Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7222

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
18-07-2019
Zaaknummer
NL19.14551
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de maatregel van bewaring ten onrechte op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw met drie maanden verlengd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.14551


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2019 in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: B.J. Pattiata ).

Procesverloop

Verweerder heeft op 29 maart 2019 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort en is bij beschikking van 20 juni 2019 op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw verlengd.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2019. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 22 mei 2019 (in de zaak NL19.11095) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de (verlengde) maatregel van bewaring rechtmatig is.

3. Eiser voert aan dat de nationale wetgeving momenteel geen grondslag kent voor vrijheidsontneming van asielzoekers gedurende de rechtsmiddelentermijn.

3.1.

Verweerder heeft bij het meeromvattende besluit van 20 juni 2019 de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw en de maatregel van bewaring verlengd met drie maanden. Voort is in het besluit de zinsnede opgenomen dat eiser gedurende de termijn dat hij beroep kan instellen, hij in Nederland mag blijven om de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening af te wachten. Voorwaarde is wel dat eiser binnen de beroepstermijn beroep instelt en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening indient.

3.2.

De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 29 april 2019 (NL19.8350), aangezien niet is gebleken dat het bestreden besluit in die casus ook de vermelding bevatte dat eiser gedurende de beroepstermijn in Nederland mocht blijven. Bovendien staat vast dat eiser in die zaak geen beroep had ingesteld en geen voorlopige voorziening had gevraagd.

3.3.

De stelling van eiser dat verweerder bij de verlenging van de bewaring op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw alle feiten en omstandigheden opnieuw in ogenschouw had moeten nemen en moeten motiveren, vindt geen steun in de wet.

3.4.

Eiser stelt dat de verlenging van de bewaring onrechtmatig is nu die niet gebaseerd kan zijn op grond van artikel 59b van de Vw omdat dat slechts mogelijk is zolang er geen beslissing op de aanvraag is genomen. Daarbij verwijst eiser naar de uitspraak van de afdeling rechtspraak van de Raad van State van 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1710.

3.5.

Verweerder betoogt terecht dat de verlenging van de bewaring zich niet beperkt tot de aanvraagfase. Zowel tijdens de beslis- als de beroepsfase is verlenging mogelijk, nu het risico op onttrekking aanwezig blijft. Nu eiser tijdens de fase van beroep een herhaalde asielaanvraag heeft gedaan, is artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw van toepassing en kan eiser in bewaring worden gehouden, omdat hij reeds in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, sub 1, van de Vw) en hij reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, sub 2, van de Vw) en op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, sub 3, van de Vw).

3.6.

Eiser stelt ten slotte dat de verlenging van de maatregel op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw onrechtmatig is, omdat daarvoor vereist is dat eiser rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw. Nu de asielaanvraag van eiser bij besluit van 20 juni 2019 niet-ontvankelijk is verklaard, heeft eiser vanaf die datum op grond van artikel 82, tweede lid, van de Vw geen rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw. Artikel 82, tweede lid, van de Vw bepaalt immers dat de werking van een dergelijke beschikking niet wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of (indien beroep is ingesteld) op het beroep is beslist.

3.7.

Verweerder betwist hetgeen eiser aanvoert en verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 16 april 2019 (NL19.7375). Hij stelt zich ter zitting op het standpunt dat eiser reeds op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw in bewaring kon worden gesteld en dat het voortduren daarvan, de verlenging van de bewaring, ondanks hetgeen eiser naar voren heeft gebracht, toegestaan is.

3.8.

Artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw luidt als volgt:

De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist.

3.9.

Niet is in geschil dat artikel 82, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw van toepassing is op eiser en dat zijn uitzetting dus niet krachtens deze wet achterwege dient te blijven. Evenmin is sprake van een rechterlijke beslissing op grond waarvan de uitzetting achterwege dient te blijven. Nu niet aan één van die twee voorwaarden is voldaan, heeft eiser geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw.

3.10.

Het feit dat verweerder in het bestreden besluit heeft aangegeven dat eiser gedurende de rechtsmiddelentermijn in Nederland mag blijven leidt niet tot een ander oordeel. Dat verweerder het feitelijk verblijf van eiser in Nederland gedoogt, maakt niet dat sprake is van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vw. Artikel 8 van de Vw bevat een limitatieve opsomming van omstandigheden waarin de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft in Nederland en het feit dat eiser zijn verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten, is niet een dergelijke omstandigheid. Zie ook ECLI:NL:RBAMS:2019:4781.

3.11.

De verwijzing van verweerder naar C., J. en S. maakt dit oordeel niet anders. Uit deze beschikking en uit het arrest van 19 juni 2018 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (C-181/16, Gnandi; ECLI:EU:C:2018:465) volgt dat het verblijf van een vreemdeling, direct nadat de afwijzing van de asielaanvraag is vastgesteld, illegaal is geworden in de zin van de Terugkeerrichtlijn, maar dat deze desondanks gedurende de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel en, indien tijdig een rechtsmiddel is ingesteld, op het grondgebied van de lidstaat mag blijven. Dit is niet gelijk te stellen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw. Immers, het rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw impliceert dat de vreemdeling na afwijzing van zijn asielaanvraag, anders dan in voornoemde arrest en beschikking het geval is, wel legaal verblijf heeft. De rechtbank ziet geen aanleiding om door middel van richtlijnconforme interpretatie te trachten de Nederlandse situatie in overeenstemming te brengen met het unierecht. Het is aan de wetgever om de Vw in overeenstemming te brengen met de jurisprudentie van het Hof en de (overige) bepalingen van unierecht. Zie ook ECLI:NL:RBDHA:2019:6865.

3.12.

De rechtbank is van oordeel dat de verlenging van de bewaring op grond van het hiervoor genoemde niet mogelijk was, wat betekent dat verweerder niet bevoegd was de maatregel van bewaring te verlengen.

3.13.

Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgrond slaagt en dat verweerder de maatregel van bewaring ten onrechte op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw met drie maanden heeft verlengd.

4. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf 20 juni 2019 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden.

5. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 28 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 28 x € 80,- (verblijf detentiecentrum) = € 2.240,-.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.240,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 512,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. Blagrove, rechter, in aanwezigheid van C. Groenewegen, griffier.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 17 juli 2019.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.