Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7377

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
22-07-2019
Zaaknummer
NL19.10030 (beroep) en NL19.10031 (voorlopige voorziening)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Asiel; buitenbehandelingstelling; geen sprake van een situatie dat eiser heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken; verweerder niet bevoegd de aanvraag buiten behandeling te stellen; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.10030 (beroep) en NL19.10031 (voorlopige voorziening)

[persoonsnummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 28 mei 2019 in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. V.D. Schreuder).


Procesverloop
Met het besluit van 30 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure buiten behandeling gesteld.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening verzocht.

Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening zijn behandeld op de zitting van 16 mei 2019. Eiser was op de zitting aanwezig samen met zijn gemachtigde. Als tolk Irakees Arabisch was aanwezig A. Dahmani. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is afkomstig uit Iran, uit de [regio] . Hij heeft in 2015 een asielaanvraag ingediend. De afwijzing van deze aanvraag staat in rechte vast.

2. Eiser heeft op 15 februari 2019 een nieuwe aanvraag ingediend. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij nieuwe documenten/bewijsmiddelen heeft en dat sprake is van nieuwe gebeurtenissen/informatie. Hij heeft bij zijn aanvraag artikelen overgelegd waaruit blijkt dat de ministers Blok en Ollongren begin 2019 hebben bevestigd dat de Iraanse autoriteiten opdracht hebben gegeven voor de moord op de [persoon] in [jaar] . Ook heeft eiser nogmaals gewezen op beelden die hij in de vorige procedure al had overgelegd. Hierop is hij te zien als demonstrant tijdens een demonstratie op [locatie] in [plaats] . Hij heeft inmiddels ontdekt dat beelden van deze demonstratie veelvuldig zijn gedeeld op sociale media. Hij zal proberen hiervan bewijs te laten vertalen en over te leggen.

3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat eiser de ontbrekende informatie wat betreft zijn opvolgende aanvraag niet heeft aangevuld. Op de zitting heeft verweerder in dit verband toegelicht dat eiser, ondanks zijn aankondiging, geen nader bewijs heeft overgelegd waaruit blijkt dat de beelden van de demonstratie op sociale media worden gedeeld. Daarnaast heeft verweerder toegelicht dat eiser onvoldoende antwoord heeft gegeven op de vraag waarom de algemene informatie uit de artikelen op hem van toepassing is en waarom dit voor hem een reden is om opnieuw een asielaanvraag in te dienen.

4. Verweerder is op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 bevoegd om een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd buiten behandeling te stellen als de vreemdeling heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn aanvraag.

5. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft in de zienswijze van 28 februari 2019 aangegeven dat hij met de ingebrachte artikelen wil aantonen dat de activiteiten van de diaspora in het buitenland door de Iraanse autoriteiten nauwlettend in de gaten worden gehouden. Daarbij heeft hij aangevoerd dat de vermoorde [persoon] , die in de artikelen wordt genoemd, een goede bekende van hem was en mede-activist voor de [partij] . Omdat hij al eerder bewijs had ingediend van zijn vele politieke activiteiten in Nederland, geeft het bewijs dat de opdracht voor de moord door Iran is gegeven nader bewijs van de risico’s die eiser bij terugkeer naar Iran loopt. De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee duidelijk heeft gemaakt waarom de algemene informatie uit de artikelen in zijn visie op hem van toepassing is en waarom deze voor hem reden was een nieuwe aanvraag in te dienen. Er is dus geen sprake van de situatie dat eiser heeft nagelaten te antwoorden op een verzoek om informatie te verstrekken. Verweerder was dus niet bevoegd de behandeling van de aanvraag buiten behandeling te stellen.

6. Tegen deze achtergrond is de enkele omstandigheid dat eiser, ondanks zijn aankondiging, geen nader bewijs heeft aangedragen over het delen van de beelden van de demonstratie op sociale media, niet voldoende om de aanvraag buiten behandeling te stellen.

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder heeft niet subsidiair een inhoudelijk standpunt ingenomen over hetgeen eiser in deze procedure heeft aangedragen. Daarom is er voor de rechtbank geen ruimte om de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder moet dus opnieuw beslissen op de aanvraag. De rechtbank stelt daarvoor een termijn van zes weken.

8. Omdat op het beroep wordt beslist, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.536,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Als aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing


De rechtbank:

in de zaak NL19.10030:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter:

in de zaak NL19.10031:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

De rechtbank/voorzieningenrechter:

in beide zaken:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.536,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C. Dankbaar, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2019.

griffier

(voorzieningen)rechter

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op het beroep kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.