Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7600

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-07-2019
Datum publicatie
25-07-2019
Zaaknummer
NL18.19332
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Teruggewezen zaak. In rechte staat vast dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de Syrische oproerpolitie in de periode dat eiser daar als dienstplichtig soldaat werkzaam was zich op systematische wijze en/of op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan mensenrechtenschendingen en daarmee een organisatie is die zich op systematische wijze en/of op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan misdrijven als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Ook staat in rechte vast dat verweerder terecht heeft aangenomen dat sprake is van ‘knowing participation’ en ‘personal participation’. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers betoog dat hij zich in een overmachtssituatie bevond niet ten onrechte niet aannemelijk heeft geacht. In het licht van de aangevoerde omstandigheden en gezien de in het kader van artikel 1(F) gegeven overwegingen, ziet de rechtbank grond om de in bestreden besluit gegeven motivering toereikend te achten om de in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 mei 2018 (ECLI:EU:C:2018:296) gegeven toets - of eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt - te doorstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL18.19332

Uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (thans: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2017 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en aan hem een inreisverbod voor de duur van tien jaren opgelegd.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. P. Bouman, advocaat te Helmond.

Bij uitspraak van 13 maart 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:3092) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van eiser tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Verweerder heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Bij uitspraak van 10 oktober 2018 (zaaknummer 201802357/1/V2) heeft de Afdeling het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van 13 maart 2018 vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank.

Op 15 november 2018, 3 december 2018 en 13 maart 2019 heeft aanvulling van de beroepsgronden plaatsgevonden.

Verweerder heeft een (aanvullend) verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2019, waar eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en M. Kadro, tolk, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.F.M. Saive, werkzaam bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zijn verschenen.

Ter zitting is [vader] , eisers vader, als getuige gehoord.

Overwegingen

1. Eiser, die is geboren op [geboortedatum] en de Syrische nationaliteit bezit, heeft op 10 oktober 2015 de hiervoor genoemde aanvraag ingediend.

2. Zoals is weergegeven in de uitspraak van 13 maart 2018 heeft eiser aan die aanvraag ten grondslag gelegd dat hij is geboren en getogen in Aleppo, tot de Koerdische bevolkingsgroep behoort en soenniet is. Op 1 oktober 2011 heeft hij zich bij de Hanano kazerne in Aleppo gemeld voor het vervullen van zijn militaire dienstplicht. Na een opleiding van drie maanden werd hij als dienstplichtig militair geplaatst bij de orde- en handhavingsdienst/ oproerpolitie. Vanaf 1 januari 2012 werd hij geplaatst in Harasta. Hij werd voornamelijk ingezet bij het uiteendrijven van demonstranten voor moskeeën, vooral in Rif Damascus. Toen hij in augustus 2012 in Aleppo werd ingezet om een politiebureau te bewaken, heeft hij met hulp van zijn vader weten te deserteren. In mei 2013 is hij naar Turkije gevlucht, waar hij tot 2015 illegaal in Istanbul heeft verbleven. Op 10 september 2015 is hij het gebied van de Europese Unie ingereisd.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw 2000. Volgens verweerder vormt eiser op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid, omdat ten aanzien van hem ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag. In dit kader heeft verweerder in het bijzonder gewezen op de rol van eiser casu quo de oproerpolitie bij het neerslaan dan wel onderdrukken van vreedzame demonstraties, alsmede tijdens de daarop volgende arrestaties en detenties in de periode van januari 2012 tot augustus 2012 in Rif Damascus. Verweerder heeft geconcludeerd dat eiser individueel voor die gedragingen verantwoordelijk gehouden moet worden en als mededader moet worden aangemerkt. Gezien de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 en kan hem evenmin een verblijfsvergunning worden verleend op één van de andere gronden genoemd in artikel 29 van de Vw 2000. Verweerder heeft aannemelijk geacht dat eiser bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), zij het dat hij deswege niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning.

4. In haar uitspraak van 10 oktober 2018 heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder – anders dan de rechtbank had overwogen – in het bestreden besluit en het voornemen dat daarvan onderdeel uitmaakt, deugdelijk heeft gemotiveerd dat de oproerpolitie in de periode dat eiser daar werkzaam was, zich op systematische wijze en/of op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan ernstige mensenrechtenschendingen en daarmee een organisatie is die zich op systematische wijze en/of op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Daarmee heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van ‘knowing participation’. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich verder, op basis van de verklaringen van eiser, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat deze misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft gefaciliteerd. Verweerder was dan ook naar het oordeel van de Afdeling niet gehouden om nader onderzoek te doen naar de individuele betrokkenheid van eiser bij bedoelde mensenrechtenschendingen. Verweerder heeft zich dan ook eveneens terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van ‘personal participation’. Omdat de rechtbank geen oordeel heeft gegeven over onder meer het betoog van eiser dat hem artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag niet kan worden tegengeworpen omdat hij handelde onder dwang en niet eerder kon deserteren, heeft de Afdeling de zaak teruggewezen naar de rechtbank om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van de overwegingen in de uitspraak van de Afdeling.

5. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4823) moet een teruggewezen zaak worden beoordeeld en beslist binnen de grenzen van het geding zoals dat was afgebakend in eerste aanleg, eventueel gecorrigeerd in hoger beroep en met inachtneming van het oordeel van de Afdeling aangaande de aangevoerde beroepsgronden en omtrent de te verrichten ambtshalve toetsing.

6. Het onderhavige beroep is daarom thans beperkt tot de vraag of de door eiser aangevoerde omstandigheden, dat hij handelde onder dwang en niet kon deserteren, dan wel dat sprake was van een overmachtssituatie, in de weg staan aan het aan hem tegenwerpen van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De gronden die eiser heeft aangevoerd tegen het hem opgelegde inreisverbod liggen eveneens nog ter beoordeling voor.

7. In verweerders beleid, neergelegd in paragraaf C2/7.10.2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 worden verschillende situaties beschreven, waarin een vreemdeling aan wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen wordt gevrijwaard van verantwoordelijkheid. Zo is onder het kopje ‘dwang’ het volgende vermeld:

“Indien de vreemdeling aanvoert dat hij gedwongen is tot het plegen van misdrijven, wordt hij niet gevrijwaard van verantwoordelijkheid indien sprake is van in ieder geval één van de volgende situaties:

- er wordt geen geloof gehecht aan de door de vreemdeling gestelde dwang;

- er bestond voor de vreemdeling de mogelijkheid om zich te onttrekken aan het misdrijf;

- de vreemdeling was al geruime tijd in dienst van een organisatie voordat de dwang voorzienbaar optrad, of

- de mate van dwang weegt niet op tegen de ernst van het door de vreemdeling begane misdrijf.”

8. Eiser heeft in de zienswijze aangevoerd dat sprake was van een overmachtssituatie. Hij heeft hiertoe gewezen op zijn verklaring tijdens het nader gehoor dat hij eerder geweigerd heeft een bevel op te volgen en toen bestraft werd met eenzame opsluiting. Nadien was het volgens hem niet meer mogelijk om een bevel te weigeren. Onder verwijzing naar een passage in het voornemen (“Members of security forces were often stationed behind soldiers or inside tanks to ensure that soldiers followed orders to shoot at protesters”) heeft hij aangevoerd dat hij dan het risico liep dat de leden van de veiligheidsdienst hem zouden neerschieten. Verweerders standpunt dat hij zich niet in een overmachtssituatie zou hebben bevonden, acht eiser, gelet op de wetenschap dat degenen die weigerden om de bevelen op te volgen werden doodgeschoten, onbegrijpelijk. Volgens eiser was er gezien zijn eerdere bestraffing en gezien de wetenschap dat voor het weigeren van een bevel executie ter plekke mogelijk was, wel degelijk sprake van dwang jegens hem.

9. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen er geen blijk van geven dat hij de gedragingen die aan hem zijn tegengeworpen onder dwang heeft verricht. Verweerder heeft daarnaast niet aannemelijk geacht dat eiser zich niet kon onttrekken aan de situaties waarin de misdrijven werden begaan. Verder heeft verweerder in aanmerking genomen dat de straf die aan eiser werd opgelegd zich niet verhield tot het lot dat de gearresteerde demonstranten ten deel viel. Ook heeft verweerder betekenis toegekend aan de omstandigheid dat eiser bekend moet zijn geweest met de reputatie van de oproerpolitie en de veiligheidsdiensten, te meer nu deze op systematische wijze en/of op grote schaal misdrijven tegen de menselijkheid pleegden en hierover in openbare bronnen uitvoerig is geschreven.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers betoog dat hij zich in een overmachtssituatie bevond niet ten onrechte niet aannemelijk heeft geacht. Verweerder heeft er met juistheid op gewezen dat de hiervoor onder 8 vermelde, door eiser aangehaalde passage niet afkomstig is van eiser zelf, maar uit een van de bronnen die verweerder in het voornemen heeft genoemd. Uit de verklaringen die eiser zelf heeft afgelegd komt volgens verweerder niet naar voren dat hij persoonlijk op deze wijze gedwongen werd om aan de gepleegde ernstige misdrijven deel te nemen. De rechtbank stelt op grond van de rapporten van eisers gehoren vast dat dit juist is. Ook de correcties en aanvullingen van 27 juni 2016 op het aanvullend gehoor ondersteunen eisers betoog op dit punt niet. Hierin is immers het volgende gesteld:

“Betrokkene heeft ook aangegeven dat, in beginsel, voor de eigen veiligheid van de oproerpolitie zelf een veilige afstand diende te worden bewaard tussen de demonstranten en de leden van de oproeppolitie [lees: oproerpolitie, toevoeging door rechtbank]. Voorts merkt betrokkene op dat indien demonstranten werkelijk niet weg wilden gaan of vluchten de oproeppolitie wel eens het bevel had gekregen om eventueel mensen te arresteren. Betrokkene merkt op dat hij echter nooit iemand heeft gearresteerd en ook zijn groep niet. Betrokkene merkt op dat hij alsmede andere leden van zijn groep zich passief hebben “verzet” tegen het bevel om mensen te arresteren, onder andere door langzaam achter de demonstranten aan te gaan. Een en ander volgt ook uit de omstandigheid dat feitelijk nooit iemand is gearresteerd door de groep van betrokkene. Betrokkene heeft aangegeven dat de officieren op een (grote) afstand stonden en niet mee renden. Derhalve kon de officier ook niet vaststellen dat de groep van betrokkene geen mensen wilde arresteren. Dit heeft betrokkene bedoelen te zeggen in voornoemde alinea's. Indien en voor zover voornoemde op enkele punten afwijkt van de betreffende alinea's dient voornoemde als een correctie te worden gezien.”

Dat er in zijn geval sprake was van dwang, in die zin dat in de linie achter dienstplichtigen zoals eiser leden van de veiligheidsdienst liepen om erop toe te zien dat deze dienstplichtigen orders uitvoerden om op demonstranten te schieten, heeft verweerder dan ook niet hoeven aan te nemen.

11. Eisers verklaring dat hij één keer bestraft is met enkele dagen eenzame opsluiting voor de weigering om een bevel op te volgen, wijst evenmin niet op een situatie waarin hij het risico liep te worden doodgeschoten als hij weigerde een bevel op te volgen. Daarnaast heeft verweerder terecht in aanmerking genomen dat de gevangenisstraf, dan wel eenzame opsluiting, die eiser volgens zijn verklaringen werd opgelegd voor het weigeren van het bevel demonstranten te arresteren, van geheel andere aard is dan de behandeling die de gearresteerde demonstranten ten deel viel. Verweerder heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen geloof wordt gehecht aan de door eiser gestelde dwang om aan de gepleegde misdrijven deel te nemen. Voorts heeft verweerder niet ten onrechte in aanmerking genomen dat eisers verklaring dat het na die bestraffing niet meer mogelijk was om zich aan bevelen te onttrekken, niet strookt met zijn verklaringen dat hij zich steeds heeft kunnen onttrekken aan deelname van het gewelddadig neerslaan dan wel onderdrukken van demonstraties en zelf nimmer geweld tegen demonstranten heeft gebruikt.

12. Verder heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat er voor eiser geen mogelijkheid zou hebben bestaan om zich te onttrekken aan de situaties waarin de misdrijven werden begaan. Eisers betoog dat hij dienstplichtig militair was, niet de mogelijkheid had om zich aan zijn dienstplicht te onttrekken en niet de vrije keuze had om al dan niet deel te nemen aan acties van de oproerpolitie, heeft verweerder niet tot een andersluidend besluit hoeven te brengen. Eisers verklaring ter zitting dat hem in de desbetreffende periode nooit verlof is verleend en dat de ingang van de kazerne waar hij verbleef bewaakt werd zodat hij de kazerne niet kon verlaten, neemt niet weg dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat eisers verklaringen geen blijk geven van de eerdere wens om zich aan de situaties waarin de misdrijven werden begaan te onttrekken, dan wel van eerdere pogingen daartoe. In zijn verklaringen tijdens de gehoren heeft eiser slechts op één moment melding gemaakt van zijn worsteling met de hem toebedeelde taken, hetgeen uiteindelijk voor hem aanleiding is geweest te deserteren. Dit betreft eisers verklaring dat hij rond 17 juli 2012 het bevel kreeg om samen met een chauffeur met een militaire ambulance eten te brengen naar een grote operatie in Al Midan, waarbij naast het bataljon van eiser ook andere legereenheden werden ingezet. Toen zij aldaar aankwamen werd een man die bijna helemaal verbrand was naar de ambulance gebracht om naar het ziekenhuis vervoerd te worden. Een arts droeg hem op om met een mes de kleren van die man uit te doen. Eiser heeft verklaard dat zij het bevel kregen om niet naar de kazerne terug te keren en dat zij drie dagen onder een brug moesten slapen. Hij zag toen dat officieren soldaten het bevel gaven om huizen te plunderen en geldkluisjes te openen. Eiser verklaart (op pagina 5 van het nader gehoor):

“Ik ben na drie dagen teruggegaan naar de kazerne. Ik wilde daar niet blijven. Ik kon niet geloven wat er allemaal gebeurd was. Ik was er echt ziek van geworden. Ik moest nu een kant kiezen, maar ik wist niet wat ik moest doen. Ik kon niet kiezen tussen de oppositie en het regime. Ik dacht dat ik moest vluchten. Ik wilde niet meer in het leger blijven. Ik wilde deserteren. Op de eerste dag van de ramadan vroeg ik een vriend om mijn been te breken”.

Voor het overige bieden eisers verklaringen geen aanknopingspunten om aan te nemen dat in de periode voorafgaand aan deze gebeurtenis sprake was van een worsteling, of van de wens om te deserteren. Ook anderszins is niet gebleken dat hij zich aan zijn taken bij het uiteenslaan van demonstraties wilde onttrekken. In die zin is de situatie van eiser anders dan de situatie van de vreemdeling in de door hem ingeroepen uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 16 april 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:4915), die betrekking heeft op een vreemdeling die heeft verklaard dat hij wel nadacht over ontsnappen, maar dat dit niet lukte en dat hij werd gestraft. Reeds hierom kan het beroep op deze uitspraak niet slagen omdat dit geen vergelijkbare situatie betreft. Bovendien is nog van belang dat de gebeurtenissen in Al Midan, die volgens eisers verklaringen de aanzet zijn geweest om te deserteren, geen verband houden met zijn rol bij de hem in het kader van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in het bijzonder tegengeworpen taken van de oproerpolitie bij het uiteendrijven van demonstraties. Eisers beroep op de uitspraak van deze rechtbank van 2 juni 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:7357) kan evenmin slagen, reeds omdat de Afdeling die uitspraak heeft vernietigd bij haar uitspraak van 22 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4057). De enkele, niet geconcretiseerde en onderbouwde verklaring van eisers vader ter zitting dat hij vaker, via verschillende wegen heeft geprobeerd heeft om eiser uit het leger te halen, maar dat het vrije Syrische leger geen doorgang bood, is onvoldoende om tot een ander oordeel te leiden. Bovendien gaat het niet om de wil van eisers vader, maar om de wil van eiser om uit het leger te deserteren.

13. De in beroep overgelegde videobeelden, waarop volgens eiser te zien is wat er gebeurt met Syrische militairen die deserteren, en de beelden van een kritisch toneelstuk over het regime waarin hij een rol heeft gespeeld en waaruit volgens eiser eenduidig blijkt dat hij zich tegen het regime heeft gekeerd, alsmede de ter zitting overgelegde foto doen aan vorenstaande overwegingen niet af en leggen daarom onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.

14. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder eiser terecht niet heeft gevrijwaard van verantwoordelijkheid voor de hem tegengeworpen misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft de aanvraag van eiser dan ook terecht afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw 2000.

15. In het verlengde hiervan heeft verweerder op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 impliceert dit tevens de verplichting om aan eiser een inreisverbod op te leggen. Vanwege de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag gaat volgens verweerder van eiser in Nederland heel lang een actuele bedreiging van de openbare orde uit. Op grond van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 en gelet op artikel 66a, vierde lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000, heeft verweerder de duur van het inreisverbod bepaald op tien jaar, gerekend vanaf de datum waarop eiser Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

16. Eiser heeft betoogd dat verweerders standpunt dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde enkel berust op de omstandigheid dat hem artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, hetgeen op deze wijze een categoriale tegenwerping oplevert, die inbreuk maakt op het recht van de Europese Unie. Deze categoriale tegenwerping bij de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag zal er volgens eiser toe leiden dat hij voor het leven wordt uitgesloten van het maatschappelijk leven en van zijn familie- en gezinsleven. Geen enkel land buiten Nederland zal bereid zijn hem op te nemen teneinde hem in staat te stellen om zijn gezins- en familieleven uit te oefenen. In dit kader heeft hij erop gewezen dat aan zijn echtgenote een verblijfsvergunning is verleend en dat het inreisverbod derhalve een schending van artikel 8 van het EVRM oplevert. Het inreisverbod brengt derhalve een inmenging in zijn familie- en gezinsleven met zich. De “fair balance” die volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gevonden moet worden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlandse algemeen belang anderzijds, is in zijn visie onvoldoende tot zijn recht gekomen. Het opleggen van een inreisverbod moet op grond van artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn in samenhang met de consideransen van de Terugkeerrichtlijn, het Handvest van de Europese Unie en de beginselen van het Unierecht, op concrete en rechtmatige wijze worden gemotiveerd. Daarbij moet zichtbaar worden hoe, op basis van de omstandigheden van het individuele geval, de vereisten van proportionaliteit en doeltreffendheid in acht zijn genomen. Volgens eiser heeft verweerder dan ook onvoldoende onderbouwd dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid en is het inreisverbod disproportioneel en in strijd met artikel 8 van het EVRM. Bij afweging van alle betrokken belangen had verweerder in redelijkheid niet kunnen weigeren hem een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000 te verlenen.

17. Volgens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 2 mei 2018 (C-331/16 en C-366/16; ECLI:EU:C:2018:296) mogen de bevoegde instanties op grond van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet automatisch oordelen dat de loutere aanwezigheid van de betrokkene op dat grondgebied, ongeacht of er gevaar voor recidive bestaat, een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt die de vaststelling van maatregelen van openbare orde of openbare veiligheid kan rechtvaardigen. Voorts heeft het Hof het volgende overwogen:

“66 Het bestaan van een dergelijke bedreiging moet worden vastgesteld op basis van een beoordeling door de bevoegde instanties van het gastland van het persoonlijke gedrag van de betrokken persoon, waarbij rekening moet worden gehouden met de vaststellingen in het besluit tot uitsluiting van de vluchtelingenstatus en met de daaraan ten grondslag liggende aspecten, inzonderheid de aard en de ernst van de aan de betrokkene verweten misdrijven of gedragingen, de mate waarin hij persoonlijk betrokken was bij die misdrijven of gedragingen, het eventuele bestaan van gronden voor uitsluiting van zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid en het al dan niet bestaan van een strafrechtelijke veroordeling. Bij die globale beoordeling moet ook in aanmerking worden genomen hoeveel tijd verstreken is sinds het vermoede plegen van de misdrijven of handelingen en hoe de betrokkene zich nadien heeft gedragen, met name om uit te maken of uit dat gedrag blijkt dat de betrokkene nog steeds een houding aanneemt die de in de artikelen 2 en 3 VEU bedoelde fundamentele waarden aantast en dat daardoor de gemoedsrust en de fysieke veiligheid van de bevolking zouden kunnen worden verstoord. De enkele omstandigheid dat het vroegere gedrag van die betrokken persoon zich heeft voorgedaan in de specifieke historische en maatschappelijke context van zijn land van herkomst, die zich niet opnieuw zal voordoen in het gastland, staat aan die vaststelling niet in de weg.

67 Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel moeten de bevoegde instanties van het gastland voorts de bescherming van het betrokken fundamentele belang van de samenleving afwegen tegen de belangen van de betrokken persoon met betrekking tot de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer en verblijf als burger van de Unie en zijn recht op eerbiediging van het privéleven en het familie‑ en gezinsleven.”

18. Verweerder heeft ter zitting erkend dat het arrest van het Hof van 2 mei 2018 meer handvaten biedt voor de in het kader van een terugkeerbesluit en inreisverbod te maken beoordeling en dat de verwijzing in het bestreden besluit naar het (toenmalige) beleid in die zin ontoereikend is om aan te nemen dat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving in vorenbedoelde zin vormt. Niettemin heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit toch aan de door het Hof voorgeschreven beoordeling voldoet. Verweerder heeft er daarnaast op gewezen dat eiser in het algemeen heel weinig persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding zouden geven voor een ander vertrektermijn en/of een korter inreisverbod en dat de wel aangevoerde omstandigheden in het kader van de beoordeling van artikel 8 van het EVRM zijn meegenomen.

19. De rechtbank stelt vast dat verweerder er in het bestreden besluit – onder verwijzing naar het voornemen – op heeft gewezen dat eiser voldoet aan de in het ter zake gevoerde beleid opgenomen voorwaarden om een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd te krijgen. Verweerder heeft in dit kader echter niet volstaan met de enkele vaststelling dat aan eiser artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen en dat hij daarom een gevaar voor de openbare orde vormt. Zo heeft verweerder mede in aanmerking genomen dat er een ernstig vermoeden bestaat dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gevangenneming of elke andere ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid in strijd met fundamentele regels van internationaal recht, marteling en gedwongen verdwijning van personen, welke zowel naar internationaal recht als naar Nederlands recht zeer zware misdaden betreffen. Verweerder heeft gewezen op kenmerken van de categorieën ‘misdrijven tegen de menselijkheid’ en ‘oorlogsmisdrijven’, zijnde de ongekende wreedheid ervan, de hiermee samenhangende verregaande leedtoevoeging aan de (talrijke) slachtoffers en het wijdverbreide en systematische karakter ervan. Ook heeft verweerder in aanmerking genomen dat in Nederland mogelijk slachtoffers, of familieleden van slachtoffers, van de aan eiser tegengeworpen misdrijven verblijven. Volgens verweerder moet voorkomen worden dat zij in Nederland met de aanwezigheid van eiser geconfronteerd worden. Ook heeft verweerder betekenis gehecht aan de omstandigheid dat eiser zich voor deze misdrijven nooit voor een rechter heeft hoeven te verantwoorden en ook nooit strafrechtelijk is veroordeeld voor de zware misdrijven waarmee hij in verband wordt gebracht. Volgens verweerder moet voorkomen worden dat het idee ontstaat dat Nederland een vrijhaven wordt voor personen die elders zware misdrijven hebben begaan, maar in Nederland niet strafrechtelijk vervolgd (kunnen) worden. Ook in die zin vormt de aanwezigheid van eiser in Nederland een gevaar voor de openbare orde, aldus het bestreden besluit (pagina 9, 2e en 3e alinea).

20. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verweerder in het bestreden besluit heeft erkend dat het inreisverbod voor eiser, voor de duur daarvan, een inmenging in het recht als bedoeld in artikel 8 van het EVRM oplevert. Volgens verweerder brengt dit echter niet met zich dat het inreisverbod een schending van artikel 8 EVRM oplevert. Zoals uiteengezet in het voornemen (p. 23 t/m 25) heeft de in dit kader te maken belangenafweging verweerder tot de conclusie geleid dat in redelijkheid aan het algemeen belang meer gewicht wordt toegekend. De rechtbank stelt vast dat de gemaakte belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM aan de daaraan te stellen vereisten voldoet. Alle door eiser aangevoerde omstandigheden zijn daarbij aan de orde gekomen. De door eiser ingediende beroepsgronden bieden geen aanknopingspunten om aan de juistheid van de meegewogen omstandigheden te twijfelen.

21. Onder de aldus gegeven omstandigheden ziet de rechtbank in het licht van de aangevoerde omstandigheden en gezien de in het kader van de beoordeling van artikel 1(F) gegeven overwegingen, grond om de in het bestreden besluit gegeven motivering, zoals in het voorgaande is weergegeven, toereikend te achten om de in voornoemd arrest van het Hof bedoelde toets te doorstaan. De tegen het inreisverbod aangevoerde gronden slagen daarom niet.

22. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzitter, en mr. N.J.J. Derks-Voncken en mr. A.A.M.J. Smulders, leden, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier.

De uitspraak is openbaar gemaakt op 22 juli 2019.

griffier rechter

Deze uitspraak is digitaal ter beschikking gesteld op: 22 juli 2019

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan door een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen één week na de dag van bekendmaking daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.