Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7595

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 7459
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door alleen te verwijzen naar een proces-verbaal van een omvangrijk strafrechtelijk onderzoek waar eiser in was betrokken, heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de vereiste aangifte niet is gedaan, zodat omkering van de bewijslast niet kan worden toegepast. Evenmin is verweerder erin geslaagd op basis van de normale bewijslastverdeling aannemelijk te maken dat het inkomen uit werk en woning terecht is gecorrigeerd. Het beroep van eiser is daarom gegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-10-2019
V-N Vandaag 2019/2297
FutD 2019-2784
NTFR 2019/2715
NLF 2019/2426 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 18/7459

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te Den Haag, eiser

(gemachtigde: mr. P. van Wegen),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (de aanslag) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.096.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 oktober 2018 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 27 mei 2019 de stukken van het geding en op 28 mei 2019 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2019.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Op 27 maart 2017 heeft eiser aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan voor het jaar 2016 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.093.

2. Bij brief van 20 september 2017 heeft verweerder meegedeeld dat het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2016 wordt gecorrigeerd met € 30.000. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op verklaringen uit een dossier van een strafrechtelijke onderzoek waarbij eiser een van de betrokkenen is en op NIBUD gegevens.

3. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen de aanslag heeft verweerder onder meer de bankafschriften van eiser en zijn echtgenote over het jaar 2016 opgevraagd. Uit de overgelegde bankafschriften volgt dat er € 12.760 aan contante stortingen heeft plaatsgevonden. Bij huiszoeking bij eiser in het kader van het strafrechtelijk onderzoek is een bedrag van € 4.250 aan contanten aangetroffen.

4. Tot de stukken van het geding behoort een proces-verbaal van bevindingen van de politie waarin is vastgelegd wat de stiefmoeder van eiser op 4 november 2016 telefonisch heeft verklaard. Volgens dat proces-verbaal heeft zij verklaard zich niet te kunnen voorstellen dat haar man, eisers vader, de beschikking had over contant geld in huis en dat hij kort voor zijn overlijden een groot geldbedrag aan eiser heeft gegeven. Ook heeft zij verklaard dat haar man, die in januari 2016 is overleden, in december 2015 niet meer in staat was geld te pinnen. Verder heeft zij verklaard dat eiser uren en uren bij zijn vader zat en dat zij dan wel eens boodschappen ging doen. In een e-mailbericht van 26 april 2017 aan eiser schrijft de stiefmoeder dat zij in het telefoongesprek van 4 november 2016 heeft verklaard dat als eiser van zijn vader contant geld zou hebben gekregen, dit niet in haar bijzijn is gebeurd.

Geschil
5.In geschil is of verweerder terecht het door eiser aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning heeft gecorrigeerd.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de stortingen en het aangetroffen contante geld afkomstig zijn uit niet in de aangifte verantwoorde bronnen van inkomsten en dat eiser daarom niet de vereiste aangifte heeft gedaan als bedoeld in artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). De rechtbank moet volgens verweerder het beroep daarom ongegrond verklaren omdat niet is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. De verklaringen van eiser over de herkomst van het geld, te weten schenkingen door zijn vader en inkomsten uit gokken, acht verweerder niet aannemelijk. Verder stelt verweerder dat er naast de stortingen en het aangetroffen contante geld meer niet aangegeven inkomsten moeten zijn geweest, omdat in de proces-verbalen uit het strafrechtelijk onderzoek staat dat eiser heeft verklaard € 300 tot € 500 per maand aan cocaïne uit te geven en bovendien dagelijks te blowen. Dit kan niet zijn betaald vanuit de inkomens van eiser en zijn echtgenote. Ter zitting heeft verweerder subsidiair gesteld dat de correctie ook voldoende aannemelijk is gemaakt volgens de normale bewijslastverdeling.

7. Eiser stelt dat het aangetroffen contante geld afkomstig is van schenkingen van zijn vader die eiser heeft ontvangen tijdens het ziekbed van zijn vader. De contante stortingen zien verder op winsten die hij heeft gerealiseerd met gokken. Eiser erkent dat hij in 2016 drugs gebruikte maar weerspreekt dat hij per maand € 300 tot € 500 uitgaf aan cocaïne en dat hij dagelijks blowde. Hij heeft verklaard dat hij zich tijdens de verhoren onder druk gezet voelde en dat zijn verklaringen uit zijn verband zijn getrokken dan wel zijn ingekleurd door de desbetreffende verhoorders. Verder stelt eiser dat het gezinsinkomen voldoende was voor de bestedingen en de vaste lasten van het gezin. Hij wijst in dit verband op het inkomen van zijn echtgenote als thuiskapster en de bijdragen die de ouders van zijn echtgenote gaven. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.093.

Beoordeling van het geschil

8. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Verweerder heeft voor zijn stelling dat niet de vereiste aangifte is gedaan, aangevoerd dat hij de verklaringen van eiser over de herkomst van het contante geld, de gokinkomsten, de inkomsten van de echtgenote van eiser en de bijdragen door zijn schoonouders niet aannemelijk acht.

9. De rechtbank stelt vast dat de stiefmoeder van eiser heeft verklaard dat eiser tijdens het ziekbed van zijn vader vele uren alleen was met zijn vader. Indien de vader daadwerkelijk geld heeft geschonken aan eiser, kan dat dus in haar afwezigheid zijn gebeurd. Dat de vader volgens de stiefmoeder niet zonder haar medeweten over grote sommen contant geld kon beschikken, maakt het op zichzelf niet onmogelijk dat dat geld wel aanwezig was. Ook binnen een huwelijksrelatie kan het immers voorkomen dat men zaken voor elkaar verborgen houdt. Er kan dan ook niet worden uitgesloten dat de schenkingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.

10. De enkele stelling van verweerder dat het van algemene bekendheid is dat gokken alleen maar geld kost en dat daarom niet aannemelijk is dat eiser daarmee inkomsten heeft gegenereerd, is onvoldoende om de verklaring van eiser over zijn gokinkomsten onaannemelijk te achten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat er een veelheid aan jurisprudentie is over de heffing van kansspelbelasting waaruit blijkt dat sommigen met gokken een aanzienlijk voordeel weten te realiseren.

11. De rechtbank volgt verweerder ook niet in zijn stelling dat er onvoldoende middelen waren om in het uitgavenpatroon van het gezin te voorzien. De verklaringen uit de proces-verbalen waar verweerder naar verwijst, moeten worden gezien in de context van het strafrechtelijk onderzoek. De rechtbank begrijpt uit de stukken dat het om een omvangrijk strafrechtelijk onderzoek naar meerdere personen gaat, dat eiser daarin een betrekkelijk marginale rol had en dat eiser uiteindelijk wegens gebrek aan bewijs verder niet is vervolgd. Dat eiser daadwerkelijk minstens € 300 per maand uitgaf aan cocaïne en dagelijks een niet nader geconcretiseerd bedrag besteedde aan blowen kan daarom, gezien ook de stelling van eiser dat hij die verklaringen onder druk heeft afgelegd, niet zonder meer als vaststaande feiten worden beschouwd. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt verder dat hij daadwerkelijk geld ontving van zijn schoonouders en dat de echtgenote inkomen verkreeg uit kapperswerkzaamheden. Dat de echtgenote, zoals verweerder stelt, de contant ontvangen inkomsten uit die werkzaamheden niet heeft vermeld in haar aangifte inkomstenbelasting, betekent niet dat die inkomsten er niet zijn geweest.

12. Gezien het voorgaande is verweerder niet in het van hem te vergen bewijs geslaagd dat eiser aanzienlijke bedragen aan inkomsten niet in zijn aangifte heeft verwerkt. Dat betekent dat de omkering van de bewijslast niet kan worden toegepast op de grond dat niet de vereiste aangifte is gedaan.

13. Verweerder is evenmin erin geslaagd op basis van de normale bewijslastverdeling aannemelijk te maken dat het inkomen uit werk en woning terecht is gecorrigeerd met
€ 30.000. De enkele verwijzing naar de contante stortingen op de bankrekening van eiser, het aangetroffen contante geld en het drugsgebruik van eiser volgens de processen-verbaal is, gezien hetgeen daarover hiervoor reeds is overwogen, onvoldoende. Ook de ter zitting ingenomen stelling dat in ieder geval de inkomsten uit gokken als belast inkomen uit werk en woning moeten worden beschouwd, is daarvoor, gelet op het bepaalde in artikel 3.96, onder a, van de Wet inkomstenbelasting 2001, onvoldoende. Verweerder heeft, zo hij in dat standpunt al gevolgd zou kunnen worden, ook niet aannemelijk gemaakt dat die inkomsten
€ 30.000 zouden belopen.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal het beroep gegrond worden verklaard.

Proceskosten

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.532 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar

inkomen uit werk en woning van € 6.093 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.532;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.J. Baak, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.