Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7356

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-07-2019
Datum publicatie
19-07-2019
Zaaknummer
NL19.14884
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek spoedvovo ivm uitzetting naar Afghanistan afgewezen. Het document dat in het kader van de herhaalde aanvraag is overgelegd is in kopie en niet vertaald en daarbij is onduidelijk wat er precies instaat. Gelet hierop geen redelijke kans van slagen van het beroep. Verwezen naar het oordeel van de voorzieningenrechter Roermond (zaaknummers AWB 19/5190 en AWB 19/5191) mbt het oordeel inzake 15c en de belangen van de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.14884

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juli 2019 in het geschil tussen

[naam] , verzoeker,

geboren op [geboortedatum] ,

van Afghaanse nationaliteit,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F.M. Ticheler).

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2019 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Verzoeker heeft hiertegen op 27 juni 2019 beroep ingesteld. Voorts heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen teneinde te voorkomen dat verweerder uitzettingshandelingen verricht totdat finaal op de aanvraag is beslist.

Verweerder heeft kenbaar gemaakt dat verzoeker op 9 juli 2019 zal worden uitgezet naar Afghanistan.

Verweerder is in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren en heeft dat gedaan op

9 juli 2019.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Hoewel partijen reeds waren uitgenodigd voor de zitting van 12 september 2019, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om uitspraak zonder zitting te doen, nu onverwijlde spoed dit vereist.

3. Op 2 juli 2019 heeft de Dienst Terugkeer en Vertrek verzoeker en zijn gezin medegedeeld dat zij op 9 juli 2019 om 14:40 uur naar Afghanistan zullen worden uitgezet. Door de gemachtigde van verzoeker is tegen die feitelijke uitzetting bezwaar gemaakt. Ook heeft zij bezwaar gemaakt tegen de uitzettingshandelingen die tegen hen zijn gepleegd door hun inbewaringstelling en plaatsing in de DC/GGV Zeist Soesterberg. Tevens is de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op 8 juli 2019 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, uitspraak gedaan (zaaknummers AWB 19/5190 en AWB 19/5191) en het verzoek afgewezen. Daarbij heeft die voorzieningenrechter overwogen dat niet gebleken is van relevante nieuwe feiten en omstandigheden die maken dat niet langer onverkort van de rechtmatigheid van de voorgenomen feitelijke uitzetting kan worden uitgegaan.

4. De gemachtigde van verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om ook in deze zaak uitspraak te doen en de voorziening te treffen dat verzoeker niet zal worden uitgezet totdat finaal is beslist op zijn beroep dat op 12 september 2019 ter zitting zal worden behandeld.

5. Uit de stukken blijkt dat verzoeker en zijn gezin op 17 september 2015 aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel hebben ingediend. Bij besluiten van 27 december 2016 zijn deze aanvragen als ongegrond afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, op 30 augustus 2018 ongegrond verklaard (zaaknummers AWB 17/144 en 17/1446). Op 6 juni 2019 heeft (enkel) verzoeker een opvolgende asielaanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 26 juni 2019 deze opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Hiertegen zijn op 27 juni 2019 een beroep (zaaknummer NL19.14883) en dit verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (zaaknummer NL19.14884) ingediend.

6. Verzoeker vindt dat de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen en dat uitzetting dient te worden opgeschort, ten minste totdat alle in de gronden aangevoerde feiten en omstandigheden zijn betrokken in de besluitvorming. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij reeds op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in aanmerking komt voor bescherming. Verzoeker voert verder aan dat hij een Sjiitische Hazara is, die afkomstig is uit de regio Wardak/Ghazni. Ter onderbouwing verwijst verzoeker naar de brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 3 juli 2019, de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 7 mei 2019 (zaaknummer NL19.5708), de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juni 2019 (zaaknummer 201904325/2/V2) en het EASO rapport van 12 juni 2019. Daarnaast is verweerder volgens verzoeker ten onrechte voorbij gegaan aan het belang en de positie van de kinderen.

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, over de onder rechtsoverweging 6. genoemde gronden reeds een voorlopig oordeel heeft geveld. Nu in het kader van dit geschil op deze punten geen andere feiten en omstandigheden zijn aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter in dit geval geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen en maakt hij de overwegingen uit de uitspraak van 8 juli 2019 tot de zijne. Hij ziet daarom in deze gronden geen reden om een voorlopige voorziening te treffen.

8. In het kader van de vraag of aan het beroep van verzoeker ten onrechte schorsende werking is onthouden heeft verzoeker verder aangevoerd dat hij bij zijn herhaalde aanvraag een kopie van een document heeft overgelegd, waaruit blijkt dat hij nog steeds ook op individuele gronden te vrezen heeft voor actuele en concrete vervolging. Volgens verzoeker is het juist dat enkel een kopie van het document, zonder vertaling, is overgelegd. Zijn vorige advocaat heeft echter wel het originele document ontvangen, maar dat niet doorgezonden aan de IND en heeft ook geen vertaling opgevraagd en ingediend. Momenteel is de vorige advocaat niet bereikbaar. Hoewel naar vaste jurisprudentie gezegd kan worden dat de fouten van een gemachtigde kunnen worden toegerekend aan de vreemdeling, bestaat volgens verzoeker in dit concrete geval aanleiding om hem, gelet op de omstandigheden van dit geval, enige ruimte te bieden om alsnog het originele document met vertaling in te dienen. Daarbij is de kans aannemelijk dat de inhoud van dat document waaruit zou blijken dat verzoeker wordt gezocht en is opgeroepen om te verschijnen bij de autoriteiten, relevant is voor een juiste, integrale en nieuwe beoordeling van de aanvraag.

9. Ook om deze reden komt het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet voor toewijzing in aanmerking. Niet in geschil is dat verzoeker ter onderbouwing van zijn herhaalde aanvraag een kopie van een document zonder vertaling heeft overgelegd. Nu geen vertaling beschikbaar is en ook uit de verklaringen van verzoeker en uit de overige stukken in het dossier niet duidelijk is geworden wat er precies in het document staat, kan niet gezegd worden dat bij de huidige stand van zaken het beroep een redelijke kans van slagen heeft.

10. Het verzoek wordt afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Boelhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.