Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7450

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
NL19.12221
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij de Dublinprocedure van eiser niet gelijktijdig met die van zijn vrouw en hun minderjarige kind, die later Nederland zijn ingereisd, heeft behandeld. Uit artikel 11 van de Dublinverordening volgt dat één lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de verzoeken van alle gezinsleden, wanneer deze verzoeken om internationale bescherming gelijktijdig of met dusdanig korte tussenpozen zijn ingediend, dat de procedures waarbij de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald allemaal tegelijk kunnen worden afgewikkeld, en indien de toepassing van de criteria van de Dublinverordening tot gevolg zou hebben dat de betreffende gezinsleden van elkaar worden gescheiden. De rechtbank is van oordeel dat zo lang voor de echtgenote en het kind nog niet is vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is, ook niet vast staat dat toepassing van de criteria van de Dublinverordening niet tot gevolg heeft dat de gezinsleden van elkaar worden gescheiden. De rechtbank volgt verweerder daarnaast ook niet in zijn redenering dat de gezinsleden geen recht zouden hebben op een gelijktijdige behandeling, omdat zij separaat Nederland binnen zijn gekomen. Artikel 11 van de Dublinverordening vereist immers niet dat de gezinsleden gezamenlijk zijn ingereisd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.12221


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H. Tadema),

en

de minister van Justitie en Veiligheid, nu de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. I.A.M. de Groot).

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.12222, plaatsgevonden op 2 juli 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is door de buitenlandse vertegenwoordiging van Italië in het bezit gesteld van een Schengenvisum. Hij is op 10 februari 2019 aangekomen in Nederland. De vrouw van eiser en hun minderjarige kind zijn ook door de Italiaanse autoriteiten in het bezit gesteld van een visum en hebben in Italië verzocht om internationale bescherming. Zij verblijven sinds 23 april 2019 in Nederland en hebben ook een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen, indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser voert aan dat verweerder de behandeling van zijn aanvraag gelijktijdig moet behandelen met die van zijn vrouw en hun minderjarige kind zodat de eenheid van het gezin niet wordt doorbroken. Verweerder hoort toe te zeggen dat eisers zaak gekoppeld wordt aan die van zijn echtgenote. Ter zitting heeft eiser betoogt dat dit volgt uit artikel 8 van het EVRM en de Dublinverordening.

3.1

Verweerder heeft ter zitting gesteld dat de procedure niet wordt opgeschort wanneer sprake is van gezinsleden die enige tijd na elkaar een aanvraag hebben gedaan. Dit kan er namelijk toe leiden dat de overdrachtstermijn wordt overschreden. Hier kan misbruik van worden gemaakt. Als er minder dan een week tussen zit, worden de aanvragen waarschijnlijk wel bij elkaar gehouden, maar in dit geval zat er meer tijd tussen. Normaal is het zo, dat er snel met de Dublinprocedure wordt verder gegaan. Verweerder heeft ter zitting ook nog vermeld dat niet is vastgesteld dat de vrouw en het kind daadwerkelijk gezinsleden van eiser zijn. Ten slotte heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hier geen sprake is van het “scheiden” van een gezin, omdat de gestelde gezinsleden separaat Nederland zijn binnengekomen en dus al gescheiden waren.

3.2

De rechtbank overweegt dat uit artikel 8 van het EVRM en de Dublinverordening volgt dat de eerbiediging van het familie- en gezinsleven voorop dient te staan. De uit de considerans van de Dublinverordening voortvloeiende waarborgen met betrekking tot het familie- en gezinsleven hebben hun weerslag gevonden in de artikelen 9, 10 en 11 van de Dublinverordening. Uit artikel 11 van de Dublinverordening volgt dat één lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de verzoeken van alle gezinsleden, wanneer deze verzoeken om internationale bescherming gelijktijdig of met dusdanig korte tussenpozen zijn ingediend, dat de procedures waarbij de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald allemaal tegelijk kunnen worden afgewikkeld, en indien de toepassing van de criteria van de Dublinverordening tot gevolg zou hebben dat de betreffende gezinsleden van elkaar worden gescheiden.

De rechtbank overweegt dat eiser in de zienswijze heeft gemeld dat zijn vrouw en kind ook in Nederland zijn aangekomen en zij zich inmiddels bij hem hebben gevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van verweerder gelegen om te beoordelen of er sprake is van gezinsleden in de zin van artikel 11 van de Dublinverordening en zo ja, of de procedures om de verantwoordelijke lidstaat te bepalen gelijktijdig kunnen worden afgewikkeld. Verweerder heeft in het bestreden besluit slechts vermeld dat het in de lijn der verwachting ligt dat de verantwoordelijkheid voor de asielaanvragen van eisers echtgenote en kind ook bij de Italiaanse autoriteiten ligt. Zo lang voor de echtgenote en het kind nog niet is vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is, staat namelijk ook niet vast dat toepassing van de criteria van de Dublinverordening niet tot gevolg heeft dat de gezinsleden van elkaar worden gescheiden.

Het standpunt van verweerder dat alleen verzoeken die binnen een week na elkaar zijn ingediend tegelijk worden behandeld geeft onvoldoende duidelijkheid over redenen die aan het besluit ten grondslag liggen. Of er sprake is van verzoeken die zijn ingediend met dusdanig korte tussenpozen dat de procedures tegelijk kunnen worden afgewikkeld dient naar het oordeel van de rechtbank door verweerder per geval te worden bekeken, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met de termijnen voor overdracht die in de Dublinverordening staan vermeld en de status waarin de verschillende aanvragen zich bevinden. Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom hij heeft besloten de aanvragen niet gezamenlijk af te wikkelen.

De rechtbank volgt verweerder ook niet in zijn redenering dat de gezinsleden geen recht zouden hebben op een gelijktijdige behandeling, omdat zij separaat Nederland binnen zijn gekomen. Artikel 11 van de Dublinverordening vereist immers niet dat de aanvragers gezamenlijk zijn ingereisd.

4. Het bestreden besluit bevat een motiveringsgebrek. Het beroep is reeds hierom gegrond. De overige beroepsgronden behoeven dan ook geen bespreking. De rechtbank ziet geen aanleiding tot finale geschilbeslechting aangezien de beoordeling van artikel 11 van de Dublinverordening niet heeft plaatsgevonden door verweerder en de rechtbank geen mogelijkheid ziet daar zelf aan te toetsen nu hiervoor (ook) informatie uit de procedure van de vrouw en het kind relevant is en de rechtbank daarover niet beschikt.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.024,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit.

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse-Pot, rechter, in aanwezigheid van R. Visscher, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.