Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7095

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-05-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
AWB 18/4937
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:2460, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking met terugwerkende kracht van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, inreisverbod van 10 jaar, glijdende schaal, Turks Associatierecht, artikel 59 van het Aanvullend Protocol, standstill-bepaling, unierechtelijk openbare orde criterium, artikel 8 van het EVRM, evenredig en proportioneel, langdurig ingezetene, gezinsherenigingsrichtlijn, hoorplicht, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/4937

[persoonsnummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 mei 2019 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] 1958, van Turkse nationaliteit, eiser

(gemachtigde mr. M.B.J. Strooij),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde mr. J.S.M. Rietveld).

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 26 januari 2012 ingetrokken. Daarnaast heeft verweerder eiser aangezegd dat hij Nederland en de Europese Unie meteen moet verlaten en aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 oktober 2017 kennelijk ongegrond verklaard. Bij bericht van 4 april 2018 heeft verweerder dit besluit ingetrokken. Bij besluit van 18 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard.

Op 3 juli 2018 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig A.A. Priem, tolk in de Turkse taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Achtergrond

1.1.

Eiser is geboren op [geboortedatum] 1958 in Turkije en is op 18-jarige leeftijd naar Nederland gekomen met een visum. Na het verlopen van het visum verbleef hij illegaal in Nederland. Tijdens zijn illegale verblijf is eiser op [datum 1] 1980 te Amsterdam in het huwelijk getreden met zijn Nederlandse partner. Eiser heeft vervolgens op 25 juli 1980 een vergunning tot verblijf bij zijn Nederlandse echtgenote aangevraagd. Op 15 maart 1983 is eiser in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf onder de beperking “verblijf bij Nederlandse echtgenote en het verrichten van arbeid in loondienst gedurende dat verblijf”. Op 4 januari 1985 heeft eiser een zelfstandige vergunning tot verblijf gekregen. Eiser heeft sinds 17 mei 1993, tot de intrekking van zijn verblijfsvergunning, een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd gehad waarbij arbeid vrij is toegestaan.

1.2.

Op 7 april 2016 heeft verweerder zijn voornemen bekend gemaakt om de verblijfsvergunning van eiser in te trekken en hem een inreisverbod op te leggen voor de duur van tien jaren. Eiser heeft op 11 mei 2016 en 10 juli 2016 zijn zienswijze gegeven. Op 7 november 2016 is eiser door verweerder gehoord.

Bestreden besluit

2.1.

Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht ingetrokken tot 26 januari 2012, een terugkeerbesluit uitgevaardigd en hem een inreisverbod van tien jaar opgelegd. Verweerder heeft getoetst aan artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000. Het totaal van de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraffen is hoger dan de norm zoals bedoeld in artikel 3.86, vijfde lid van het Vb 2000, zodat de verblijfsvergunning kan worden ingetrokken. Volgens verweerder is sprake van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van de openbare orde, omdat eiser onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van meerdere misdrijven, te weten:

  • -

    Doodslag ( [datum 2] 2016);

  • -

    Poging tot doodslag ( [datum 2] 2008 en [datum 2] 1997);

  • -

    Diefstal met geweld ( [datum 2] 1995);

  • -

    Diefstal ( [data] );

  • -

    Poging tot zware mishandeling ( [datum 2] 2005);

  • -

    Mishandeling ( [data] );

  • -

    Vernieling ( [data] );

  • -

    Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht ( [data] );

- Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht ( [datum 2] 1997);

  • -

    Huiselijk geweld ( [datum 2] 2011);

  • -

    Wederspannigheid ( [datum 2] 1988);

  • -

    Rijden onder invloed ( [data] );

  • -

    Onbevoegd besturen van een voertuig ( [data] );

  • -

    Het verlaten van plaats na ongeval ( [data] );

  • -

    Eenvoudige belediging van ambtenaar in functie ( [datum 2] 2008).

2.2.

Volgens verweerder kan eiser geen bescherming ontlenen aan artikel 3.86, leden 10, 11 en 15 van het Vb 2000 en leveren de intrekking van de verblijfsvergunning en het zware inreisverbod geen schending op van artikel 8 van het EVRM.1

Turks Associatierecht

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning en het opleggen van het inreisverbod in strijd is met het Associatierecht EEG-Turkije. De aanscherping van artikel 3.86 van het Vb 2000 is in strijd met de standstill-bepaling als neergelegd in artikel 13, van Besluit 1/80. Verder voert eiser aan dat artikel 59 van het Aanvullend Protocol (AP) zich niet verzet tegen toepassing van de standstill-bepaling. Eiser concludeert dat een EU-onderdaan niet minder gunstig zou worden behandeld dan eiser indien de standstill-bepaling onverkort zou worden toegepast.

4. Het juridisch kader is opgenomen in de bijlage en maakt onderdeel uit van deze uitspraak.

5.1.

De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser rechten ontleent aan artikel 13 van Besluit 1/80, omdat hij voldoende geworteld is in Nederland.2 Op grond van artikel 14, eerste lid, van Besluit 1/80 worden de bepalingen van dit deel, waaronder artikel 13 toegepast onder voorbehoud van beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU),3 volgt dat bij de uitleg van artikel 14 van Besluit 1/80 aansluiting moet worden gezocht bij het openbare orde criterium dat geldt voor burgers van de Unie, zoals neergelegd in artikel 27 en artikel 28, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn.4

5.2.

Zoals het HvJ-EU heeft overwogen in het arrest van 8 december 20115 heeft de bescherming die artikel 14 van Besluit 1/80 aan Turkse staatsburgers geeft niet dezelfde betekenis en draagwijdte als de bescherming die krachtens artikel 28, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn aan burgers van de Unie wordt verleend, zodat het stelsel van bescherming tegen verwijdering dat voor laatstgenoemde burgers geldt, niet naar analogie op die Turkse staatsburgers kan worden toegepast. Het HvJ-EU heeft in dat verband van belang geacht dat de doelstelling van de Verblijfsrichtlijn om de uitoefening van het recht van vrij verkeer te vergemakkelijken en te versterken, verschilt van de louter economische doelstelling van de Associatieovereenkomst die zich beperkt tot de geleidelijke totstandbrenging van het vrij verkeer van werknemers. Hoewel artikel 13 van Besluit 1/80 in de weg staat aan de invoering na 1 december 1980 van nieuwe beperkingen met betrekking tot de toegang van Turkse werknemers tot de Nederlandse arbeidsmarkt, verplicht die standstill-bepaling niet tot toepassing van voor Turkse onderdanen in verhouding tot Unieburgers gunstigere regelgeving, hetgeen het geval zou zijn indien de aanscherping van artikel 3.86 van het Vb 2000 niet zou kunnen worden tegengeworpen. Het vorenstaande laat bovendien onverlet dat aan Unieburgers een versterkte waarborg inzake verwijdering kan worden geboden. Voor zover eiser een andere mening is toegedaan is dat dat onvoldoende onderbouwd en ongegrond.

5.3.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank zal dienen te beoordelen of verweerder voldoende heeft onderzocht of het persoonlijke gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. In de uitspraak van 20 november 20156 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) uit het arrest Z.Zh. en I.O. van 11 juni 20157 afgeleid dat, voor zover thans van belang, verweerder bij zijn beoordeling of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, alle feitelijke en juridische omstandigheden moet betrekken die zien op de situatie van de vreemdeling in relatie tot het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Voorts moet verweerder bij zijn beoordeling in acht nemen dat de hiervoor bedoelde feitelijke en juridische gegevens niet noodzakelijkerwijs beperkt zijn tot de gegevens die de strafrechter heeft beoordeeld. Het resultaat van dit onderzoek moet blijken uit de motivering van verweerders besluitvorming. Verder moeten de nationale rechterlijke instanties bij de rechtmatigheidstoetsing van een maatregel tot verwijdering van een Turkse onderdaan ook rekening houden met feiten die zich na het laatste besluit van de bevoegde autoriteiten hebben voorgedaan en die ertoe kunnen leiden dat de actuele bedreiging die het gedrag van de betrokkene voor het betrokken fundamenteel belang zou vormen, verdwijnt of sterk vermindert8.

5.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser, gezien de hoeveelheid en ernst van de door hem gepleegde misdrijven en het recidivegevaar, een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, als bedoeld in het hiervoor genoemde arrest Z.Zh en I.O. De rechtbank overweegt daartoe dat eiser een aanzienlijk strafblad heeft. Hij is veroordeeld voor 43 misdrijven waarvoor hij in totaal 221 maanden gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen. Eiser heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het plegen van ernstige geweldmisdrijven, waaronder een veroordeling op [datum 2] 2015 wegens doodslag. Bij de besluitvorming heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser het leven van het slachtoffer op brute wijze heeft beëindigd. Bij het actualiteitscriterium heeft verweerder van belang mogen achten dat eiser recidivist is en dat in de periode na de pleegdatum van [datum 2] 2012 niet is gebleken dat eiser heeft geleerd van zijn straffen. Daar komt bij dat evenmin gebleken is dat eiser, als hij eenmaal buiten de gevangenis is, niet wederom ernstige misdrijven zal plegen. Daarbij heeft verweerder betrokken dat eiser 32 jaar drankmisbruik achter de rug heeft en in het verleden vaak onder invloed van alcohol misdrijven heeft gepleegd. Verweerder heeft zich daarom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat eiser in detentie geen alcohol meer drinkt onvoldoende is om de bedreiging van de openbare orde weg te nemen. Tegen die achtergrond is de conclusie gerechtvaardigd dat er geen overtuigende aanwijzingen zijn die duiden op een positieve gedragsverandering.

5.5.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op artikel 13 van Besluit 1/80. Er is geen sprake van een verboden nieuwe beperking.

Toepassing van de glijdende schaal van 31 juli 2010

6.1.

Eiser stelt zich primair op het standpunt dat de in het bestreden besluit gehanteerde definitie van verblijfsduur geen steun vindt in de definitie van artikel 3.86, zesde lid, van het Vb 2000. Het bestreden besluit is daarom ook in strijd met dit artikel. Subsidiair stelt eiser dat in de beslispraktijk van verweerder niet conform de Werkinstructie 2018/21 (werkinstructie) wordt gehandeld.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder een juiste toepassing en invulling heeft gegeven aan artikel 3.86, zesde lid, van het Vb 2000. Weliswaar is verweerder in het bestreden besluit niet heel uitgebreid ingegaan op eisers bezwaargrond dat in strijd is gehandeld met artikel 3.86, zesde lid, van het Vb 2000, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het oorspronkelijk ingenomen standpunt in zijn verweerschriften en ter zitting voldoende verduidelijkt. Volgens de werkinstructie, gelezen in samenhang met artikel 3.86, zesde lid, van het Vb 2000, wordt tot de verblijfsduur gerekend de duur van het rechtmatige verblijf, direct voorafgaand aan het plegen of aanvangen van het misdrijf. Indien de vreemdeling meer dan één misdrijf heeft gepleegd wordt tot de verblijfsduur gerekend het aantal jaren verblijf op grond van een verblijfsvergunning, voorafgaand aan het misdrijf dat maakt dat de verblijfvergunning op grond van de van toepassing zijnde glijdende schaal kan worden ingetrokken. In dit geval heeft verweerder ten aanzien van de einddatum van eisers verblijfsduur gerekend tot de datum van feitelijke veroordeling in plaats van de pleegdatum van het vijfde delict. Naar het oordeel van de rechtbank behoeft hieraan geen consequentie te worden verbonden, omdat de veroordelingsdatum noodzakelijkerwijs volgt op de pleegdatum van het misdrijf. Het betoog van eiser dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3.86, elfde lid, van het Vb 2000, zoals deze luidde ten tijde van de gepleegde misdrijven, volgt de rechtbank niet. In het verweerschrift van 10 december 2018 heeft verweerder voldoende toegelicht dat, ook als uitgegaan zou moeten worden van een rechtmatig verblijf sinds 25 juli 1980, eiser op 15 maart 1995 nog geen vijftien jaar rechtmatig verblijf had. Daarom is hoe dan ook geen sprake van strijd met artikel 3.86, elfde lid, van het Vb 2000 zoals dat ten tijde van de gepleegde misdrijven gold.

6.3.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder de juiste intrekkingsdatum heeft gehanteerd. Uit de werkinstructie volgt dat in dit geval de verblijfsvergunning wordt ingetrokken per pleegdatum van het misdrijf dat maakt dat de aangescherpte glijdende schaal van toepassing is. Op [datum 2] 2012 maakte eiser zich schuldig aan doodslag, waarvoor hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaren. Om deze reden heeft verweerder toepassing mogen geven aan de aangescherpte glijdende schaal van 31 juli 2010. Het betoog van eiser dat de handelwijze van verweerder in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, volgt de rechtbank dan ook niet.

6.4.

De rechtbank volgt evenmin het subsidiaire standpunt van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank is genoegzaam gebleken dat verweerder heeft gehandeld conform de werkinstructie. Eiser heeft met de overgelegde jurisprudentie onvoldoende aangetoond dat de handelwijze van verweerder in strijd is met voornoemde werkinstructie.

7.1.

Eiser stelt zich vervolgens op het standpunt dat zijn verblijfsrecht niet met terugwerkende kracht kon worden ingetrokken, omdat hij onder de werking van artikel 6 van Besluit 1/80 valt. In dit kader verwijst hij naar een uitspraak van de Afdeling van 26 september 2016 en het daarin genoemde arrest Unal van 29 september 2011.9 Intrekking van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht onder het Associatierecht kan enkel bij geconstateerde fraude en verplaatsing hoofdverblijf. Dat is hier niet aan de orde, aldus eiser.

7.2.

De rechtbank volgt het betoog van eiser niet. Weliswaar is het juist dat in beginsel alleen in gevallen van fraudeleus handelen of verplaatsing van het hoofdverblijf een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht mag worden ingetrokken als iemand rechten kan ontlenen aan artikel 6 van Besluit 1/80, maar een inbreuk op deze rechten is eveneens gerechtvaardigd als wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 14 van Besluit 1/80. In dit artikel is immers bepaald dat de bepalingen van onder andere artikel 6 van Besluit 1/80 worden toegepast onder voorbehoud van beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Van een situatie als bedoeld in artikel 13 van Besluit 1/80 is, zoals hiervoor onder 5.5. overwogen, geen sprake. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Artikel 8 van het EVRM

8.1.

Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)10 en van de Afdeling11 moet bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven een "fair balance" worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een "fair balance". Deze maatstaf impliceert een enigszins terughoudende toetsing. Met betrekking tot het recht op eerbiediging van het privéleven overweegt de rechtbank dat hierbij dient te worden getoetst aan de “guiding principles”, zoals geformuleerd door het EHRM in de arresten van 2 augustus 200112 en 18 oktober 2006.13

8.2.

Eiser heeft betoogd dat het bestreden besluit ook in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Volgens eiser is ten aanzien van het familieleven met zijn [dochter] niet het juiste criterium gebruikt. Ten aanzien van eisers privéleven is verweerder ten onrechte uitgegaan van een rechtmatig verblijf van 34 jaar en verweerder heeft ten onrechte niet de periode van onrechtmatig verblijf voorafgaand aan eisers rechtmatig verblijf bij de besluitvorming betrokken. Voorts is door verweerder in dit kader ten onrechte overwogen dat eiser in Turkije weer een leven kan opbouwen. Niet kenbaar betrokken is dat eiser in Turkije niet kan terugvallen op enig sociaal netwerk. Om deze redenen is de belangenafweging ondeugdelijk, aldus eiser.

8.3.

De rechtbank stelt vast dat verweerder alle relevante en door eiser gestelde belangen heeft betrokken bij de beoordeling of zich een schending van artikel 8 van het EVRM voordoet. Verweerder heeft deze belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen. Verweerder heeft daarbij veel gewicht mogen toekennen aan het belang van de openbare orde, omdat eiser bij herhaling, en ook recentelijk nog, is veroordeeld wegens ernstige misdrijven. De rechtbank verwijst in dit kader naar de motivering van verweerder op pagina 5 tot en met 8 van het primaire besluit en pagina 9 en 10 van het bestreden besluit. De rechtbank merkt daarbij op dat verweerder eiser in het gelijk heeft gesteld wat betreft het beoordelingscriterium ten aanzien van [dochter] . Verweerder heeft vervolgens voldoende gemotiveerd dat de inmenging in het familieleven tussen eiser en zijn dochter gerechtvaardigd is. Het betoog van eiser slaagt daarom niet.

Evenredigheid en proportionaliteit

9.1.

Eiser heeft verder betoogd dat het bestreden besluit onevenredig en disproportioneel is. Daartoe voert eiser aan dat hij zich in 1976 op 18-jarige leeftijd in Nederland heeft gevestigd en dat hij hier inmiddels al ruim 41 jaar verblijft. Eiser heeft in Turkije geen familie, vrienden of kennissen die hem zouden kunnen ondersteunen bij zijn re-integratie.

9.2.

De rechtbank volgt het betoog van eiser niet. Verweerder is naar het oordeel van de rechtbank op pagina 8 van het bestreden besluit voldoende adequaat ingegaan op de bezwaargrond van eiser dat het bestreden besluit onevenredig en disproportioneel zou zijn. In dit kader heeft verweerder zwaar gewicht mogen toekennen aan het belang van de openbare orde.

Langdurig ingezetene richtlijn en de gezinsherenigingsrichtlijn

10. Eiser heeft ook betoogd dat het bestreden besluit in strijd is met de richtlijn voor Langdurig ingezetene14 en de Gezinsherenigingsrichtlijn.15 De rechtbank volgt hem hierin niet. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat het beroep op deze richtlijnen niet kan slagen. De rechtbank verwijst hiervoor naar pagina 7 en 8 van het bestreden besluit en pagina 1 en 2 van het verweerschrift van 18 januari 2019. Met name is van belang dat eiser nooit de status van langdurig ingezetene heeft verkregen en dat eiser zich niet kan beroepen op artikel 3 van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Hoorplicht

11. Ten aanzien van de volgens eiser geschonden hoorplicht in de bezwaarprocedure overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn de voorwaarden opgenomen waaronder, in afwijking van de in artikel 7:2 van de Awb neergelegde hoofdregel, door het bestuursorgaan van het horen kan worden afgezien. Dat is slechts mogelijk indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit en dat wat eiser daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank aan de voorwaarden genoemd in artikel 7:3 van de Awb voldaan. Eiser heeft zijn standpunten in bezwaar voldoende naar voren kunnen brengen. Bovendien is eiser gehoord naar aanleiding van zijn zienswijze. Het feit dat een toets in het primaire besluit ten aanzien van de dochter aanvankelijk een onjuist criterium is gehanteerd maakt dit niet anders. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt in zijn verweerschrift van 10 december 2018 heeft eiser geen relevante stukken overgelegd dan wel anderszins zijn arbeidsverleden en het familie- en gezinsleven met zijn [dochter] onderbouwd. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.

Conclusie

12. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.G. Vos, voorzitter, mr. V.F.J. Bernt en mr. A.J. Dondorp, leden, in aanwezigheid van mr. S.M. Koning, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2019.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

BIJLAGE – Juridisch kader

Turks Associatierecht

Artikel 13

De Lid-Staten van de Gemeenschap en Turkije mogen geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.

Artikel 14

1. De bepalingen van dit deel worden toegepast onder voorbehoud van beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid.

2. Zij doen geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit nationale wetgevingen of uit bilaterale overeenkomsten tussen Turkije en de Lid-Staten van de Gemeenschap, voor zover daarbij voor hun onderdanen een gunstiger regeling is vastgesteld.

Artikel 59 van het Aanvullend Protocol

Ingevolge artikel 59 van het Aanvullend Protocol mag, op de onder dit protocol vallende gebieden, de behandeling van Turkse onderdanen niet gunstiger zijn dan die welke de lidstaten elkaar toekennen krachtens het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap

1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

2 Vergelijk het arrest Abatay en Sahin van 21 oktober 2003, van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2003:572.

3 Zie onder meer het arrest van 10 februari 2000, Nazli tegen Duitsland, C-340/97 (www.curia.europa.eu).

4 Richtlijn 2004/38.

5 Het arrest Nural Ziebell tegen Duitsland, C-371/08.

6 ECLI:NL:RVS:2015:3579.

7 ECLI:EU:C:2015:377.

8 Zie het arrest van 11 november 2004, Cetinkaya tegen Duitsland, C-467/02.

9 ECLI:NL:RVS:2016:2658 en ECLI:EU:C:2011:623.

10 Zie bijvoorbeeld het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99 (www.echr.coe.int).

11 Zie bijvoorbeeld een uitspraak van 29 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:279.

12 inzake Boultif tegen Zwitserland (nr. 54273/00).

13 inzake Üner tegen Nederland (nr. 46410/99).

14 Richtlijn 2003/109.

15 Richtlijn 2003/86.