Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7172

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
C-09-574581-KG ZA 19-495
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding in verband met (zesde) verzoek tot gratie. De Staat heeft niet onrechtmatig jegens eiser gehandeld. Artikel 3 EVRM is door de Staat niet geschonden. Ook is niet aannemelijk geworden dat de Staat het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. De Staat heeft het gerechtshof ten behoeve van het nog op te stellen nader advies met betrekking tot het ingediende gratieverzoek voldoende geïnformeerd en heeft alle verlofverslagen en verlofbeslissingen aan het gerechtshof toegezonden. Aan de toezegging van de Staat het gerechtshof (aanvullende) informatie te verstrekken zal geen termijn worden verbonden. In verband met de bij eiser bestaande twijfel over de noodzaak van opname in het Pieter Baan Centrum heeft de Staat voldoende aannemelijk gemaakt dat met het oog op het recidiverisico, de delictgevaarlijkheid en het gedrag en de ontwikkeling van eiser een onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut adequater kan plaatsvinden door observatie in het Pieter Baan Centrum dan door middel van een ambulant onderzoek in de penitentiaire inrichting waar eiser thans verblijft, nu observatie een omgeving creëert waarin eiser ‘gewoon gedrag’ moet laten zien. In verband met de wachttijd en de observatieperiode van eiser in het Pieter Baan Centrum kan de Staat geen uitvoering geven aan de wens van het gerechtshof om binnen drie maanden door het NIFP en de Dienst Justitiële Inrichtingen hierover te worden geïnformeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0957
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/574581 / KG ZA 19/495

Vonnis in kort geding van 17 juli 2019

in de zaak van

[eiser] te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.C. van Linde te Groningen,

tegen:

de Staat der Nederlanden te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 5 juni 2019;

- de brief van mr. Van Linde van 20 juni 2019, met producties 1 t/m 13 en twee bijlagen;

- de brief van mr. Ten Broeke van 1 juli 2019, met productie 1;

- het e-mailbericht van mr. Van Linde van 2 juli 2019, met producties 12 en 13;

- de brief van mr. Van Linde van 2 juli 2019, met productie 14;

- de op 3 juli 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is de datum van vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij arrest van het gerechtshof te Den Haag van 30 januari 1989 (hierna: het gerechtshof) is eiser veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens het medeplegen van doodslag en het medeplegen van een drievoudige moord. Op 5 december 1989 is dit arrest onherroepelijk geworden, nadat de Hoge Raad het door eiser ingestelde cassatieberoep had verworpen.

2.2.

Sinds 9 oktober 1987 verblijft eiser in detentie (inclusief voorarrest).

2.3.

Eiser heeft de afgelopen jaren verschillende gratieverzoeken ingediend. In het kader van het door eiser ingediende vijfde gratieverzoek heeft het gerechtshof op 18 oktober 2013 geadviseerd om de beslissing op het gratieverzoek voor de duur van één jaar aan te houden, zo spoedig mogelijk te starten met activiteiten gericht op resocialisatie van eiser en het gerechtshof te informeren over de voortgang. De Staat is niet met resocialisatieactiviteiten gestart. Op 10 juni 2014 is het gratieverzoek afgewezen.

2.4.

Bij vonnis van 18 september 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de Staat bevolen om binnen veertien dagen na de betekening van het vonnis een begin te maken met de activiteiten gericht op de resocialisatie van eiser teneinde bij de beoordeling van een nieuw gratieverzoek zijn resocialisatie en de vorderingen op dat gebied te kunnen betrekken.

2.5.

Eiser heeft naar aanleiding van de behandeling van het vijfde gratieverzoek een klacht bij de Nationale Ombudsman ingediend. De Nationale Ombudsman heeft in zijn rapport van 29 december 2014 de klacht gegrond verklaard.

2.6.

Op 9 april 2015 heeft eiser het zesde gratieverzoek ingediend. Naar aanleiding van dit verzoek is het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: NIFP) verzocht een multidisciplinair onderzoek naar de delictgevaarlijkheid en detentiegeschiktheid van eiser uit te voeren. Dit verzoek is in het voorjaar van 2016 drie keer aangevuld.

2.7.

Op 27 juni 2016 heeft het gerechtshof een voorlopig advies aan de Koning uitgebracht, waarin – voor zover relevant – het volgende is overwogen:

“Het hof stelt vast dat alle omstandigheden die uit de processtukken thans naar voren komen wijzen op een positieve ontwikkeling. Een uiteindelijk positief advies over het gratieverzoek sluit het hof dan ook allerminst uit, -mits terugkeer in de maatschappij op verantwoorde wijze is voorbereid en niettegenstaande de uitzonderlijke ernst van de indertijd door verzoeker gepleegde delicten. Het hof is evenwel ook thans (nog) niet in staat om – zoals artikel 3 van het EVRM eist – op betekenisvolle wijze te toetsen “of bij de verzoeker sprake is van dermate significante veranderingen en een zodanige vooruitgang richting reclassering gedurende de gevangenisstraf, dat voortduring daarvan niet langer kan worden gerechtvaardigd door strafdoelen.”

Immers, ten aanzien van verzoeker zijn slechts sinds korte tijd activiteiten ontplooid die zijn gericht op zijn mogelijke resocialisatie (…..) Uit de stukken komt thans het beeld naar voren dat het nog niet verantwoord wordt geacht de verzoeker onbegeleid verlof toe te staan, zodat het hof van oordeel is dat daarmee eerst verdere vooruitgang dient te worden geboekt alvorens zou kunnen worden geoordeeld dat met voortzetting van de gevangenisstraf niet langer enig met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.

Het hof ziet in het voorgaande aanleiding om te adviseren het gratieverzoek thans af te wijzen.”

2.8.

In de periode daarna hebben er meerdere procedures plaatsgevonden in kort geding en bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ), is de frequentie van begeleide verloven opgevoerd (met ingang van 1 september 2017) en zijn aan eiser verschillende onbegeleide verloven toegekend.

2.9.

In september 2017 heeft de Staat besloten om het openbaar ministerie en het gerechtshof om aanvullend advies te vragen.

2.10.

Het gerechtshof heeft op 1 oktober 2018 geadviseerd het door eiser ingediende gratieverzoek af te wijzen en heeft daartoe – voor zover van belang – het volgende overwogen:

“Het hof stelt vast dat alle omstandigheden die uit de processtukken thans naar voren komen nog immer wijzen op een voortdurende positieve ontwikkeling. Zo heeft de verzoeker inmiddels ook onbegeleide verloven gehad, in welk kader hij telkens incidentloos diverse resocialisatie- en re-integratieactiviteiten heeft ontplooid.

Niettegenstaande de uitzonderlijke ernst van de indertijd door verzoeker gepleegde delicten, sluit het hof een toekomstige positieve advisering allerminst uit, mits terugkeer in de Nederlandse samenleving op verantwoordelijke wijze is voorbereid.

Echter, ook nu nog kan het hof de vraag of aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan in het onderhavige geval geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend, niet op betekenisvolle wijze beantwoorden, reeds omdat actuele informatie vanwege de Dienst Justitiële Inrichtingen en het NIFP met betrekking tot hierboven (…..) genoemde criteria ontbreekt.”

2.11.

De advocaat van eiser heeft in oktober 2018 verzocht om recente verlofverslagen en -beslissingen ten behoeve van een hernieuwd nader advies aan het gerechtshof te sturen. De Dienst Justis (DJI) is daarmee akkoord gegaan.

2.12.

Bij e-mail van 6 november 2018 heeft DJI onder meer het volgende aan eiser meegedeeld:

“Na grondig dossieronderzoek ben ik tot de conclusie gekomen dat de verlofverslagen alsmede de verlofbeslissingen zijn doorgezonden tot en met februari 2018. Derhalve zijn de stukken welke u op 11 augustus 2018 heeft toegezonden niet doorgezonden. Ik begreep dat mijn voormalig collega (….) u wel heeft toegezegd dat hij deze stukken door zou zenden. Gelet op deze toezegging ben ik dan ook bereid om de stukken alsnog door te zenden en daarbij te verzoeken om nader advies.”

2.13.

Bij e-mail van 13 november 2018 heeft DJI het gerechtshof verzocht een nader advies (aanvullend op het advies van 1 oktober 2018) te geven.

2.14.

Bij brief van 29 november 2018 heeft eiser DJI gesommeerd opnieuw advies te vragen aan het gerechtshof en het hof voorafgaand aan het advies te voorzien van de gewenste informatie (alle verlofbeslissingen en verlofverslagen) alsmede in te lichten over het tijdspad waarbinnen een en ander zal plaatsvinden.

2.15.

In een e-mail van DJI van 21 maart 2019 aan het ressortsparket te Den Haag is onder meer het volgende vermeld:

“Op 13 november 2018 is er door Justis verzocht om nader advies in opgemelde zaak. Van mevrouw (…..) begreep ik dat het advies in goede orde werd ontvangen en op 16 november 2018 is doorgezonden naar het Gerechtshof (…)”

2.16.

Bij brief van 18 april 2019 heeft eiser de in de brief van 29 november 2018 gedane sommatie herhaald.

2.17.

Bij brief van 19 april 2019 heeft DJI eiser het volgende – voor zover van belang – meegedeeld:

“Uw brief van 29 november 2018 heb ik per post op 30 november 2018 ontvangen. Kort voorafgaand aan dit schrijven heeft (….) contact met u gehad over het verloop van de adviesaanvraag bij het gerechtshof. Zij heeft daarbij aangegeven dat er inderdaad door een andere medewerker aan u is toegezegd de verlofverslagen toe te zenden aan het hof en dat na grondig dossieronderzoek is gebleken dat dit niet is gebeurd. Ik bied u voor deze gang van zaken mijn excuses aan. (….) heeft gehoor gegeven aan uw verzoek d.d. 29 november 2018 om de verlofverslagen alsnog door te zenden naar het gerechtshof met het verzoek om nader advies. Het nader advies van het gerechtshof laat echter nog steeds op zich wachten (….)

Ik heb uw brief van 18 april 2019 met alle bijlagen doorgezonden naar het hof met het verzoek om zo spoedig mogelijk te adviseren.”

2.18.

Bij brief van 22 april 2019 heeft de advocaat van eiser, in aanvulling op de sommaties in de brief van 29 november 2018, DJI gesommeerd het NIFP binnen een week opdracht te geven nader te rapporteren over het recidiverisico, de delictgevaarlijkheid en het gedrag en de ontwikkeling van eiser gedurende zijn detentie en na ontvangst van het rapport van het NFIP binnen twee weken het gerechtshof te vragen om nader advies over het gratieverzoek.

2.19.

Bij brief van 14 mei 2019 heeft DJI eiser bericht dat over het verzoek om een onderzoek door het NIFP nog overleg plaatsvindt.

2.20.

Bij e-mail van 28 juni 2019 heeft het NIFP – voor zover hier van belang – aan DJI het volgende bericht:

“Het algemene beleid is dat levenslang gestraften bij gratie verzoeken onderzocht worden in het PBC, er is geen reden om hier in deze casus van af te wijken. Het hof heeft in haar laatste advies bericht (1 oktober 2018) laten weten dat zij zich onvoldoende voorgelicht achten voor wat betreft het a. recidiverisico, b. delictgevaarlijkheid en c. het gedrag en de ontwikkeling van de levenslanggestrafte gedurende zijn detentie. Hiervoor is het zo dat een periode van observatie in een andere omgeving nodig geacht wordt om gevolgen/gedrag (zonder effect van detentieduur) te kunnen zien om het hof hierover voor te lichten. (….)

Mocht er toch een reden zijn om een uitzondering te maken voor deze casus, op grond van de informatie die wij nu hebben zien wij daar geen reden toe, dan zal ook een ambulant onderzoek een aantal maanden duren, het is momenteel erg lastig om psychiaters te vinden voor het doen van onderzoeken en de komende zomerperiode zal dat zeker niet makkelijker maken.

Een onderzoek in het PBC zal over zo’n 30-35 weken afgerond kunnen zijn, na aanvraag. Er is een wachtlijst van 18 weken, de observatieperiode van levenslanggestraften is volgens afspraak 12 weken en daarna moet het rapport nog afgerond worden.”

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven – de Staat:

  1. te gebieden om voorafgaand aan het opstellen van een voordracht als bedoeld in artikel 9 van de Gratiewet naar aanleiding van het door eiser op 9 april 2015 ingediende gratieverzoek, het (vervolg)advies van het gerechtshof – dat mede is gebaseerd op recente informatie van het NIFP en DJI – af te wachten;

  2. te gebieden binnen drie maanden na dit vonnis uitvoering geven aan de wens van het gerechtshof in diens advies aan de Koning van 1 oktober 2018 om voorgelicht te worden door het NIFP en DJI, althans binnen een zodanige termijn als de voorzieningenrechter in goede justitie meent te behoren, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  3. te gebieden, in geval het gerechtshof blijkens zijn (nadere) advies nog informatie nodig heeft die het noodzakelijk acht voor het beoordelen van het gratieverzoek, en deze informatie door de Staat kan worden aangeleverd, binnen één maand na het uitbrengen van dat advies deze informatie aan het gerechtshof ter beschikking te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  4. te gebieden binnen één maand nadat het onder A bedoelde advies door het gerechtshof is uitgebracht een voordracht aan de Kroon te doen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  5. te gebieden de voorzieningen te treffen die de voorzieningenrechter onder de gegeven omstandigheden in goede justitie rechtvaardig acht;

  6. te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert eiser – samengevat – het volgende aan.

De Staat handelt onrechtmatig jegens eiser door hem niet de herbeoordeling te bieden die hij, volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), behoort te bieden, te weten een herbeoordelingsprocedure waarin kan worden getoetst of bij hem sprake is van dermate significante veranderingen en een zodanige vooruitgang in de richting van zijn reclassering gedurende de gevangenisstraf, dat voortzetting daarvan niet langer kan worden gerechtvaardigd door strafdoelen, door het in de gratieprocedure adviserend gerecht niet alle informatie ter beschikking te stellen die nodig is om die toets uit te voeren (EHRM 9 juli 2013, Vinter vs UK, 66069/09, 130/10, 3896/10). Het ligt op de weg van de Staat de levenslanggestrafte niet alleen in staat te stellen te resocialiseren, maar ook om de rechter op adequate wijze over de veroordeelde en de voortgang gericht op zijn resocialisatie te informeren. De Staat heeft niet aan deze verplichting voldaan door het gerechtshof geen kennis te laten nemen van recente verlofinformatie en evenmin recente informatie van het NIFP te verschaffen ter beoordeling van het recidiverisico, delict-gevaarlijkheid en het gedrag en de ontwikkeling van eiser gedurende zijn detentie. Daarmee heeft de Staat in strijd met artikel 3 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gehandeld en derhalve onrechtmatig. Door het gerechtshof voorafgaand aan de advisering niet van volledige informatie te voorzien, handelt de Staat bovendien in strijd met zijn verplichting advies te vragen op grond van de Grondwet en de Gratiewet. De Staat heeft niet alle benodigde informatie aan het gerechtshof verstrekt, namelijk de meest recente informatie van DJI en het NIFP. De Staat heeft daarmee geen uitvoering gegeven aan zijn verplichting om het gerechtshof te laten adviseren ten aanzien van het door eiser ingediende gratieverzoek en daarmee eveneens onrechtmatig jegens eiser gehandeld. Daarnaast handelt de Staat in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel. Door het gerechtshof welbewust informatie te onthouden over de door eiser genoten verloven en de bevindingen van het NIFP handelt de Staat in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De Staat handelt in strijd met het vertrouwensbeginsel door de beschikbare verlofverslagen en –beslissingen niet aan het gerechtshof te verstrekken.

Eiser heeft ter zitting nog het volgende – verkort weergegeven – aangevoerd.

In het kader van het vijfde en zesde gratieverzoek hebben in oktober 2012 en januari 2016 ambulante onderzoeken door het NIFP plaatsgevonden. Bij die onderzoeken is de psychische gesteldheid, de delictgevaarlijkheid en de detentiegeschiktheid van eiser onderzocht. Niet valt in te zien waarom het onderzoek door het NIFP in het Pieter Baan Centrum (PBC) zou moeten plaatsvinden en niet ambulant zou kunnen plaatsvinden. Daarnaast zijn er verschillende redenen waarom een onderzoek door het PBC ongewenst is. De maandelijkse onbegeleide verloven zullen tijdens een eventuele opname in het PBC doorgang moeten blijven vinden. Om deze verloven voor te bereiden heeft eiser sinds februari 2019 de beschikking over een mobiele telefoon en een computer met internetverbinding. Daarnaast heeft hij regelmatig via Skype contact met zijn familie in [land] . Verder heeft eiser in het kader van zijn resocialisatie gesprekken met onder meer zijn mentor en met het afdelingshoofd. Het uitgezette resocialisatietraject zal bij opname in het PBC hiervan hinder ondervinden.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De voorzieningenrechter zal in het navolgende allereerst ingaan op de vordering van eiser om de Staat te gebieden het (vervolg)advies van het gerechtshof af te wachten en de vordering om de Staat te gebieden binnen drie maanden het gerechtshof door DJI en het NIFP te laten voorlichten. Daarna zal de voorzieningenrechter ingaan op de vordering van eiser om binnen een maand na het (nadere) advies van het gerechtshof informatie die het noodzakelijk acht voor het beoordelen van het gratieverzoek aan het gerechtshof ter beschikking te stellen. Vervolgens zal de vordering met betrekking tot het doen van een voordracht aan de Kroon worden besproken.

Afwachten van het (vervolg)advies van het gerechtshof

4.2.

Op 13 november 2018 heeft DJI het gerechtshof om nader advies gevraagd, aanvullend op het advies van 1 oktober 2018. Uit de e-mail van 6 november 2018 kan door eiser worden opgemaakt dat DJI dit verzoek heeft gedaan. Dat verzoek was voor eiser ook kenbaar uit de brief van DJI van 19 april 2019. Eiser heeft derhalve geen belang bij de vordering onder 3.1. A.

Voorlichting van het gerechtshof door DJI en NIFP binnen een periode van drie maanden

4.3.

Vast staat dat de verlofverslagen en -beslissingen naar aanleiding van de door eiser vanaf maart tot en met augustus 2018 genoten verloven aan het ressortsparket te Den Haag zijn gestuurd en dat het parket op 6 november 2018 aan eiser heeft bericht dat deze stukken naar het gerechtshof zijn doorgestuurd. In april 2019 is duidelijk geworden dat die stukken niet bij het gerechtshof zijn aangekomen dan wel daar in het ongerede zijn geraakt. DJI heeft voor deze gang van zaken bij brief van 19 april 2019 aan eiser excuses aangeboden en meegedeeld dat de verlofverslagen alsnog zijn doorgezonden naar het gerechtshof met het verzoek om nader advies. De Staat heeft daarmee uitvoering gegeven aan de verplichting alle benodigde informatie aan het gerechtshof te verstrekken en heeft niet onrechtmatig jegens eiser gehandeld. Ter zitting heeft de Staat aangevoerd dat de voorlichting van het gerechtshof door het toezenden van de meest recente verlofverslagen en -beslissingen gedurende de looptijd van het NIFP onderzoek eveneens door DJI zal worden uitgevoerd.

4.4.

Naar aanleiding van de bij eiser bestaande twijfel over de noodzaak van opname in het PBC heeft de Staat ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat met het oog op het recidiverisico, delictgevaarlijkheid en het gedrag en de ontwikkeling van eiser het onderzoek adequater kan plaatsvinden door observatie in het PBC dan door middel van een ambulant onderzoek in de penitentiaire inrichting waar hij thans verblijft, nu observatie een omgeving creëert waarin eiser ‘gewoon gedrag’ moet laten zien. Het is inmiddels algemeen beleid om bij levenslanggestraften in geval van een gratieverzoek een onderzoek in het PBC te laten uitvoeren. De Staat heeft ter zitting toegelicht dat met het door het NIFP uit te voeren onderzoek niet direct in het PBC kan worden gestart in verband met een wachttijd van achttien weken. Volgens informatie van het PBC is in het kader van een zinvol onderzoek een observatieperiode van twaalf weken noodzakelijk. Uit de e-mail van 28 juni 2019 van het NIFP blijkt dat de duur van het onderzoek in het PBC op 30-35 weken wordt geschat, met inachtneming van een wachttijd van 18 weken, een observatieperiode van 12 weken en de tijd voor het opmaken van een rapport. Gelet hierop zal de vordering onder 3.1. B worden afgewezen, nu een termijn van drie maanden niet reëel is en de Staat niet kan worden veroordeeld tot een voorziening waaraan hij geen uitvoering kan geven.

Ontbrekende en noodzakelijke informatie binnen een maand na het advies aan het gerechtshof ter beschikking stellen

4.5.

De voorzieningenrechter volgt de Staat in zijn betoog dat op dit moment niet kan worden overzien om welke (aanvullende) informatie het kan gaan die het gerechtshof nodig heeft en noodzakelijk acht voor het beoordelen van het (zesde) gratieverzoek en hoeveel tijd in redelijkheid met het verzamelen van die informatie kan zijn gemoeid. De Staat heeft toegezegd zich te zullen inspannen om (aanvullende) informatie zo snel mogelijk aan het gerechtshof te verstrekken. Gelet hierop is het niet reëel om hieraan een termijn te verbinden, terwijl nog onduidelijk is wat de aard is van die informatie is. De vordering onder 3.1. C zal eveneens worden afgewezen.

Voordracht aan de Kroon binnen een maand na advies van het gerechtshof

4.6.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Gratiewet kan de minister, indien het uitgebrachte advies daartoe aanleiding geeft, aan het openbaar ministerie en het gerecht nader advies vragen. Het opleggen van een termijn voor een voordracht aan de Kroon ontneemt de minister de ruimte om aan het openbaar ministerie of het gerecht nader advies te vragen. De Staat heeft betoogd dat bij een definitief rechterlijk advies de voordracht in beginsel binnen een maand zijn beslag moet kunnen krijgen. Niet gesteld of gebleken is dat bij eerdere door eiser ingediende gratieverzoeken in dat stadium van de gratieprocedure bij eiser een onaanvaardbare vertraging is opgetreden. De vordering onder 3.1. D zal worden afgewezen.

Conclusie

4.7.

Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen, is niet aannemelijk geworden dat de Staat in strijd met artikel 3 EVRM heeft gehandeld jegens eiser en daarmee onrechtmatig. Ook is niet aannemelijk geworden dat de Staat het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. De Staat heeft het gerechtshof ten behoeve van het nader advies met betrekking tot het gratieverzoek op de door eiser voorgestane wijze geïnformeerd en heeft alle verlofverslagen en –beslissingen aan het gerechtshof toegezonden. Ook heeft de Staat ingestemd met de wens van eiser recente verlofverslagen en -beslissingen aan het gerechtshof toe te zenden en eiser door het NIFP te laten onderzoeken. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen zullen worden afgewezen.

Proceskosten

4.8.

Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente bij niet tijdige betaling. De proceskostenbeslissing zal, zoals de Staat heeft gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, aan de zijde van de Staat tot dusverre begroot op € 1.619, waarvan € 980 aan salaris advocaat en € 639 aan griffierecht;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2019.

CJ