Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7190

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
18-07-2019
Zaaknummer
C-09-573974-KG ZA 19-463
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering van zoon, als mentor van zijn moeder, strekkende tot straat- en contactverbod van vriend moeder. Contacten moeder en vriend staan verhinderen de noodzakelijke behandeling en verpleging van moeder in het verpleeg- en verzorgingshuis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/573974 / KG ZA 19-463

Vonnis in kort geding van 17 juli 2019

in de zaak van

[eiser] ,

handelend in zijn hoedanigheid van mentor van en bewindvoerder over het vermogen van zijn moeder [de moeder] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. Y.M. Renken te Zoeterwoude,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.A. Ossentjuk te Leiden.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en ' [gedaagde] '. De moeder van [eiser] zal hierna ' [de moeder] ' worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- de akte aanvullen gronden en overleggen aanvullende producties van [eiser] ;

- de op 26 juni 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door [gedaagde] pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling is de zaak pro forma aangehouden tot 13 juli 2019 om partijen in de gelegenheid te stellen het geschil in onderling overleg te beëindigen. Bij brieven van 4 en 5 juli 2019 hebben respectievelijk [gedaagde] en [eiser] de voorzieningenrechter gevraagd vonnis te wijzen. Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[de moeder] is geboren op [geboortedatum] .

2.2.

Op 28 april 2017 heeft dr. [de neuroloog] , als neuroloog verbonden aan het Reinier de Graaf Ziekenhuis te [woonplaats 1] , [de moeder] gediagnosticeerd met Alzheimer.

2.3.

Bij beschikking van 17 augustus 2017 heeft de kantonrechter van deze rechtbank ten behoeve van [de moeder] een mentorschap ingesteld, met benoeming van [eiser] tot mentor. Op diezelfde dag heeft de kantonrechter de goederen die (zullen) toebehoren aan [de moeder] onder bewind gesteld wegens haar lichamelijke en geestelijke toestand, met benoeming van [eiser] tot bewindvoerder.

2.4.

Na een voorafgaande opname in GGZ Delfland woont en verblijft [de moeder] sinds december 2017 in het verpleeg- en verzorgingshuis " [X] " te [plaats] .

2.5.

[gedaagde] heeft op 11 januari 2018 hoger beroep ingesteld tegen de onder 2.3 vermelde beslissingen van de kantonrechter. In appel voerde hij aan dat (i) tussen [eiser] en [de moeder] geen goede onderlinge verstandhouding bestaat, (ii) hij de levensgezel is van [de moeder] , (iii) hij had moeten worden benoemd tot mentor en bewindvoerder, en (iv) [de moeder] niet lijdt aan Alzheimer. Op 6 juni 2018 heeft het gerechtshof Den Haag [gedaagde] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de beslissingen.

2.6.

Vervolgens heeft [gedaagde] in september 2018 een procedure aanhangig gemaakt bij de kantonrechter van deze rechtbank, strekkende tot het ontslag van [eiser] als mentor en bewindvoerder, met benoeming van hem - als levensgezel van [de moeder] - als zodanig. Na verweer van [eiser] , is [gedaagde] door de kantonrechter - bij beschikking van 6 maart 2019 - niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek, omdat tussen [gedaagde] en [de moeder] geen relatie bestaat of heeft bestaan die vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten, zodat hij niet kan worden aangemerkt als een belanghebbende in de zin van artikel 1:432 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. [gedaagde] heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. De appelprocedure is nog aanhangig.

2.7.

[gedaagde] brengt (in beginsel) iedere maandag-, dinsdag-, donderdag-, vrijdag- en zaterdagmiddag gedurende een aantal uren een bezoek aan [de moeder] in [X] .

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - zakelijk weergegeven - [gedaagde] op straffe van verbeurte van een dwangsom te verbieden voor de duur van een jaar:

I. zich te bevinden of te begeven op het terrein van [X] , waaronder begrepen het (uitsluitend) voor dat tehuis bedoelde parkeerterrein gelegen aan [adres] ;

II. [de moeder] aan te spreken, hetzij direct in persoon, hetzij telefonisch, hetzij schriftelijk en/of langs digitale weg;

een en ander met machtiging om het vonnis zo nodig te doen naleven met behulp van de sterke arm van politie en justitie en met veroordeling van [gedaagde] is de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] - samengevat - het volgende aan.

Door zijn frequente bezoeken aan [de moeder] - in het bijzonder de wijze waarop hij daaraan invulling geeft - maakt [gedaagde] een ontoelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [de moeder] . Zo valt [gedaagde] [de moeder] lastig met de (vele) rechtszaken die hij voert tegen [eiser] , waarbij hij haar ook opstookt tegen haar zoon. Verder heeft hij geen, althans nauwelijks, inzicht in de ziekte waaraan [de moeder] lijdt (Alzheimer), wat tot verwarring lijdt bij [de moeder] . Daarnaast zorgt [gedaagde] tijdens zijn bezoeken aan [de moeder] voor de nodig ophef, door tegen adviezen van [X] in te gaan en met haar medewerkers de confrontatie te zoeken. Ook dat maakt [de moeder] erg onrustig. Door zijn gedrag handelt [gedaagde] in strijd met de belangen van [de moeder] , te meer nu Alzheimerpatiënten gebaat zijn bij rust, regelmaat en voorspelbaarheid. Daardoor komt de behandeling van [de moeder] in het gedrang en kan de zorg die zij nodig heeft niet worden verleend. Verder is van belang dat [gedaagde] weigert afspraken te maken over zijn gedrag tijdens zijn bezoeken aan [de moeder] . [X] deelt de zorgen van [eiser] en heeft hem verzocht maatregelen te treffen. In de huidige situatie zijn de gevorderde verboden de enige oplossing, ondanks de positieve effecten die de bezoeken van [gedaagde] zouden kunnen hebben op [de moeder] .

3.3.

[gedaagde] voert verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Na de onder 1.2 vermelde brieven van 4 en 5 juli 2018 heeft [gedaagde] de voorzieningenrechter op 5 en 15 juli 2019 nogmaals geschreven, waarop [eiser] op respectievelijk 8 en 15 juli 2019 heeft gereageerd. Deze brieven laat de voorzieningenrechter buiten beschouwing bij de beoordeling van het onderhavige geschil. Nadat het debat tussen partijen op de zitting van 26 juni 2019 was geëindigd, is - in overleg met partijen - besloten de behandeling pro forma aan te houden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen het geschil - vooralsnog - onderling te regelen. Blijkens de onder 1.2 vermelde brieven is een regeling niet tot stand gekomen en verzoeken beide partijen om vonnis. Daarmee was het onderzoek gesloten. Gelet hierop - en in samenhang met het bepaalde in artikel 12 van de Wet op de rechterlijke organisatie - kunnen de vervolgens nog toegezonden brieven geen deel meer uitmaken van de processtukken aan de hand waarvan het geschil moet worden beoordeeld.

4.2.

Met het oog op die beoordeling wordt vooropgesteld dat voor toewijzing van de door [eiser] , in zijn hoedanigheid van mentor van [de moeder] , gevorderde verboden - gelet op het in de persoonlijke vrijheid van [gedaagde] ingrijpende karakter ervan - slechts plaats is wanneer het veiligstellen van de belangen van [de moeder] op geen andere wijze te bereiken is.

4.3.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Daarin kan hij echter niet worden gevolgd. Indien de stelling van [eiser] dat de contacten van [gedaagde] met [de moeder] de belangen van [de moeder] op een zodanige wijze schaden dat behoort te worden ingegrepen voor juist moeten worden gehouden, is daarmee de vereiste spoedeisendheid van de vorderingen gegeven.

4.4.

Voor zover [gedaagde] heeft gesteld dat [eiser] misbruik maakt van zijn bevoegdheid als mentor c.q. bewindvoerder door het onderhavige kort geding aanhangig te maken bij de voorzieningenrechter van team handel van de rechtbank en niet bij de kantonrechter - die (i) [eiser] heeft benoemd tot mentor en bewindvoerder, (ii) controle uitoefent op de werkzaamheden van [eiser] als mentor en bewindvoerder en (iii) een door [gedaagde] ingediende klacht tegen [eiser] in behandeling heeft - moet daaraan worden voorbijgegaan. Daarvoor is van belang dat het [eiser] vrijstaat een kort geding aanhangig te maken bij de voorzieningenrechter van team handel van de rechtbank in een geschil waarin ook de kantonrechter bevoegd zou zijn. Niet kan worden aangenomen dat (enkel) een dergelijke keuze misbruik van bevoegdheid meebrengt. Daar komt bij dat [eiser] een dergelijke keuzevrijheid hier niet toekomt. De door [gedaagde] aangevoerde (3) omstandigheden brengen immers niet mee dat de kantonrechter bevoegd is de gevorderde verboden uit te spreken.

4.5.

Ook het ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde] treft geen doel. Ingevolge artikel 1:453 van het Burgerlijk Wetboek is [de moeder] onbevoegd rechtshandelingen te verrichten in aangelegenheden betreffende haar verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding en vertegenwoordigt [eiser] (als mentor) haar daarbij zowel in als buiten rechte. Aan zijn vorderingen legt [eiser] ten grondslag dat de bezoeken van [gedaagde] in de weg staan aan een goede behandeling/verpleging van [de moeder] , waardoor de zorg die zij nodig heeft niet kan worden verleend. Die grondslag moet worden aangemerkt als een aangelegenheid in voormelde zin, zodat reeds daarom niet valt in te zien dat [eiser] de kantonrechter had moeten raadplegen voordat hij dit kort geding aanhangig maakte.

4.6.

Aan de stelling van [gedaagde] dat toewijzing van de vorderingen van [eiser] een schending van artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden ('EVRM') meebrengt, moet ook worden voorbijgegaan. In dat verband beroept [gedaagde] zich op family life. Ingevolge vaste jurisprudentie (zie o.a. HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128) dient de voorzieningenrechter zijn beslissing in kort geding af te stemmen op de onder 2.6 vermelde beschikking van 6 maart 2019. Daarin heeft de kantonrechter geoordeeld dat niet is gebleken dat [gedaagde] en [de moeder] hebben samengewoond, noch dat sprake is geweest van een gezamenlijke (financiële) huishouding, zodat tussen hen geen relatie bestaat of heeft bestaan die vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten. Gesteld noch gebleken is dat die beschikking een klaarblijkelijke, ofwel een onmiskenbare, misslag bevat, dan wel dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter, ingeval zij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen. Reeds op grond daarvan kan in het beperkte bestek van dit kort geding niet ervan worden uitgegaan dat tussen [gedaagde] en [de moeder] family life bestaat of heeft bestaan, zodat van schending van artikel 8 EVRM ook geen sprake kan zijn.

4.7.

Dan kan thans worden overgegaan tot de inhoudelijke beoordeling van het daadwerkelijke geschil tussen partijen. De hier te beantwoorden vraag is, of de bezoeken van [gedaagde] schadelijk zijn voor [de moeder] en - zo ja - of dat toewijzing van de gevorderde verboden rechtvaardigt. In dat verband wordt vooropgesteld dat de (zeer) frequente bezoeken van [gedaagde] op zichzelf een positieve invloed kunnen hebben op het welzijn van [de moeder] . Dat wordt door [eiser] ook niet betwist, terwijl uit de van [X] afkomstige stukken, die zijn overgelegd, volgt dat hij die menig ook is toegedaan. Dat ligt echter anders wanneer de bezoeken in de weg staan aan de verzorging/verpleging die [de moeder] nodig heeft.

4.8.

Bij brief van 17 juni 2019 heeft [A] (hierna '[A]'), een medewerkster van [X] , onder meer en geparafraseerd het volgende bericht aan [eiser] :

- [X] ondervindt problemen bij het verlenen van zorg aan [de moeder] als gevolg van de frequente bezoeken van [gedaagde] , doordat [gedaagde] zich niet conformeert aan de gemaakte afspraken over de zorgverlening;

- gelet op haar ziektebeeld heeft [de moeder] behoefte aan rust, structuur en een 'thuisgevoel';

- [gedaagde] heeft een andere mening dan [X] over de zorg die [de moeder] nodig heeft en ventileert deze ook; dat maakt [de moeder] in toenemende mate onrustig, nerveus, angstig en onzeker, wat [X] belemmert in het geven van structuur en een thuisgevoel;

- [gedaagde] kwam met [X] gemaakte afspraken over de (inhoud van de) bezoeken aan [de moeder] niet na en gaf op een gegeven moment zelfs aan geen gesprekken meer met [X] te willen voeren;

- [gedaagde] confronteert [de moeder] en medewerkers van [X] met zijn conflicten met [eiser] , wat leidt tot spanningen bij hen;

- [X] verzoekt [eiser] om maatregelen te nemen die ertoe leiden dat ongestoord goede zorg kan worden verleend aan [de moeder] .

4.9.

Voor zover [gedaagde] heeft aangevoerd dat aan de inhoud van die brief moet worden voorbijgegaan omdat [A] niet (fysiek) is belast met de zorg die aan [de moeder] wordt verleend, wordt dat verweer gepasseerd. [A] is locatiemanager van [X] . Aangenomen moet worden dat zij de inhoud van de brief baseert op informatie die haar is verstrekt door artsen, verpleegkundigen en verzorgers, die bij de zorgverlening aan [de moeder] zijn betrokken. Dat dit anders ligt heeft [gedaagde] niet voldoende onderbouwd.

4.10.

De inhoud c.q. strekking van de brief van [A] wordt bevestigd door passages in het door [X] bijgehouden logboek betreffende [de moeder] (productie 11 bij dagvaarding, na het 'groene' tussenblad). Hierin is onder andere het volgende opgenomen:

- op 19 oktober 2018 heeft de behandelend psycholoog van [de moeder] aan [eiser] geschreven dat [gedaagde] - nadat hij was uitgenodigd voor een gesprek - heeft aangegeven niet meer in gesprek te willen met [X] omdat hij daaraan geen behoefte heeft;

- op 9 november 2018 heeft [gedaagde] een verzorger van [X] medegedeeld ervan overtuigd te zijn dat de aan [de moeder] verstrekt medicatie niet deugt, dat [de moeder] niet dement is en dat moet worden gestopt met de haar toegediende zware medicijnen;

- op 4 december 2018 is geconstateerd dat [gedaagde] de afgesproken tijden waarop hij [de moeder] zou bezoeken op eigen initiatief heeft aangepast.

Voor zover [gedaagde] heeft gesteld dat delen van het logboek zijn vervalst door [eiser] , heeft hij dat niet (voldoende) nader onderbouwd, zodat die stelling reeds daarom buiten beschouwing moet blijven.

4.11.

Tot slot - maar zeker niet op de laatste plaats - is van belang dat [gedaagde] op de zitting uitdrukkelijk heeft verklaard het oneens te zijn met de diagnose dat [de moeder] aan Alzheimer lijdt, alsmede dat hij van mening is dat [de moeder] niet goed wordt behandeld in [X] . Die opvattingen baren de voorzieningenrechter ernstige zorgen, mede waar de betwisting van de diagnose door hem niet nader is onderbouwd. Aangenomen moet worden dat de weerstand van [gedaagde] een bron vormt voor conflicten tussen enerzijds [gedaagde] en anderzijds [X] en [eiser] , die als mentor (mede)verantwoordelijk kan worden gehouden voor het verblijf van [de moeder] in [X] . Daar komt bij dat op grond van de processtukken aangenomen moet worden dat [gedaagde] [de moeder] confronteert met die conflicten, alsmede dat dit de nodige onrust en spanningen veroorzaakt bij [de moeder] wat in de weg staat aan een goede verzorging en verpleging van [de moeder] .

4.12.

Zoals op de zitting al aangegeven door de voorzieningenrechter zou het in het belang van [de moeder] zijn indien [gedaagde] haar zou (kunnen) blijven bezoeken. Op grond van het bovenstaande is echter duidelijk geworden dat dit enkel mogelijk is indien daarover met [gedaagde] duidelijke afspraken worden gemaakt, waaraan hij zich vervolgens ook houdt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet in het (beperkte) bestek van dit kort geding ervan worden uitgegaan dat [gedaagde] gemaakte afspraken niet nakomt en weigert (nieuwe) afspraken te maken. Ook in het kader van deze procedure is het niet gelukt om tot afspraken te komen.

4.13.

In die situatie rest als enige oplossing voor de veiligstelling van de belangen van [de moeder] toewijzing van de door [eiser] gevorderde verboden. Vooralsnog acht de voorzieningenrechter een daaraan te verbinden termijn van zes maanden voldoende, onder de aansporing van partijen om gedurende die periode - in overleg met [X] - alsnog overeenstemming te bereiken over bezoeken van [gedaagde] aan [de moeder] waarbij de veiligstelling van de belangen van [de moeder] zijn gewaarborgd. Dit laatste moet mogelijk zijn, mede nu [eiser] daartegen op zichzelf geen bezwaar heeft.

4.14.

Op grond van het bovenstaande zal worden beslist zoals hieronder in het dictum vermeld. Oplegging van de door [eiser] gevorderde dwangsom, als stimulans tot nakoming van de beslissing, is aangewezen.

4.15.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verbiedt [gedaagde] voor de duur van zes maanden na de betekening van dit vonnis:

(i) zich te bevinden of te begeven op het terrein van het verpleeg- en verzorgingshuis " [X] " te [plaats] , waaronder begrepen het (uitsluitend) daarvoor bedoelde parkeerterrein gelegen aan [adres] ;

(ii) [de moeder] aan te spreken, hetzij direct in persoon, hetzij telefonisch, hetzij schriftelijk en/of langs digitale weg;

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- voor iedere keer dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,--;

5.2.

machtigt [eiser] dit vonnis - zo nodig - te doen naleven met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.358,83, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat, € 297,-- aan griffierecht en € 81,83 aan dagvaardingskosten, in voorkomende gevallen te vermeerderen met btw;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Keltjens en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2019.

jvl