Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7599

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
25-07-2019
Zaaknummer
C-09-575122-KG ZA 19-531
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanbesteding. Facultatieve uitsluitingsgrond. Geen kennelijke omissie die zich leent voor herstel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2019/1246
JAAN 2019/139
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/575122 / KG ZA 19-531

Vonnis in kort geding van 25 juli 2019

in de zaak van

1 TAXI HORN TOURS B.V.,

gevestigd te Horn,

2. DV BUS & COACH BVBA,

gevestigd te Lier, België,

eiseressen,

advocaat mr. L.C. van den Berg te Den Haag,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Defensie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. D. Wolters Rückert,

waarin is tussengekomen:

VOLVO GROUP THE NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Beesd,

advocaat mr. M.W. Speksnijder te Amsterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'Taxi Horn', 'DV Bus' (gezamenlijk ook wel als 'de Combinatie'), 'de Staat' en 'Volvo'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de akte overlegging producties van de Combinatie;

- de brieven van de Combinatie van 8 en 10 juli 2019, met producties;

- de brief van de Staat van 9 juli 2019, met producties;

- de incidentele conclusie tot tussenkomst, dan wel voeging, met productie;

- de op 11 juli 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Combinatie en de Staat pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 Het incident tot tussenkomst, dan wel voeging

2.1.

Volvo heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen de Combinatie en de Staat, dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de Staat. Ter zitting hebben de Combinatie en de Staat verklaard geen bezwaar te hebben tegen toewijzing van de incidentele vordering. Volvo is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.

3 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

3.1.

Op 11 februari 2019 heeft het ministerie van Defensie (hierna 'het Ministerie') een Europese openbare aanbestedingsprocedure aangekondigd voor de koop van minimaal 15 en maximaal 20 nieuwe touringcars, met inbegrip van het onderhoud en schadeherstel voor een periode van acht jaar tot een maximum van twaalf jaar en het verzorgen van gebruikersinstructies. Als gunningscriterium wordt gehanteerd de economisch meest voordelige inschrijving op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding. Het gunningscriterium kwaliteit is onderverdeeld in drie subgunningscriteria: (i) levertijd, (ii) aanwezigheid opties en (iii) gebruikerstest.

3.2.

Voor zover hier van belang vermeldt de Inschrijvingsleidraad:

" 4.2 Hoedanigheid van de Inschrijver en het UEA (voorzieningenrechter: Uniform Europees Aanbestedingsdocument)

Een geïnteresseerde ondernemer kan in één van de volgende hoedanigheden deelnemen aan deze aanbestedingsprocedure:

i. (…)

ii. Samenwerkingsverband: dit is een, voor de gelegenheid aangegaan, samenwerkingsverband (ook wel genoemd combinatie, consortium of joint venture) van rechtspersonen en/of natuurlijk personen die gezamenlijk de Inschrijving doen en waarbij ieder lid van het samenwerkingsverband hoofdelijk aansprakelijk is voor de juiste uitvoering van de opdracht.

iii. (…)

De hoedanigheid van de Inschrijver geldt gedurende de gehele aanbestedingsprocedure en is onder meer bepalend voor het invullen van het in UEA ( Bijlage 4 ).

(…)

Ad ii Samenwerkingsverband

Indien een Inschrijver bestaat uit een samenwerkingsverband van ondernemers, ook wel genoemd 'een combinatie, consortium of joint venture', mag geen van de deelnemers in de uitsluitingsomstandigheden verkeren, dienen de deelnemers gezamenlijk aan de geëiste ervaring te voldoen en dient iedere deelnemer ingeschreven te staan in het handels-en beroepsregister en aan de geëiste kwaliteitsborging en milieuzorgsysteem te voldoen. Hiertoe dient elke deelnemer aan het samenwerkingsverband afzonderlijk een UEA als opgenomen in UEA ( Bijlage 4 ) in te vullen en in te dienen. Hieruit moet tevens blijken wie de leiding heeft van het samenwerkingsverband en als verantwoordelijk gemachtigde jegens de Aanbestedende dienst mag optreden. Door deel te nemen aan een samenwerkingsverband verklaart de deelnemer van het samenwerkingsverband zowel gezamenlijk als hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de Inschrijving en, in geval van gunning, voor de volledige en juiste uitvoering van de Overeenkomst.

(…)

4.4

Ongeldige Inschrijving

Een Inschrijving wordt ongeldig verklaard en komt als gevolg daarvan niet meer in aanmerking voor gunning wanneer:

• Niet voldaan wordt aan de inschrijvingsvereisten waaronder het niet, niet tijdig of niet op de juiste wijze indienen van de offerte.

• De Inschrijving niet voldoet aan alle door de Aanbestedende dienst gestelde voorwaarden en eisen als opgenomen in de Aanbestedingsstukken, tenzij sprake is van een kennelijke omissie of geringe fout.

• De Inschrijving onder voorwaarden of met voorbehouden is gedaan, dan wel dat de gevraagde informatie niet verstrekt is dan wel dat de verstrekte informatie niet volledig of onjuist is, tenzij sprake is van een kennelijke omissie of geringe fout.

Indien er sprake is van een kennelijke omissie of geringe fout heeft de Aanbestedende dienst het recht om de Inschrijver te vragen dit te herstellen.

(…)

5 SELECTIE

5.1

De uitsluitingsgronden, geschiktheidseisen en het UEA

(…)

Het UEA als opgenomen in Bijlage 4 dient afhankelijk van de hoedanigheid van de Inschrijver op de volgende onderdelen te worden ingevuld:

Aard van de Inschrijver

In te vullen Delen van het UEA

Onderwerp

Zelfstandige Inschrijver, hoofdaannemer en ieder lid van het samenwerkingsverband als bedoeld in paragraaf 4.2

• Deel II A, B, C en D

• Deel III A en B

• Deel III C

• Deel IV

• Deel VI3

• gegevens Inschrijver

•verplichte uitsluitingsgronden

•facultatieve uitsluitingsgronden

•geschiktheidseisen

•ondertekening3

(…)

(…)

(…)

(…)

Een Inschrijver die verkeert in een of meerdere van de omstandigheden als door de Aanbestedende dienst aangevinkt bij de facultatieve uitsluitingsgronden wordt uitgesloten van gunning, tenzij in het UEA naar het oordeel van de Aanbestedende dienst grondig en goed onderbouwd is toegelicht dat de betreffende Inschrijver desalniettemin toegelaten kan worden voor verdere beoordeling (ook wel genoemd de 'Self Cleaning' in de zin van artikel 2.87a AW). De Aanbestedende dienst acht het niet proportioneel om tot uitsluiting van een Inschrijver over te gaan als de tijd die sinds de veroordeling is verstreken langer is dan drie jaar voor verplichte uitsluitingsgronden en langer dan twee jaar voor facultatieve uitsluitingsgronden. Inschrijver dient het UEA zorgvuldig te lezen en alle relevante delen in te vullen.

(…)

5.3

Facultatieve uitsluitingsgronden in het UEA

Met het invullen en ondertekenen van het UEA ( Bijlage 4 ) verklaart Inschrijver niet in de uitsluitingsomstandigheden te verkeren die door de Aanbestedende dienst zijn aangevinkt bij Deel III C van het UEA. Het betreft de volgende uitsluitingsgronden:

• Faillissement, insolventie of gelijksoortig;

• Valse verklaring.

Let op! In Deel III C van het UEA moet eerst met 'ja' of 'nee' beantwoord worden of Inschrijver in de omstandigheid van de gestelde uitsluitingsgrond verkeert en afhankelijk van het antwoord dienen de overige vragen in dit Deel beantwoord te worden."

3.3.

Als bijlage 4 is bij de Inschrijvingsleidraad gevoegd het UEA, versie 1| December 2016. Hierin zijn in Deel III onder C als toepasselijke facultatieve uitsluitingsgronden aangevinkt "Faillissement, insolventie of gelijksoortig" en "Valse verklaring". Met betrekking tot de uitsluitingsgrond Valse verklaring dienden de Inschrijvers met 'ja' of 'nee' te beantwoorden de vraag:

"Kan De ondernemer bevestigen dat:"

a. a) hij zich niet in ernstige mate schuldig heeft gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van de informatie die nodig is om te controleren of er geen gronden voor uitsluiting zijn dan wel of aan de selectiecriteria wordt voldaan;

b) hij dergelijke informatie niet heeft achtergehouden,

c) hij de door de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit gevraagde ondersteunende documenten onverwijld heeft kunnen overleggen, en"

3.4.

Op de aanbesteding hebben onder andere de Combinatie en Volvo ingeschreven. Voor wat betreft Taxi Horn was bij de inschrijving van de Combinatie gevoegd een ingevuld en ondertekend UEA versie 1 | Juni 2017, waarin de facultatieve uitsluitingsgrond Valse Verklaring niet is aangevinkt en de hierop betrekking hebbende vraag niet is beantwoord. Ten aanzien van DV Bus was bij de inschrijving van de Combinatie gevoegd een ingevuld en ondertekend UEA versie 1 | December 2016, waarin Valse verklaring wel is aangevinkt als facultatieve uitsluitingsgrond, maar de daarop betrekking hebbende vraag niet is beantwoord.

3.5.

Bij brief van 23 mei 2019 heeft het Ministerie het volgende medegedeeld aan de Combinatie:

"Onder verwijzing naar de aankondiging op Tenderned en de publicatie op Negometrix (115259) van de Europese openbare aanbesteding inzake Koop en onderhoud van minimaal 15 - en maximaal 20 touringcars en

gebruikersinstructie ten behoeve van het ministerie van Defensie met referentienummer 089.25.41.2026 hebben wij uw inschrijving grondig getoetst aan de selectiecriteria. Hierbij hebben wij geconstateerd dat u een ongeldige inschrijving heeft gedaan. Om die reden is besloten u niet uit te nodigen voor deelname aan de gebruikerstest. Deze beslissing wordt als volgt toegelicht.

Aanbestedende dienst heeft moeten constateren dat het door Taxi Horn Tours BV ingevulde en ondertekende Uniform Europees Aanbestedingsdocument, niet het op Tenderned en Negometrix (115259) als Bijlage 4 UEA, Inschrijver Koop Touringcars gepubliceerde document betreft. In het door Taxi Horn Tours BV aangeleverde UEA is bij Deel III C Gronden met betrekking tot insolventie, belangenconflicten of beroepsfouten, het gemerkte vakje Valse verklaring niet aangekruist. Tevens is op pagina 12 bij het onderdeel Valse verklaring verzuimd antwoord te geven op de vraag. De versie die Taxi Horn Tours BV heeft gebruikt, is niet de versie die de Aanbestedende dienst heeft gepubliceerd. Dit betekent dat Taxi Horn Tours BV de voorgeschreven versie van bijlage 4 niet heeft ingediend, maar een eigen exemplaar heeft gebruikt dat niet hetzelfde luidt als het voorgeschreven exemplaar.

In aanvulling op het voorgaande is ook in het door DV Bus & Coach BVBA ingevulde en ondertekende Uniform Europees Aanbestedingsdocument bij Deel III C Gronden met betrekking tot insolventie, belangenconflicten of beroepsfouten, op pagina 12 bij het onderdeel Valse verklaring geen antwoord gegeven op de vraag. De versie die DV Bus & Coach BVBA heeft gebruikt, is niet de versie die de Aanbestedende dienst heeft gepubliceerd. Dit betekent dat DV Bus & Coach BVBA de voorgeschreven versie van bijlage 4 niet heeft ingediend, maar een eigen exemplaar heeft gebruikt dat niet hetzelfde luidt als het voorgeschreven exemplaar.

Het gevolg van de handelwijze van Inschrijver is dat zij niet bij inschrijving heeft verklaard over het al dan niet van toepassing zijn van één van de voorgeschreven uitsluitingsgronden. Omdat gevraagde informatie niet bij inschrijving is verstrekt, leidt dat tot ongeldigheid."

3.6.

Volvo - die stelt tot nu toe het laagst, ofwel het best, te hebben gescoord - is wel uitgenodigd voor de gebruikerstest.

3.7.

Bij e-mailbericht van 23 mei 2019 heeft de Combinatie bezwaar gemaakt tegen de ongeldigverklaring van haar inschrijving. Zij stelt zich op het standpunt dat haar de gelegenheid moet worden geboden het gebrek in haar inschrijving te herstellen. Vervolgens heeft zij - nadat een reactie uitbleef - op 3 juni 2019 aan het Ministerie doen toekomen UEA's van Taxi Horn en DV Bus waarin de gebreken in de bij de inschrijving gevoegde UEA's zijn hersteld.

3.8.

Vervolgens heeft het Ministerie op 4 juni 2019 aan de Combinatie bericht de ongeldigverklaring van de inschrijving van de Combinatie te handhaven.

4 Het geschil

4.1.

De Combinatie vordert - zakelijk weergegeven - de Staat op straffe van verbeurte van een dwangsom te:

I. gebieden de inschrijving van de Combinatie opnieuw te beoordelen en alsnog geldig te verklaren en haar alsnog uit te nodigen voor verdere deelname aan de aanbesteding;

II. verbieden de aanbesteding voort te zetten zolang de Combinatie niet is toegelaten om daaraan deel te nemen, althans zolang geen herbeoordeling van haar inschrijving heeft plaatsgevonden;

een en ander met veroordeling van de Staat in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

Daartoe voert de Combinatie - samengevat - het volgende aan.

Het Ministerie heeft de inschrijving van de Combinatie ten onrechte als ongeldig terzijde gelegd. De beide combinanten hebben abusievelijk de vraag ter zake van de facultatieve uitsluitingsgrond Valse verklaring onbeantwoord gelaten, Gelet hierop, alsmede op de van toepassing zijnde jurisprudentie en het bepaalde in paragraaf 4.4 van de Inschrijvingsleidraad, moet de Combinatie in de gelegenheid worden gesteld het gebrek te herstellen, zoals inmiddels is gebeurd door middel van de op 3 juni 2019 aan het Ministerie toegezonden UEA's. Dat klemt te meer nu daardoor de mededinging niet wordt geschonden. Daar komt bij dat het enkel beantwoorden van de betreffende vraag met 'nee' niet tot onmiddellijke uitsluiting kan leiden, aangezien het Ministerie dan - op grond van artikel 2.87 lid 2 van de Aanbestedingswet 2012 - moet onderzoeken of uitsluiting proportioneel is. De uitkomst van zo'n onderzoek zal zijn dat dit niet het geval is.

4.3.

De Staat en Volvo voeren verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4.4.

Volvo vordert voorwaardelijk, voor zover het instellen van een 'eigen' vordering noodzakelijk wordt geacht voor toelating als tussenkomende partij: de Staat te gebieden haar (selectie)beslissingen in de onderhavige aanbesteding te handhaven en daaraan ook uitvoering te geven, met veroordeling van de Combinatie in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.5.

Verkort weergegeven stelt Volvo dat het Ministerie op goede gronden (i) de inschrijving van de Combinatie als ongeldig terzijde heeft gelegd en (ii) haar inschrijving vooralsnog als beste heeft beoordeeld.

4.6.

Voor zover nodig zullen de standpunten van de Combinatie en de Staat met betrekking tot de vordering van Volvo hierna worden besproken.

5 De beoordeling van het geschil

5.1.

Centraal in het onderhavige geschil staat de vraag of het Ministerie op goede gronden is overgegaan tot (directe) uitsluiting van de Combinatie wegens het indienen van een ongeldige inschrijving omdat de Combinatie heeft nagelaten in het UEA de vraag ter zake van de facultatieve uitsluitingsgrond Valse verklaring te beantwoorden, zonder de Combinatie in de gelegenheid te stellen dat gebrek te herstellen.

5.2.

Uitgangspunt is dat een aanbestedende dienst bij de beoordeling van een inschrijving moet uitgaan van de inschrijvingen zoals die bij het sluiten van de inschrijftermijn zijn ontvangen. Het beginsel van gelijke behandeling en het daarvan afgeleide transparantiebeginsel verzetten zich in beginsel tegen de mogelijkheid dat een inschrijver zijn inschrijving nadien nog wijzigt of aanvult. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie kan slechts in uitzonderlijke gevallen een uitzondering op voormeld uitgangspunt worden gemaakt (HvJ EU 29 maart 2012, zaak C-599/10 [SAG]). Een inschrijving kan alleen dan - na sluiting van de inschrijftermijn - nog worden verbeterd of aangevuld in geval deze een klaarblijkelijke eenvoudige precisering behoeft of als het om het rechtzetten van een kennelijke materiële fout gaat. Zo'n wijziging mag er echter niet toe leiden dat in werkelijkheid een nieuwe inschrijving wordt voorgesteld. Het maken van een dergelijke uitzondering is uitgesloten in geval van een ontbrekend stuk dat, of ontbrekende informatie die, (uitdrukkelijk) op straffe van uitsluiting moet worden verstrekt (HvJ EU 10 oktober 2013, zaak C-336/12 [Manova]).

5.3.

Gesteld noch gebleken is dat van die laatste (Manova-)situatie hier sprake is. Integendeel, in paragraaf 4.4 van de Inschrijvingsleidraad is expliciet opgenomen dat op een kennelijke omissie of geringe fout in een inschrijving niet de sanctie van ongeldigverklaring staat en dat de aanbestedende dienst het recht heeft de inschrijver te vragen het gebrek te herstellen.

5.4.

Vast staat dat Taxi Horn een andere versie van het UEA heeft gebruikt dan de bij de Inschrijvingsleidraad gevoegde versie ervan. Dat enkele feit acht de voorzieningenrechter echter niet beslissend. Van belang is de inhoud van het UEA en wat een inschrijver daarin verklaart. Gesteld noch gebleken is dat de 'kale' tekst van de door Taxi Horn ingevulde en ondertekende versie afwijkt van de bij de Inschrijvingsleidraad gevoegde versie, behoudens voor wat betreft het rechtsonder op elke pagina vermelde versienummer. Dit laatste is echter onvoldoende om reeds daarop de ongeldigheid van de inschrijving van de Combinatie te baseren.

5.5.

Het gebruik van een andere versie van het UEA vergroot echter wel de kans op fouten bij de invulling ervan. In een ‘kale’ versie zijn - anders dan in de bij de aanbestedingsstukken gevoegde versie - niet reeds de door de aanbestedende dienst relevant geachte vragen (waaronder in dit geval onder meer die betreffende twee facultatieve uitsluitingsgronden) aangevinkt. Kennelijk heeft Taxi Horn verzuimd bij het invullen van de ‘kale’ versie de facultatieve uitsluitingsgrond ‘valse verklaring’ zelf aan te vinken en heeft zij, mogelijk als gevolg daarvan, ook de bij die uitsluitingsgrond behorende vraag niet beantwoord. De gevolgen van een dergelijke fout behoren voor rekening en risico van de inschrijver te komen. Op hem rust immers de verantwoordelijkheid voor het indienen van de juiste en volledig ingevulde stukken in welk verband van hem de nodige zorgvuldigheid mag worden verwacht. Dat klemt in dit geval te meer nu in paragraaf 5.1 van de Inschrijvingsleidraad uitdrukkelijk is opgenomen dat inschrijvers het UEA zorgvuldig moeten lezen en alle relevante vragen dienen in te vullen. Voor zover de Combinatie zich op het standpunt stelt dat de ontbrekende informatie is te wijten aan computerproblemen kan hem dat niet baten. Daartoe is van belang dat op het UEA (op pagina 1, linksboven) nadrukkelijk is aangegeven dat voor het invullen ervan Acrobat Reader geopend moet zijn en het invullen met gebruik van een ander programma kan leiden tot een onjuiste weergave van de (vooraf) ingevulde gegevens waardoor de inhoud anders kan worden dan bedoeld. Volgens de Combinatie heeft zij, althans Taxi Horn, het UEA geopend en ingevuld met een ander programma dan Acrobat Reader. Dit laatste had de Combinatie aanleiding moeten geven tot nog meer zorgvuldigheid en controle achteraf, te meer nu zij op de zitting heeft verklaard dat zij er mee bekend is dat UEA’s vaak lastig zijn te openen en in te vullen.

5.6.

Overigens staat vast dat DV Bus wel de bij de Inschrijvingsleidraad gevoegde versie van het UEA, waarin de facultatieve uitsluitingsgrond Valse verklaring dus wel is aangevinkt, heeft gebruikt en ondertekend, maar desondanks - net als Taxi Horn - de bij die uitsluitingsgrond behorende vraag onbeantwoord heeft gelaten, waarvoor geen goede verklaring is gegeven.

5.7.

Niet kan worden uitgesloten dat voorgaande situatie - waarin de twee combinanten gebruik hebben gemaakt van verschillende versies van het UEA, maar daarin allebei precies dezelfde vraag niet hebben beantwoord - niet op toeval berust, maar dat daaraan een bewuste beslissing ten grondslag ligt.

5.8.

Los van het bovenstaande - maar zeker niet in de laatste plaats - is van belang dat, om in de gelegenheid te worden gesteld een gebrek in de inschrijving te herstellen, sprake moet zijn van een kennelijke omissie/fout. Weliswaar was voor de aanbestedende dienst bij het controleren van de inschrijving direct duidelijk dat de betreffende vraag in het geheel niet is beantwoord, maar daarmee is – anders dan de Combinatie kennelijk meent – niet reeds sprake van een kennelijke omissie die mag worden hersteld.

5.9.

Anders dan bijvoorbeeld bij een evidente rekenfout in een optelling van in de inschrijving opgenomen bedragen, die kenbaar is uit de inschrijving zelf, kan in dit geval door de aanbestedende dienst uit de verdere inhoud van de inschrijving van de Combinatie niet worden afgeleid wat het antwoord van de combinanten op de betreffende vraag zou zijn geweest. Daarmee kan het onbeantwoord laten van de vraag niet worden aangemerkt als een kennelijke omissie/fout die mag worden hersteld. Het kan immers niet zo zijn dat het geheel overslaan van een vraag, waarvan het antwoord uitsluitend binnen het domein van de inschrijver ligt en dat niet (al dan niet indirect) al volgt uit de overige stukken, onbestraft blijft, wat het geval zou zijn als de inschrijver de gelegenheid zou worden geboden het gebrek te herstellen. Te minder nu de beantwoording van de hier aan de orde zijnde vraag van essentieel belang is, althans kan zijn, voor de geldigheid van de inschrijving van de Combinatie. Bovendien zou het toelaten van herstel de vraag doen rijzen waar de grens ligt; bij het onbeantwoord laten van één, twee, drie of meer vragen? Mogelijk zou dan zelfs kunnen worden verdedigd dat - in eerste instantie - geen enkele vraag in het UEA behoeft te worden beantwoord. Bovendien zou daarmee de weg worden vrijgemaakt voor inschrijvers er - om hen moverende redenen, zoals bijvoorbeeld het verbloemen van een feit of omstandigheid - voor te kiezen één of meer vragen in het UEA niet te beantwoorden, in de hoop dat dit ongezien blijft en - voor zover het wel wordt opgemerkt - de vra(a)g(en) alsnog later te beantwoorden naar de dan bestaande feiten. Een en ander verhoudt zich niet met de fundamentele beginselen van het aanbestedingsrecht.

5.10.

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van de Combinatie zullen worden afgewezen.

5.11.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het voor toelating van een tussenkomende partij niet noodzakelijk is dat deze een 'eigen' vordering instelt. De voorwaarde waaronder Volvo haar vordering heeft ingesteld treedt daarmee niet in, zodat die vordering verder buiten beschouwing kan blijven.

5.12.

De Combinatie zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

6 De beslissing

De voorzieningenrechter:

6.1.

wijst de vorderingen van de Combinatie af;

6.2.

veroordeelt de Combinatie in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van zowel de Staat als Volvo (telkens) begroot op € 1.619,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 639,-- aan griffierecht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het uitspreken van dit vonnis;

6.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2019.

jvl