Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7223

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
18-07-2019
Zaaknummer
09/842003-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag. De verdachte beroept zich op (putatief) noodweer dan wel noodweerexces, maar dit wordt door de rechtbank verworpen. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/842003-19

Datum uitspraak: 18 juli 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Detentiecentrum Alphen aan den

Rijn, adres: Eikenlaan 36, Alphen aan den Rijn.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 16 april 2019 (pro forma) en 4 juli 2019 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.J. Algera, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.A. Versteegh, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 4 januari 2019 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans éénmaal heeft gestoken in de rug en/of de schouder en/of de arm en/of de vinger, althans het lichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 januari 2019 te ’s-Gravenhage aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) diepe en/of grote snijwond(en) en/of steekwond(en) in zijn arm en/of rug en/of schouder, heeft toegebracht door meermalen, althans eenmaal in de arm en/of rug en/of schouder te snijden en/of te steken.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 4 januari 2019 heeft in Den Haag een confrontatie plaatsgevonden tussen de aangever [slachtoffer] en de verdachte. De verdachte heeft de aangever met een mes meerdere malen gestoken.

De verklaringen van de verdachte en de aangever over dit incident lopen uiteen. De aangever heeft verklaard dat de verdachte op hem af kwam lopen en hem zonder noemenswaardige aanleiding met een mes stak. De verdachte heeft verklaard dat hij zich met een mes moest verdedigen, omdat hij eerst door de aangever was klemgereden en bedreigd en de aangever daarna op hem af kwam met zijn hand in zijn zak. De verdachte dacht toen dat de aangever een wapen in zijn zak had.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag (zoals primair tenlastegelegd) of aan een poging tot zware mishandeling (zoals subsidiair tenlastegelegd).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir, gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, overeenkomstig haar op schrift gestelde pleitnota, zich primair op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van de opzet op de dood. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op (putatief) noodweer dan wel noodweerexces toekomt. De verdachte dient primair te worden vrijgesproken en subsidiair dient dit te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging. Op deze standpunten van de verdediging zal hierna – voor zover relevant – worden ingegaan.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Verklaring van de aangever [slachtoffer]

heeft verklaard dat hij op 4 januari 2019 rond 09.15 uur in zijn auto stapte om weg te rijden. Hij remde voor een auto die van links kwam op de Meppelrade te Den Haag. [slachtoffer] dacht dat hij de verdachte in de auto zag zitten en reed achter de auto aan, omdat een langdurig conflict tussen beiden bestond en [slachtoffer] wilde weten waarom de verdachte in de buurt van zijn woning was. Voor de kruising van de Meppelweg en de Leyweg zette [slachtoffer] zijn auto schuin voor de auto van de verdachte. [slachtoffer] liep naar de verdachte toe, die nog in zijn auto zat en sprak de verdachte aan. Er vond een woordenwisseling plaats. [slachtoffer] stapte vervolgens in zijn auto en reed zijn auto een klein stukje verder, zodat de auto’s op de naastgelegen rijbaan door konden rijden. [slachtoffer] blokkeerde nog steeds met zijn auto de weg voor de verdachte. [slachtoffer] stapte weer uit en stond in de deuropening van zijn auto met zijn rug naar de verdachte gekeerd. [slachtoffer] draaide zich om en zag de verdachte zijn mes openklappen. Dit mes was ongeveer 10 á 15 centimeter lang. De verdachte schreeuwde: “Ik maak je dood.” en rende naar [slachtoffer] toe. [slachtoffer] werd met het mes eerst geraakt op zijn linkerhand en daarna twee keer op zijn linkerarm. [slachtoffer] rende weg, maar gleed uit op het vochtige gras van de middenberm van de Meppelweg. Terwijl [slachtoffer] opstond en weer verder wilde rennen, werd hij door de verdachte in de onderkant van zijn rug geraakt.2

Medische informatie

Uit de geneeskundige verklaring met betrekking tot het bij de aangever geconstateerde letsel blijkt als volgt:

“Multipele steekverwondingen: schouder links, elleboog links, paravertebraal lumbaal rechts. (…)

CT-abdomen: Steekverwonding met kleine, vermoedelijke veneuze bloedingsfoci in de lange rugmusculatuur en ter hoogte van de fascie. Geen penetratie van het retroperitoneum of de buikholte.

Conclusie

36-jarige man met multipele steekverwondingen (deltoid links/supragluteaal rechts) waarvan forse wond met musculatuur a vue elleboog links.

Beleid

- Aanmelden S-OK: exploratie elleboog links + hechten overige wonden” 3

Uit een brief van het HagaZiekenhuis van 7 januari 2019 blijkt als volgt:

“Uitgevoerde operatie:

(…)

1. Exploratie linker elleboog, laesie van spierbuiken mn bracioradialis en extensoren complex), reconstructie fascies, huid transcutaan gesloten

2. kleine lap verwonding dorsum linker hand, transcutaan gesloten

3. steek verwonding linker schouder, transcutaan gesloten

4. steek verwonding supragluteaal rechts, transcutaan gesloten” 4

Verklaring van de verdachte

Hoewel de verdachte een andere verklaring dan [slachtoffer] heeft afgelegd over de omstandigheden rond het tenlastegelegde, heeft hij bekend dat hij de aangever meerdere keren met een mes heeft gestoken. Daarbij heeft hij ook verklaard dat er tijdens het steekincident een worsteling heeft plaatsgevonden en dat hij de aangever daarbij onder meer heeft geslagen en geschopt.5

Getuigen

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij zag dat de bestuurder van de BMW (de rechtbank begrijpt: de aangever) en de bestuurder van de Hyundai (de rechtbank begrijpt: de verdachte) elkaar aan het duwen waren.6

De getuige [getuige 2] heeft aangegeven dat hij zag dat bestuurder van de BMW en de bestuurder van de Hyundai aan het vechten waren op de groenstrook.7

Oordeel van de rechtbank

Voorwaardelijk opzet

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen opzet had op de dood van [slachtoffer] .

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de verdachte met een mes heeft gestoken in de hand, de schouder, de arm en de rug van [slachtoffer] . Dat de verdachte dit met de nodige kracht moet hebben gedaan, leidt de rechtbank af uit de medische informatie in combinatie met de foto8 van de elleboog van de aangever na het steekincident, waarop de rechtbank een zeer diepe snee in de breedte van de arm ter hoogte van de elleboog waarneemt en daarbij het gegeven dat de aangever gekleed was en het mes die kleding dus eerst moet hebben doorboord.

Het met kracht meerdere malen steken in verschillende plaatsen van het bovenlichaam waar zich vitale organen bevinden, in een situatie waarin tevens een worsteling plaatsvindt en waarbij het steken dus niet steeds op een gecontroleerde wijze kan plaatsvinden, levert naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer dit steken met de dood moet bekopen. De verdachte heeft, door aldus te handelen, die aanmerkelijke kans ook bewust aanvaard. Anders dan de verdediging heeft betoogd, was bij de verdachte volgens de rechtbank door aldus te handelen dan ook sprake van het voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] .

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

(primair)

hij op 4 januari 2019 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk met een mes, heeft gestoken in de rug en de schouder en de arm en de vinger, althans het lichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de strafbaarheid van de verdachte

4.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte een beroep op (putatief) noodweer dan wel noodweerexces toekomt. De verdachte heeft verklaard dat de aangever hem klem reed, uit de auto stapte en hem bedreigde. De aangever liep hierna terug naar zijn auto en stapte weer in. De aangever stapte daarna weer uit en liep met zijn hand in zijn zak op de verdachte af, waardoor de verdachte zich zeer ernstig bedreigd voelde, mede gelet op het al langlopende conflict met de aangever, dat al eerder uit de hand was gelopen, toen hij werd klem gereden. De verdachte kon nu dit weer gebeurde niet anders dan uit zijn eigen auto stappen en de aangever steken met een mes. Het was hij of ik, aldus de verdachte.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen geslaagd beroep kan worden gedaan op noodweer, noodweerexces dan wel putatief noodweer. Zij heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake was van een noodweersituatie, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) dient vast komen te staan dat op enig moment sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte, waartegen hij zich noodzakelijk moest verdedigen.

De aangever heeft verklaard dat hij naast zijn auto stond en de verdachte direct op hem instak. Zijn verklaring impliceert dat hij daaraan voorafgaand niet met zijn hand in zijn zak op de verdachte is afgelopen. Die verklaring van de aangever wordt ondersteund door verschillende getuigen. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij zag dat de bestuurder van het achterste voertuig (de rechtbank begrijpt: de verdachte) naar de voorste liep en hem gelijk op zijn gezicht sloeg.9 Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij zag dat de bestuurder van de BMW (de rechtbank begrijpt: de aangever) uitgestapt was en naast de BMW stond. Zij zag dat hij met zijn handen naast zijn lichaam stond. Ze zag dat de bestuurder van de Hyundai (de rechtbank begrijpt: de verdachte) bij de man van de BMW stond. Ze zag dat beide bestuurders elkaar aan het duwen waren.10

De rechtbank concludeert op basis van voorgaande bewijsmiddelen dat de verklaring van de verdachte dat de aangever vlak voor het steekincident met zijn hand in zijn zak op hem afkwam, op zichzelf staat en geen steun vindt in andere bewijsmiddelen. Daarmee is die verklaring van de verdachte dus niet aannemelijk geworden. De rechtbank stelt daarmee vast dat geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte en er daarmee dus ook geen noodzaak was zich hiertegen te verdedigen. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake was van een noodweersituatie en daarmee komt de verdachte ook geen beroep toe op noodweerexces. De beide verweren worden verworpen.

Nu het beroep op putatief noodweer evenzeer steunt op de stelling dat de aangever met een hand in zijn zak afkwam op de verdachte, kan dit verweer evenmin slagen, nu die situatie, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk is geworden. Het beroep op putatief noodweer wordt dan ook eveneens verworpen.

Aangezien geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten, zijn het feit en de verdachte strafbaar.

5 De strafoplegging

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht, om bij oplegging van een straf hoger dan het voorarrest, een gedeeltelijke voorwaardelijke gevangenisstraf dan wel een taakstraf op te leggen. Zij heeft daarbij verwezen naar de LOVS-oriëntatiepunten. De raadsvrouw heeft omtrent de strafmaat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren gebracht.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich op 4 januari 2019 schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer met een mes in zijn rug, schouder, arm en vinger te steken. De aanleiding voor dit incident kwam mede door het slachtoffer zelf, aangezien hij degene is geweest die in een langlopend conflict, na een eerdere situatie waarin hij de verdachte had klem gereden op de openbare weg, de verdachte ook dit keer om een futiele reden klem reed en op een onverantwoordelijke wijze de confrontatie opzocht. Desalniettemin had de verdachte absoluut niet op deze manier mogen reageren. Dat de steekpartij geen fatale afloop heeft gehad, is een gelukkige omstandigheid die niet is te danken aan het handelen van de verdachte. Het slachtoffer heeft fors letsel opgelopen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een buitengewoon ernstig, en voor het slachtoffer zeer ingrijpend misdrijf. De verdachte heeft door zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, hetgeen ook is gebleken uit het door het slachtoffer ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht. Het is algemeen bekend dat gebeurtenissen als hiervoor omschreven grote impact hebben op een slachtoffer. Ook zorgt een dergelijk feit – een steekpartij op klaarlichte dag en op straat – voor maatschappelijke onrust. Dat – zo blijkt uit het dossier – meerdere mensen ongewild geconfronteerd zijn met de gewelddadige uitbarsting van de verdachte en de gevolgen daarvan, maakt het feit naar het oordeel van de rechtbank des te ernstiger.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft kennis genomen van het Nederlandse strafblad van 7 juni 2019 en het [buitenlandse] strafblad van 8 januari 2019. Uit deze strafbladen blijkt dat de verdachte meerdere malen is veroordeeld voor geweldsfeiten en dat sprake is van een terugkerend patroon. Uit het [buitenlandse] strafblad blijkt bovendien dat de verdachte in een proeftijd liep. Dit heeft de verdachte niet ervan weerhouden om een strafbaar feit te plegen.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van het reclasseringsadvies van 28 maart 2019. De reclassering adviseert oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij zien geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen, nu de verdachte hier niet voor openstaat.

Straf

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte van de straf gelet op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. De rechtbank neemt de rol van de aangever, zoals hiervoor beschreven, mee bij het bepalen van de straf. De rechtbank acht, alles overwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. De rechtbank ziet geen redenen om een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

6 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 14.115,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 2.115,00 aan materiële schade en € 12.000,00 aan immateriële schade.

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering inclusief de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. Zij heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden gematigd, omdat sprake is van eigen schuld.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Het door [slachtoffer] gevorderde bedrag aan materiële schade is door de verdediging betwist. De rechtbank overweegt dat de gevorderde kleding en behandelingen Dermakliniek niet zijn onderbouwd, dus de vordering wordt in zoverre afgewezen. De gevorderde post eigen risico is wel voldoende onderbouwd en zal dan ook worden toegewezen. De rechtbank acht het bedrag aan reiskosten onderbouwd tot een bedrag van € 50,00 en zal dat dan ook toewijzen. De toegewezen materiële schade komt daarmee op een bedrag van € 435,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van 4 januari 2019, omdat de schade vanaf deze datum is ontstaan.

De overige gevorderde materiële schade wordt afgewezen.

Immateriële schade

De rechtbank overweegt dat het aannemelijk is dat [slachtoffer] immateriële schade heeft geleden die rechtstreeks het gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de omvang van de immateriële schade zelf begroten en schat die naar billijkheid op € 2.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van 4 januari 2019, omdat de schade vanaf deze datum is ontstaan. De rechtbank overweegt dat verdere weging van de immateriële schade gelet op de rol van het slachtoffer een te zware belasting is voor het strafgeding. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk.

Kosten

Aangezien de vordering grotendeels wordt toegewezen, zal de verdachte tevens worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Omdat de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens [slachtoffer] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het hiervoor genoemde toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van de hiervoor genoemde datum, ten behoeve van het slachtoffer.

7 De inbeslaggenomen goederen

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen

(met parketnummer 45/842003-19) onder 1 genummerde voorwerp (een mes) zal worden onttrokken aan het verkeer.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen omtrent het beslag.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, terwijl het voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen (bijkomende) straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36b, 36d, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

poging tot doodslag;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

de vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 2.435,00, (bestaande uit € 435,00 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 januari 2019 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst de overige gevorderde materiële schade af;

bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 2.435,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 januari 2019 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 34 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de inbeslaggenomen goederen;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten:

1. 1.00 STK Mes Kl:camouflage

APACHE.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.J. van der Wilt, voorzitter,

mr. S.W.E. de Ruiter, rechter,

mr. M.M. Meessen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Schuttevaer, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juli 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2019003430, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Centrum, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 118).

2 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] van 5 januari 2019, blz. 13-14.

3 Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring van 5 januari 2019, blz. 116.

4 Een geschrift, zijnde een brief van het HagaZiekenhuis van 7 janarui 2019, ongenummerd.

5 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 4 juli 2019.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 4 januari 2019, blz. 33.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 4 januari 2019, blz. 35.

8 Een geschrift, zijnde foto’s, blz. 47 en 48.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 4 januari 2019, blz. 24.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 4 januari 2019, blz. 32-33.