Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7271

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
18-07-2019
Zaaknummer
NL19.11242
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2019:7265
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak. Dublin Italië. Verweerder heeft in een aanvullende motivering alsnog voldoende toegelicht waarom geen beëdigde tolk is gebruikt tijdens het gehoor. Beroep gegrond, besluit vernietigd, in stand laten rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.11242


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.11243, plaatsgevonden op 4 juni 2019. Eiser en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Bij tussenuitspraak van 12 juni 2019 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend. Eiser heeft hierop een schriftelijke reactie gegeven. Beide partijen hebben de rechtbank toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 12 juni 2019. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.

2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit strijd oplevert met artikel 28, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv). Tijdens het ‘aanmeldgehoor Dublin’ met eiser is geen beëdigde tolk gebruikt, terwijl in het bestreden besluit een toelichting daarop ontbreekt. Verweerder heeft daarom in de tussenuitspraak de opdracht gekregen om alsnog toe te lichten waarom in dit geval geen beëdigde tolk is ingezet.

3. Verweerder wijst er in zijn aanvullende motivering op dat slechts een beëdigde tolk in de taal Arabisch (Tsjadisch) is geregistreerd. Deze tolk wil echter alleen werken in Den Bosch, wil niet worden ingezet voor gesprekken die korter duren dan drie uren en wil niet tolken in Dublin-zaken. Om deze redenen was geen beëdigde tolk beschikbaar voor het gehoor met eiser. Dit was al voor het gehoor met eiser onderzocht, maar is niet in het bestreden besluit vermeld, aldus verweerder.

4. Eiser voert hiertegen aan dat gebruik is gemaakt van een niet-registertolk, terwijl in het verslag van het aanmeldgehoor alleen is vermeld waarom geen gebruik werd gemaakt van een niet-beëdigde tolk. Daarnaast stelt verweerder dat geen registertolk tijdig beschikbaar zou zijn, terwijl er in dit geval geen spoed vereist was en er klaarblijkelijk wel een registertolk in de benodigde taal inzetbaar is, aldus eiser.

4.1

De rechtbank is van oordeel dat hoewel de door verweerder gegeven uitleg in het bestreden besluit had moeten staan, hij met zijn aanvullende motivering alsnog voldoende heeft toegelicht waarom geen beëdigde tolk is ingezet voor het gehoor met eiser. Met zowel het woord ‘beëdigde’ als met ‘geregistreerde’ wordt doorgaans een tolk bedoeld die is opgenomen in het Register beëdigde tolken en vertalers. Er is geen reden om aan te nemen dat verweerder met het gebruik van deze termen twee verschillende categorieën tolken heeft bedoeld. Verder is de rechtbank van oordeel dat in dit geval in het midden kan blijven of sprake was van ‘vereiste spoed’, omdat de enige beschikbare tolk kennelijk in het geheel niet beschikbaar is voor het afnemen van gehoren in het kader van Dublinprocedures.1 Dit is door eiser ook niet betwist.

5. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat verweerder in zijn reactie alsnog de door artikel 28 van het Wbtv vereiste toelichting heeft gegeven en de rechtbank van oordeel is dat verweerder in dit geval terecht gebruik heeft gemaakt van een niet beëdigde tolk, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.280,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.280,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse-Pot, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.F. van den Brink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

1 Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1591.