Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7114

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-07-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
AWB 19/754
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nareis Eritrea. Pleegkinderen. Familierechtelijke relatie en identiteit niet aannemelijk gemaakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 19/754

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2019 in de zaak tussen

[naam], eiser,

[naam2], eiseres,

hierna tezamen: eisers,

gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils.

Procesverloop

Eisers hebben op 31 januari 2019 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 januari 2019 (het bestreden besluit).

Op 19 maart 2019 is een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben de rechtbank meegedeeld dat zij toestemming geven voor het met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten zitting afdoen van het beroep. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eisers hebben gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] respectievelijk [geboortedatum2] en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Op 1 juli 2016 is namens hen een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis door [naam3] (referente), die de pleegouder van eisers stelt te zijn. Referente stelt dat eisers haar pleegkinderen zijn, voor wie zij heeft gezorgd sinds het overlijden van hun ouders. Op 20 juli 2017 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen (het primaire besluit).

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eisers hun identiteit en die van hun biologische ouders niet met substantiële indicatieve documenten aannemelijk hebben gemaakt. Hierdoor is de gestelde familierechtelijke relatie tussen eisers en referente niet vast komen te staan.

3. Op wat eisers in beroep hebben aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een verblijfsvergunning asiel worden verleend aan de echtgenoot en de minderjarige kinderen van de vreemdeling aan wie een asielvergunning is verstrekt indien deze op het tijdstip van diens binnenkomst behoorden tot diens gezin en binnen drie maanden zijn nagereisd.

5. Volgens C1/4.4.6. van de Vreemdelingencirculaire 2000 moet de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, van de Vw zijn identiteit en de gestelde familierelatie aannemelijk maken. De vreemdeling doet dit door het overhandigen van een geldig document voor grensoverschrijding, of een ander officieel en door de autoriteiten afgegeven document dat zijn identiteit aantoont, en, indien van toepassing, een document dat de familierechtelijke relatie tussen het kind en de ouders aantoont. Kan een vreemdeling dit niet, dan dient hij aannemelijk te maken dat dit niet aan hem is toe te rekenen.

6. Sinds november 2017 hanteert verweerder een nieuwe vaste gedragslijn voor het beoordelen van nareiszaken.1 Deze houdt – kort weergegeven – in dat verweerder ook andere bewijsmiddelen dan officiële documenten in zijn beoordeling betrekt, ongeacht of er sprake is van bewijsnood. Deze kunnen aanleiding geven tot nader onderzoek. Daarbij wordt in aanmerking genomen of de vreemdeling een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van officiële documenten, of bedoelde andere bewijsmiddelen substantieel bewijs opleveren en of er sprake is van contra-indicaties. De Afdeling2 heeft in haar uitspraak van 16 mei 20183 geoordeeld dat deze nieuwe vaste gedragslijn in overeenstemming is met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.4

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers hun gestelde identiteit niet aannemelijk hebben gemaakt. Dat zij geen officiële documenten hebben overgelegd om hun identiteit aan te tonen, wordt hen in het primaire besluit niet tegengeworpen. Verweerder werpt eisers wel tegen dat zij geen indicatieve documenten hebben overgelegd om hun identiteit of die van hun biologische ouders te onderbouwen. Het staven van de identiteit van de biologische ouders is immers onlosmakelijk verbonden met de - logischerwijs hieraan voorafgaande - beoordeling of dat pleegkind nog behoort tot het gezin van zijn biologische ouders5. Hiervoor moet verweerder onder meer beoordelen of is gestaafd wie de biologische ouders van eisers zijn.

8. Uit het rapport van Bureau Documenten van Bureau Documenten van 29 mei 2017, dat onderdeel uitmaakt van het procesdossier, volgt dat de door eisers overgelegde voogdijaktes en overlijdensaktes van hun biologische ouders met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt zijn. Verder blijkt uit dit rapport dat de legalisatie door het Eritrese Ministerie van Buitenlandse Zaken en de legalisatie door de High Court vals zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van het oordeel van Bureau Documenten, noch aan de wijze van totstandkoming ervan. Anders dan eisers stellen, merkt verweerder terecht op in zijn verweerschrift dat zij bij brief van 1 juni 2017 in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk te reageren op de onderzoeksresultaten van Bureau Documenten. Bij brief van 14 juni 2017 hebben eisers van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De beroepsgrond van eisers dat het rapport van Bureau Documenten van 29 mei 2017 niet aan hen is bekendgemaakt en dat hierdoor sprake is van een ernstig gebrek, slaagt hierom niet.

9. Voorts hebben eisers aangevoerd dat verweerder niet of nauwelijks vragen heeft gesteld over de resultaten van het onderzoeksrapport van Bureau Documenten tijdens de hoorzitting met referente. Nu eisers bij brief van 14 juni 2017 in de gelegenheid zijn gesteld door verweerder om op dit rapport te reageren, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om tijdens de hoorzitting hier wederom vragen over te stellen. Deze beroepsgrond faalt.

10. Nu de onderzoeksresultaten van Bureau Documenten niet met een contra-expertise of andere concrete aanknopingspunten gemotiveerd zijn betwist, heeft verweerder de afwijzing van de mvv terecht op het rapport gebaseerd. Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat eisers hun identiteit niet aannemelijk hebben gemaakt en dat daarmee de familierechtelijke relatie met referente evenmin is komen vast te staan.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van R. Ben Sellam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2019.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 brief 23 november 2017 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten Generaal (Kamerstukken II 2017/18, 19637, nr. 2354).

2 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

3 ECLI:NL:RVS:2018:1508.

4 Richtlijn 2003/86/EG.

5 Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:25, r.o. 5.2.