Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7286

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
07-08-2019
Zaaknummer
NL19.14375
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland / verschil in beschermingsbeleid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.14375


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Biҫer).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.14376, plaatsgevonden op 11 juli 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Als tolk is verschenen J.A. Matti. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Jemenitische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988.

Eiser is naar eigen zeggen op 8 maart 2019 Nederland ingereisd.

Op 11 maart 2019 heeft eiser de onderhavige asielaanvraag ingediend.

Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 8 juli 2018 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op grond van deze informatie heeft Nederland op

12 april 2019 Duitsland gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Duitsland heeft op 17 april 2019 dit verzoek geaccepteerd.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit – na een voornemen te hebben uitgebracht en de zienswijze van eiser daarop te hebben ontvangen – gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is Duitsland verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.

3. Eiser heeft, samengevat, aangevoerd, dat ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De asielaanvraag van eiser in Duitsland is afgewezen en Duitsland is voornemens om eiser naar Jemen uit te zetten. Overdracht aan Duitsland leidt daarom tot een significant risico op schending van onder meer artikel 3 van het van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder dient ambtshalve te onderzoeken of van een individueel risico op “ketting-refoulement” sprake is. Eiser verwijst in dit verband naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 14 maart 2017 inzake Ilias en Ahmed tegen Hongarije.

Verweerder neemt ten aanzien van Jemen aan dat de mate van willekeurig geweld in dat land dermate hoog is dat voor nu sprake is van een uitzonderlijke geweldssituatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en dat uitzetting naar Jemen een schending van artikel 3 van het EVRM oplevert. Verweerder had daarom de aanvraag naar zich toe moeten trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening gelet op het risico op indirect refoulement. Eiser verwijst in dit verband naar een uitspraak van het Gerechtshof Lyon van 13 maart 2018 (17LY02181 – 17LY02184).

Daarnaast is bij de gehele besluitvorming aan de zijde van verweerder slechts één functionaris betrokken geweest. Door deze gang van zaken is de objectiviteit van de besluitvorming door verweerder in het geding gekomen en in ieder geval is daarmee niet gehandeld conform het zogenaamde vier-ogen principe. Eiser verwijst in dit verband naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 19 oktober 2018, NL18.17335.

Eiser verzoekt de rechtbank het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en verweerder op te dragen een nieuw besluit op de asielaanvraag te nemen.

Subsidiair verzoekt eiser de rechtbank prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie en in afwachting daarvan de zaak aan te houden.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt heeft mogen stellen dat ervan uit kan worden gegaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen jegens eiser zal nakomen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit uitgangspunt in zijn geval onjuist is. De rechtbank overweegt dat Duitsland met het claimakkoord garandeert dat een nieuwe asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen. Niet is aannemelijk gemaakt dat de Duitse autoriteiten de internationale richtlijnen hebben geschonden of dat sprake is van indirect refoulement bij terugkeer naar Duitsland. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser bij eventuele schending van de richtlijnen zijn beklag kan doen bij de Duitse autoriteiten. Ook kan eiser een klacht indienen bij het EHRM en zo nodig kan verzoeken om een ‘interim measure’ om te voorkomen dat hij naar Jemen wordt uitgezet voordat op zijn klacht is beslist. Niet is gebleken dat dit voor hem vanuit Duitsland niet mogelijk is.

De enkele omstandigheid dat Nederland en Duitsland niet hetzelfde beschermingsbeleid ten aanzien van vreemdelingen uit Jemen voeren, maakt het vorenstaande niet anders. De Nederlandse rechter dient in beginsel niet te treden in de vraag of de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke autoriteiten van een lidstaat tot een inhoudelijk juist oordeel zijn gekomen naar aanleiding van dat verzoek dan wel of het door die autoriteiten vastgestelde algemene beschermingsbeleid juist is. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van

9 december 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BK6157). De omstandigheid dat Nederland op dit moment ten aanzien van Jemen een gunstiger beleid dan Duitsland voert, kan niet worden aangemerkt als een concrete aanwijzing dat Duitsland de op dat land rustende internationale verplichtingen jegens eiser niet zal nakomen.

Voor het stellen van prejudiciële vragen met betrekking tot het verschil in het beschermingsbeleid in relatie tot artikel 17 van de Dublinverordening, in samenhang bezien met artikel 4 van het Handvest van de Europese Unie, bestaat gezien het vorenstaande geen aanleiding. Bovendien voorziet het beleid (paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000) in de mogelijkheid om artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening toe te passen in de situatie waarin er concrete aanwijzingen zijn dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Niet aannemelijk is gemaakt dat de Duitse asielprocedure dusdanige tekortkomingen kent dat eiser hierdoor het risico loopt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen inzake non-refoulement jegens hem niet zal nakomen.

Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat er aanleiding bestaat om aan te nemen dat sprake is van systeemfouten in de Duitse asielprocedure die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest.

Het beroep op het arrest Ilias en Ahmed tegen Hongarije leidt niet tot een ander oordeel. In dit arrest oordeelde het EHRM, samengevat weergegeven, dat Hongarije klagers niet mocht uitzetten naar Servië – dat geen EU-lidstaat is – zonder te onderzoeken of uitzetting naar Servië zou resulteren in indirect refoulement. Van een dergelijke situatie is ten aanzien van Duitsland geen sprake. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder een dergelijk onderzoek ook ten aanzien van Duitsland zou moeten instellen.

Het beroep op de eerdergenoemde uitspraak van het Gerechtshof Lyon treft ook geen doel. De uitspraak van een buitenlandse nationale rechter over de toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening is immers niet bindend voor verweerder en betekent niet dat verweerder dit artikel ten aanzien van eiser moet toepassen.

Eiser heeft verder geen andere, individuele bijzondere, omstandigheden aangevoerd die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat overdracht aan Duitsland in zijn geval van onevenredige hardheid zal getuigen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de omstandigheid dat het vier ogen beginsel in de onderhavige procedure niet is toegepast, niet zonder meer betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig of niet objectief is genomen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht, dat het vier ogen beginsel wordt toegepast bij geloofwaardigheidsbeoordeling van kwesties zoals bekering en seksuele gerichtheid (LHBTI’s-zaken). In de onderhavige zaak gaat het niet om een geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas, maar om de beoordeling van een juridische vraag, namelijk welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. De rechtbank volgt – gezien het hiervoor overwogene – verweerder in zijn stelling dat het meelezen van het dossier door een andere beslisser, niet tot een andersluidend besluit in deze zaak zou hebben geleid.

5. Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de behandeling van de aanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, aan zich dient te trekken.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Powell, griffier, op 18 juli 2019.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking