft in die zin de beschikking over het perceel. Eiser kan reeds daarom als gebruiker ervan worden aangemerkt.

Gelet hierop is eiser op grond van artikel 2 van de ‘Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2008’ van de gemeente Den Haag, belastingplichtig voor de afvalstoffenheffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-10-2019
FutD 2019-2719
Belastingblad 2020/62 met annotatie van L.J. Boone
NTFR 2019/3080
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 19/1116

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

1 augustus 2019 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 14 december 2018 op het bezwaar van eiser tegen de aanslag afvalstoffenheffing 2018.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2019.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.S. Veenstra en M. van der Zwaag.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van de woning [adres] te Den Haag (het perceel). Aan eiser is voor het jaar 2018 een aanslag afvalstoffenheffing (de aanslag) opgelegd.

2. Niet in geschil is dat verweerder ten aanzien van het perceel een verplichting heeft tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.11 van de Wet milieubeheer. Verder is niet in geschil dat eiser als eigenaar de beschikking had over het perceel. Eiser kan reeds daarom als gebruiker van het perceel worden aangemerkt.

3. Gelet hierop is eiser op grond van artikel 2 van de ‘Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2008’ van de gemeente Den Haag, belastingplichtig voor de afvalstoffenheffing. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit een tot de stukken behorend uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel blijkt dat een bedrijf van eiser sinds 1 maart 2016 is gevestigd op het adres van het perceel.

4. De omstandigheid dat eiser in 2018 niet woonde in het perceel en dat het leeg staat doet aan de bevoegdheid om een aanslag afvalstoffenheffing op te leggen niet af. De verplichting van artikel 10.11 van de Wet milieubeheer bestaat namelijk ten aanzien van percelen waar zodanige afvalstoffen geregeld kúnnen ontstaan. Het is dus niet van belang of daar daadwerkelijk (geregeld) huishoudelijke afvalstoffen ontstaan (Hoge Raad, 30 mei 2001; ECLI:NL:HR:2001:AB1838). Gezien de vestiging van het bedrijf van eiser op het adres van het perceel, kan overigens ook niet worden uitgesloten dat er huishoudelijke afvalstoffen ontstaan.

4. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.C. Stroebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.