Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7359

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-05-2019
Datum publicatie
07-08-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 6337 en 6426
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IB. Persoonsgebonden aftrek voor monumentenpanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-08-2019
FutD 2019-2137
V-N Vandaag 2019/1849
V-N 2019/48.2.4
NTFR 2019/2131
NLF 2019/1901 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 18/6337 en SGR 18/6426

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2019 in de zaken tussen

[EISER], wonende te [PLAATS], eiser

(gemachtigde: mr. G.J.M.E. de Bont),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2012 en 2013 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd (aanslagnummers 1586.57.561.H.26.01 en 1586.57.561.H.36.01), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 210.371 respectievelijk € 249.763. Daarbij is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. Eiser heeft tegen deze aanslagen en beschikkingen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de aanslagen verminderd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. De beroepschriften zijn door de rechtbank Rotterdam doorgezonden naar de rechtbank Den Haag als de bevoegde rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2019.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn belastingadviseur [A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] en [C].

Overwegingen

Feiten

1. Gedurende de jaren 2012 en 2013 woont eiser in een monumentenwoning als bedoeld in artikel 6.31, eerste en tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (oud) (de Wet IB). De woning is voor eiser een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet IB 2001.

2 De woning van eiser bestaat uit de panden aan de [STRAAT] nrs. 2, 4 en 6. Eiser is sinds 2004 eigenaar van de panden aan de [STRAAT] 4 en 6, en sinds 2010 eigenaar van het pand aan de [STRAAT] 2.

3 Deze panden zijn in de jaren ’70 gerenoveerd en samengevoegd tot één geheel en zijn in die hoedanigheid aanvaard als rijksmonument, sinds 30 november 1971 ingeschreven in het monumentenregister onder respectievelijk monumentennummers 32495, 32496 en 32497. De samenvoeging is later weer ongedaan gemaakt, waarbij [STRAAT] 2 werd afgescheiden van [STRAAT] 4 en 6.

4 Monumentenwacht heeft in het jaar 2011 een rapport opgemaakt van de onderhoudstoestand van de woning.

5 Op 26 juni 2018 heeft een hertaxatie plaatsgevonden door bureau monumentenpanden van de Belastingdienst.

6 Eiser heeft zijn woning in 2012 en 2013 gerenoveerd.

7 In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2012 heeft eiser € 194.763, te weten 80% van de totale uitgaven voor de renovatie in 2012 ad € 243.452, als onderhoudskosten van een monumentenpand op zijn inkomen in aftrek gebracht. Bij het vaststellen van de definitieve aanslag heeft verweerder deze uitgaven niet volledig in aftrek toegelaten. De onderhoudskosten zijn, na bezwaar, voor een bedrag van € 102.454 (na toepassing drempel € 81.964) geaccepteerd.

8 In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 heeft eiser € 136.360, te weten 80% van de totale uitgaven voor de renovatie in 2013 ad € 170.449, als onderhoudskosten van een monumentenpand op zijn inkomen in aftrek gebracht. Bij het vaststellen van de definitieve aanslag heeft verweerder deze uitgaven niet volledig in aftrek toegelaten. De onderhoudskosten zijn, na bezwaar voor een bedrag van € 24.226 (na toepassing drempel € 19.382) geaccepteerd.

9 Eiser is in beroep gegaan wegens het niet (tijdig) doen van uitspraak op bezwaar, waarna de rechtbank bij uitspraak van 15 juni 2018 verweerder heeft opgedragen binnen zes weken uitspraak te doen en een dwangsom heeft opgelegd.

Geschil

10 In geschil is de hoogte van de totaal met box 1 te verrekenen persoonsgebonden aftrek voor monumentenpanden.

11 Eiser stelt dat de renovatiekosten betrekking hebben op noodzakelijk onderhoud en herstel van de oorspronkelijke staat van het monument. Het pand [STRAAT] 2 bleek bij aankoop ernstig verwaarloosd. Zowel de inspecteur van de Monumentenwacht als de aannemer hebben geadviseerd om het pand volledig te strippen om de bouwkundige toestand te kunnen vaststellen. De inspecteur heeft maar een deel van deze kosten in aftrek toegestaan, terwijl alle kosten onlosmakelijk verbonden zijn met het herstel van het pand na het volledig strippen. De kosten van de vloeren, het dakbeschot en het plafond moeten op grond van het vertrouwensbeginsel voor aftrek worden toegelaten. De wijze waarop de vloeren en het dakbeschot zijn hersteld is in de jaren 2006 en 2010 wel door de inspecteur geaccepteerd. De aanbouw was in slechte staat en is duurzaam vervangen in de geest van het monument, waarbij de panden in de oorspronkelijke staat zijn herenigd. De badkamer en de keuken van het pand nr. 2 waren gesloopt. De betonvloer van de badkamer was te zwaar voor het pand en is vervangen door een lichtere constructie. In de keuken zijn kasten zonder apparatuur teruggeplaatst, wat aanmerkelijk goedkoper is. De trap is vanwege de slechte bouwkundige staat vervangen. Er is geen sprake van verbeteringen, louter van herstel. Alleen de uitbreiding van de badkamer met een bad en een sauna betreft een verbetering. De doorsteek op de eerste verdieping is nieuw en heeft geen aftrekbare kosten opgeleverd.

De door de inspecteur gemaakte splitsing van kosten is arbitrair en onrealistisch, zoals bij het verplaatsen van de voordeur van pand nr. 2, het vervangen van het dakraam, het vervangen van de vensterbanken, het herstel van het dakbeschot, en het schilder- en stucwerk. Het verplaatsen van de voordeur van het pand nr. 2 is gedaan om schade door vernieling en verloedering te beperken. Het slopen en weer opbouwen op een andere plek van de voorpui kost evenveel als heropbouw op dezelfde plek.

Gekeken moet worden naar de bedoeling van de wet. De oorspronkelijke staat van een rijksmonument is op duurzame wijze hersteld en de kosten zijn in redelijkheid gemaakt.

Eiser voert verder aan dat de inspecteur de hertaxatie niet door een onafhankelijke taxateur heeft laten doen.

Eiser verzoekt de belastingrentebeschikking te vernietigen dan wel te matigen vanwege de disproportionele vertraging die volledig te wijten is aan de trage behandeling door de Belastingdienst. Eiser verzoekt tevens om een schadevergoeding op grond van artikel 8:88 Awb en om vergoeding van de werkelijke proceskosten.

12 Verweerder stelt dat de in aftrek geweigerde kosten geen noodzakelijk onderhoud betreffen maar zien op verbeteringen/persoonlijke voorkeur. Door eiser zijn veel constructieve wijzigingen aangebracht die ook kwalificeren als verbeteringen.

Beoordeling van het geschil

Aftrekbare kosten

13 In 2012 en 2013 luidde art. 6.31 Wet IB 2001 als volgt:

“1. Als uitgaven met betrekking tot een monumentenpand worden in aanmerking genomen 80% van de drukkende onderhoudskosten. De eerste volzin is slechts van toepassing indien het een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 betreft of indien het een bezitting betreft die volgens artikel 5.1 in de belastingheffing wordt betrokken en waarvan de waardeveranderingen de belastingplichtige direct of indirect grotendeels aangaan.

2. Onder monumentenpand wordt verstaan een pand dat is ingeschreven in een van de registers, bedoeld in artikel 6 of artikel 7 van de Monumentenwet 1988.

3. Onderhoudskosten van een monumentenpand zijn de kosten van werkzaamheden daaraan voor zover die ertoe hebben gestrekt het pand, zoals dat bij de aanvang van de werkzaamheden bestond, in bruikbare staat te herstellen of te houden en in redelijkheid zijn gemaakt.”

14 Voorop wordt gesteld dat eiser, op wie hier de bewijslast rust omdat hij zich van een aftrekpost wil bedienen, bij betwisting aannemelijk moet maken dat hij recht heeft op aftrek van kosten.

15 Verweerder erkent dat de in aftrek toegestane boilerkosten niet daadwerkelijk zijn afgetrokken. Het gaat om een bedrag van € 683 (80% van de kosten ad € 853,50) dat nog moet worden afgetrokken van het inkomen uit werk en woning in 2012. Dit heeft tot gevolg dat het beroep ten aanzien van het jaar 2012 gegrond is.

16 Ten aanzien van de overige kosten die niet in aftrek zijn toegestaan in de jaren 2012 en 2013, maakt eiser onvoldoende aannemelijk dat sprake is van aftrekbare onderhoudskosten, terwijl van eiser mag verwacht worden dat hij bij betwisting zijn stellingen onderbouwt met feiten en/of bescheiden. Hierover wordt het volgende overwogen.

17 Tussen partijen staat vast dat de rechter zijgevel gestript diende te worden om de constructieve staat te kunnen beoordelen. Dit in verband met het wijken van de zijgevel. De inspecteur heeft de kosten die samenhangen met de opbouw van de rechter zijgevel als onderhoudskosten geaccepteerd. Eiser maakt niet aannemelijk dat het strippen van de gehele binnenzijde van het pand noodzakelijk was. Uit het inspectierapport en de verklaring van de Monumentenwacht (bijlagen 20 en 21 van eiser), kan de noodzaak tot het strippen van de gehele binnenzijde niet zonder meer worden afgeleid, omdat het strippen in samenhang met de rechter zijgevel en achtergevel wordt genoemd. Uit een offerte van de aannemer (bijlage 22 van eiser) kan de noodzaak ook niet zonder meer blijken. Het advies om het gehele pand te strippen om een goede offerte te kunnen maken, betekent nog niet dat dit noodzakelijk is voor de beoordeling van de constructieve staat van het gehele pand. Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat een groter deel van de kosten dan dat deel dat in aftrek is toegestaan, ziet op de opbouw van de rechter zij- en achtergevel.

18 Eiser heeft over de bestaande vloer een houten vloer aangebracht. De kosten van het leggen van een vloerbedekking, van welke aard dan ook, dienen, bijzondere omstandigheden daargelaten, gerekend te worden tot de kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen. Dit zijn in beginsel huurderslasten die niet aftrekbaar zijn. (vgl. Hoge Raad, 5 oktober 1988, rolnr. 25 613, BNB 1988/321; Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 16 juni 2008, inzake aftrek van uitgaven voor monumentenpanden, nr. CPP2008/68M, Stcrt. 2008, 120, BNB 2008/216). Gesteld noch gebleken is van bijzondere omstandigheden.

19 Eiser heeft het dakbeschot en het plafond met hout dicht laten timmeren, waar voorheen zachtboard was bevestigd. Anders dan eiser betoogt, geldt als uitgangspunt de staat waarin het pand zich bij aanvang van de werkzaamheden bevond, en niet een eerdere of zelfs de oorspronkelijke staat. De omstandigheid dat eiser het dakbeschot heeft hersteld in de geest van het oorspronkelijk monumentale karakter, betreft niet het in de staat brengen zoals bij aanvang van de werkzaamheden. Eiser stelt het zachtboard te hebben vervangen omdat dit bros en brandgevaarlijk materiaal is. Op grond van vaste rechtspraak berust het vervangen vanwege brandgevaarlijke eigenschappen echter niet op het opheffen van ingetreden achteruitgang. Het gedeelte van de kosten dat verweerder voor aftrek heeft geweigerd, komt de rechtbank niet onredelijk voor.

20 Eiser stelt dat de methode van herstel van de vloeren en het dakbeschot in 2006 en 2010 ook is gehanteerd, waarbij de kosten in aftrek zijn gehonoreerd. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen. In de onderhavige zaak gaat het niet om een geval waarin de gedragslijn van de inspecteur heeft berust op een toezegging. In een zodanig geval is voor in rechte te honoreren vertrouwen meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de aangifte gedurende een aantal jaren bij het vaststellen van de aanslag is gevolgd. Voor zodanig vertrouwen zijn bijkomende omstandigheden vereist die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat de inspecteur zich bewust op een bepaald standpunt heeft gesteld (vgl. HR 13 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:BI6540). Eiser heeft dergelijke bijkomende omstandigheden niet aannemelijk gemaakt. De door eiser bedoelde correspondentie met de inspecteur in het kader van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2006 is niet (meer) aanwezig, zodat niet kan worden beoordeeld of hierin de indruk van een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur is gewekt.

Aangezien de aangifte over het jaar 2010 geautomatiseerd is afgedaan, is voor dat jaar geen sprake van een bewuste standpuntbepaling door de inspecteur waaraan belanghebbende vertrouwen kan ontlenen.

21 Uit de door eiser getekende schets ter zitting blijkt dat de oorspronkelijke aanbouw en doorgang op de begane grond zijn afgebroken en dat de aanbouw en doorgang op een andere plek zijn teruggekomen. Ook hier geldt dat geen sprake is van kosten die ertoe hebben gestrekt het pand, zoals dat bij de aanvang van de werkzaamheden bestond, in bruikbare staat te herstellen of te houden. De constructie van een gebouw bestaat bouwkundig uit de fundamenten en de dragende delen. De constructie is in dit geval aangetast zodat bouwkundig sprake is van sloop van oudbouw en vervanging door nieuwbouw. De omstandigheid dat eiser voor een duurzame oplossing heeft gekozen, doet er niet aan af dat sprake is van nieuwbouw en alleen daarom al niet kan worden gesproken van onderhoudskosten.

22 Datzelfde geldt voor het deel van de kosten dat ziet op het naar voren verplaatsen van de voordeur. Een bedrag van € 2.400 is geaccepteerd als onderhoudskosten terzake de voordeurpui. Hoewel aan eiser kan worden toegegeven dat het bepalen van de meerkosten voor het verplaatsen van de voordeur enigszins arbitrair is, komt het de rechtbank niet onredelijk voor dat de inspecteur naar verhouding een bedrag van € 800 als meerkosten heeft aangemerkt.

23 In het inspectierapport van de Monumentenwacht wordt aangeraden om na te gaan in welke mate de wand van de achtergevel is geïsoleerd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarbij de noodzaak tot vervanging van het houten potdekselwerk en de isolatie is gebleken. Uit de foto’s blijkt ook niet dat deze onderdelen in slechte staat verkeerden.

24 Eiser stelt dat de 10 cm dikke betonvloer van de badkamer in pand nr. 2 bouwkundig te zwaar was voor het pand en daarom is vervangen door een lichtere maar even sterke constructie. De enkele stelling van eiser dat het noodzakelijk was om de vloer te vervangen is, is niet voldoende.

25 Er is geen sprake van het in bruikbare staat herstellen van de keuken. De ruimte heeft niet de functie van keuken, maar is als speelkamer ingericht. Alleen daarom al komen deze kosten niet voor aftrek in aanmerking.

26 De rechtbank volgt verweerder in de constatering dat een groot deel van de kosten voor het aanpassen van elektra zijn oorzaak vindt in de samenvoeging van de nutsvoorzieningen in één meterkast, met als gevolg onvoldoende capaciteit en mogelijke overbelasting. De rechtbank houdt het ervoor dat deze samenvoeging berust op een keuze van eiser, en dus op een verbetering of persoonlijke voorkeur, nu eiser de noodzaak tot samenvoeging niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser stelt ook zelf dat de kosten voor de verzwaring van de aansluiting niet aftrekbaar zijn. Het deel dat voor aftrek is geweigerd, komt de rechtbank niet onredelijk voor.

27 Volgens eiser bleek bij de verbouwing dat de bouwkundige staat van de trap matig was, waarna de trap is vervangen. De noodzaak hiertoe is echter niet gebleken, nu eiser de matige staat van de bestaande trap niet aannemelijk heeft kunnen maken.

28 Partijen zijn het eens over de noodzaak tot het vervangen van het ijzeren dakraam. De inspecteur heeft rekening gehouden met een bedrag van € 200 voor het verwijderen van het ijzeren dakraam, en heeft de meerkosten ad € 665 niet voor aftrek geaccepteerd. Dit komt de rechtbank niet onredelijk voor, nu uit de offerte (7593, versie 2) blijkt dat het totale bedrag van € 885 niet alleen ziet op het verwijderen van het ijzeren dakraam maar ook op het maken van een nieuwe sparing boven het toilet voor een dakraam met dubbel glas. De kosten die gemoeid zijn met de keuze van eiser voor het plaatsen van een nieuw groter dakraam op een andere plaats, komen niet voor aftrek in aanmerking. Dit betreffen geen kosten die ertoe strekken het pand, zoals dat bij de aanvang van de werkzaamheden bestond, in bruikbare staat te herstellen of te houden.

29 De rechtbank gaat er van uit dat het niet hergebruiken van de vensterbanken maar het plaatsen van andere vensterbanken, ook ziet op een keuze/persoonlijke voorkeur van eiser, nu eiser de noodzaak hiertoe niet aannemelijk heeft gemaakt. De inspecteur heeft van de factuur (44960) ad € 5.592,77 een bedrag van € 2.000 in aftrek toegestaan. Deze factuur ziet op de kosten voor het aanbrengen van een dorpel, het leveren en plaatsen van vensterbanken, en schilderwerk aan de binnenzijde. De inspecteur heeft een bedrag van € 3.592,77 voor de kosten van de dorpel, de vensterbanken en een deel van het schilderwerk voor aftrek geweigerd. Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten voor de dorpel niet aftrekbaar zijn, en hiervoor is reeds overwogen dat alleen het deel van het schilderwerk dat ziet op de opbouw van de zij- en achtergevel aftrekbaar is. Het gedeelte van de kosten dat in aftrek is toegestaan, komt de rechtbank niet onredelijk voor.

Taxateur

30 De (her)taxatie is verricht door een bureau dat onderdeel uitmaakt van de Belastingdienst. Verweerder is niet gehouden om de taxatie te laten verrichten door een onafhankelijk taxatiebureau. Eiser had zelf een taxatie kunnen laten uitvoeren door een onafhankelijk taxatiebureau, maar is daartoe niet overgegaan.

Schadevergoeding

31 De rechtbank begrijpt dat de gehele procedure in bezwaar en beroep lang heeft geduurd en dat dit belastend is voor eiser. De lange duur van de procedure in bezwaar en beroep is echter op zichzelf geen reden voor toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 8:88 Awb. Gesteld noch gebleken is dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld, en van overschrijding van de redelijke termijn is geen sprake. Eiser heeft desgevraagd ter zitting ook aangegeven dat hij geen beroep doet op overschrijding van de redelijke termijn. Voor de overschrijding van de beslistermijn in bezwaar is overigens reeds een procedure bij de rechtbank gevoerd, waarbij de rechtbank verweerder heeft opgedragen binnen zes weken een beslissing op bezwaar te nemen onder verbeurte van een dwangsom.

Belastingrente

32 De belastingrente dient naar rato van de ten onrechte niet afgetrokken boilerkosten te worden verlaagd. Gesteld noch gebleken is voor het overige dat de belastingrente onjuist is berekend. Niet gebleken is voorts dat de aanslag buiten de wettelijke termijn van artikel 11 Algemene wet inzake rijksbelastingen is opgelegd.

33 Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ten aanzien van het jaar 2012 gegrond te worden verklaard. De aanslag dient te worden verminderd en de bij de aanslag in rekening gebrachte belastingrente dient overeenkomstig de vermindering van de aanslag te worden verminderd. Het beroep ten aanzien van het jaar 2013 is ongegrond.

Proceskosten

34 De rechtbank ziet voor het beroep ten aanzien van het jaar 2012 aanleiding verweerder te gelasten het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden en verweerder te veroordelen in de proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.020 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512, en wegingsfactor 1).

Voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht is grond, indien verweerder het verwijt treft dat hij een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vgl. Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Eiser heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld die het oordeel rechtvaardigen dat verweerder een dergelijk verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank wijst het verzoek om een integrale kostenvergoeding daarom af.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep ten aanzien van het jaar 2012 gegrond;

 vernietigt de uitspraak op bezwaar ten aanzien van het jaar 2012;

 vermindert de aanslag IB/PVV over het jaar 2012 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 209.688 en vermindert de daarbij behorende belastingrente dienovereenkomstig;

 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.020;

 draagt verweerder op het griffierecht van € 46 aan eiser de vergoeding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, rechter, in aanwezigheid van

mr. R. Vijverberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.