Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7309

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-07-2019
Datum publicatie
19-07-2019
Zaaknummer
AWB 19/5251
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

feitelijke overdracht; aangifte mensenhandel; Italië

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/5251

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juli 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam verzoeker] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker)

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: F. Ticheler).

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2019 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.


Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 11 juni 2019 van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, ongegrond verklaard en de verzochte voorlopige voorziening afgewezen (NL19.11396). Bij uitspraak van 28 juni 2019 (zaaknummer [zaaknummer] ) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) deze uitspraak bekrachtigd.

Verweerder heeft verzoeker op 8 juli 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld en hem kenbaar gemaakt dat hij op 15 juli 2019 wordt overgedragen aan de Italiaanse autoriteiten.

Verzoeker heeft op 9 juli 2019 bezwaar gemaakt tegen zijn voorgenomen overdracht. Tevens heeft hij op 10 juli 2019 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ter voorkoming van de voorgenomen overdracht.

Op 11 juli 2019 heeft verweerder schriftelijk op het verzoek gereageerd. Vervolgens zijn partijen in de gelegenheid gesteld op elkaars (nadere) standpunten te reageren, waarna de voorzieningenrechter het onderzoek heeft gesloten. De voorzieningenrechter heeft op 12 juli 2019 met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak gedaan zonder voorafgaande zitting.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

juridisch kader

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.

De voorzieningenrechter maakt gebruik van deze bevoegdheid. Gezien de datum van de voorgenomen overdracht is sprake van onverwijlde spoed. Partijen hebben hun standpunt meermalen kenbaar kunnen maken.

2. Het bezwaar is gericht tegen de feitelijke overdracht van verzoeker, een handeling van verweerder die op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw met een besluit gelijk is gesteld.

standpunten partijen

3. Verzoeker voert aan dat hij al bij zijn asielverzoek kenbaar heeft gemaakt dat hij (al langere tijd) aangifte wil doen van mensenhandel. Vooralsnog is hij daartoe op een wachtlijst beland. Onder verwijzing naar de uitspraken ECLI:NL:RBDHA:2019:5481/6110/6206 stelt verzoeker dat hij niet kan worden overgedragen aan Italië voordat hij in de gelegenheid is gesteld om hier aangifte te doen. In andere zaken heeft verweerder ook toegezegd dat de vreemdeling niet wordt overgedragen voor hij die gelegenheid heeft gehad. Het is in strijd met het gelijkheidsbeginsel dat verweerder in deze zaak wel tot overdracht overgaat.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen reden is om van overdracht aan Italië af te zien. In beroep en in hoger beroep is verzoekers wens om aangifte te doen al aan de orde geweest. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in hoger beroep deze uitspraak bekrachtigd. Daarmee staat in rechte vast dat die wens niet in de weg staat aan rechtmatige overdracht in het kader van de Dublinverordening. In het verzoek dat nu voorligt zijn geen relevante nieuwe feiten naar voren gebracht. Verweerder wijst verder op de - door hem niet overgelegde - uitspraken van de Afdeling van 18 juni 2019, met kenmerk [kenmerknummer 1] , en van 21 juni 2019, met kenmerk [kenmerknummer 2] en [kenmerknummer 3] en stelt dat hij sindsdien weer terug is bij zijn oorspronkelijke werkwijze. Ingevolge artikel 3.6a-2 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf C1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) kan in de Dublinprocedure niet worden toegekomen aan vergunningverlening op grond van de artikelen 3.48-1a, b, en c van het Vb en op grond van paragraaf B8/3.1 van de Vc is er in dit geval geen bedenktijd, aldus verweerder. In dit kader wijst verweerder op de door hem overgelegde uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 juli 2019 (AWB 19/5057), waarbij het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening is afgewezen, en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s Hertogenbosch van 1 juli 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:6568). Hieruit concludeert verweerder dat de huidige werkwijze om Dublinprocedures en Dublinoverdrachten doorgang te laten vinden rechtmatig is. Het bezwaarschrift heeft volgens verweerder daarom geen redelijke kans van slagen.

Beoordeling

5.1

In de Dublinprocedure is, met de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2019, in rechte vast komen te staan dat de overdracht van verzoeker aan Italië - niettegenstaande zijn aangiftewens- rechtmatig is. De uitkomst van de Dublinprocedure betekent dat Nederland de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling hoeft te nemen.

5.2

Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag ervan uit worden gegaan dat Italië zijn Unierechtelijke en (andere) internationale verplichtingen zal nakomen, ook ten opzichte van verzoeker, en hieruit volgt dat verweerder ervan uit mag gaan dat verzoeker in Italië in de gelegenheid zal worden gesteld om aangifte te doen van mensenhandel. Uit de stukken in het dossier blijkt dat verweerder de Italiaanse autoriteiten heeft geïnformeerd over de wens van verzoeker om aangifte te doen en dat de Italiaanse autoriteiten daarop hebben bericht dat asielzoekers in de gelegenheid worden gesteld aangifte te doen. Het belang van verzoeker dat hij aangifte kan doen van mensenhandel is hierdoor gewaarborgd.

5.3

Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat het een Europese verplichting is om slachtoffers van mensenhandel in de gelegenheid te stellen aangifte te doen. Die verplichting rust niet specifiek op Nederland, te minder nu verzoeker in Italië slachtoffer is geworden van mensenhandel, de gestelde dader zich in Italië bevindt, deze geen Nederlands onderdaan is en geen vaste woon - of verblijfplaats in Nederland heeft. Daardoor wordt niet voldaan aan de ratio van de zogenaamde B8-regeling (paragraaf B8/3 van de Vc), te weten het beschikbaar houden van de vreemdeling in Nederland ten behoeve van nader onderzoek ten behoeve van de opsporing van mensenhandelaren.

5.4

Het beroep van verzoeker op de uitspraak van 18 juni 2019 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch gaat niet op. Gelet op het verweer van verweerder en de brief van verweerder aan de Tweede Kamer van 28 juni 2019 inzake mensenhandel en Dublinclaimanten, is de daarin genoemde werkwijze dat een vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld aangifte te doen van mensenhandel en dat niet tot overdracht wordt overgegaan inmiddels achterhaald.

6. Gelet op het voorgaande dient aan het belang van verweerder bij de correcte uitvoering van de Dublinverordening, waaronder de tijdige overdracht van verzoeker aan Italië, een groter gewicht te worden toegekend dan aan het belang van verzoeker om in Nederland aangifte van mensenhandel te kunnen doen.

7. Gelet op het voorgaande heeft verzoekers bezwaar geen redelijke kans van slagen en bestaat ook bij afweging van de betrokken belangen geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. van der Hell, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 12 juli 2019. Het dictum van de uitspraak is op diezelfde datum telefonisch aan partijen meegedeeld.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.