Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:7047

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2019
Datum publicatie
15-07-2019
Zaaknummer
NL19.10972
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde asielaanvraag. Gestelde homoseksuele gerichtheid. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.10972

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2019

in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Pals),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Schoot).


Procesverloop
Bij besluit van 10 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.10973, plaatsgevonden op 17 juni 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt voorop dat eiser drie keer eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend. De eerste is niet in behandeling genomen, de tweede afgewezen als ongegrond en de derde is niet-ontvankelijk verklaard. Deze besluiten staan vast. In de tweede en derde procedure heeft eiser zijn gestelde homoseksuele gerichtheid ingebracht en daarom staat ook vast dat hij deze toen niet aannemelijk heeft gemaakt. Aan de huidige (vierde) aanvraag legt hij opnieuw zijn seksuele gerichtheid ten grondslag.

1.1

Eiser stelt dat hij zich vanwege zijn seksuele gerichtheid en omdat hij daarom was gevlucht verantwoordelijk voelde voor de slechte situatie waarin zijn familie zich bevond. Recent heeft eiser het contact met zijn familie hersteld en omdat toen bleek dat zij het goed maken, voelt eiser zich nu minder schuldig. Daardoor kan hij nu trots zijn op wie hij is en eindelijk openlijk uitkomen voor zijn gerichtheid. Eiser is daarover door verweerder gehoord en daar is een verslag van gemaakt. Eiser heeft een verslag over zijn eigen ontwikkeling als homoseksuele man overgelegd. Dit verslag is gemaakt door zijn vrienden [vrienden eiser] , bij wie eiser woont. Ook heeft eiser meerdere verklaringen van derden overgelegd die zijn homoseksuele gerichtheid onderschrijven.

2. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser zijn gestelde homoseksuele gerichtheid niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft dus geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd die relevant kunnen zijn voor de beoordeling daarvan, aldus verweerder.

3. De toets van de rechter is in deze zaak beperkt tot de vraag of verweerder terecht tot de conclusie is gekomen dat eiser, kort gezegd, niets nieuws dat relevant kan zijn heeft aangevoerd sinds zijn vorige asielprocedures. Als geen sprake is van ‘nieuwe elementen of bevindingen die relevant kunnen zijn voor het beoordelen van de aanvraag’ mag verweerder volstaan met die vaststelling en hoeft de asielaanvraag niet integraal te worden beoordeeld. Aangezien eiser aan de huidige aanvraag alleen zijn homoseksuele gerichtheid ten grondslag legt, is het aan verweerder om te beoordelen of hij nu met nieuw en relevant ‘bewijs’ van deze gerichtheid komt. Het onderzoek naar de geloofwaardigheid van een homoseksuele gerichtheid is echter niet eenvoudig. Verweerder moet daarom rekening houden met de omstandigheid dat het voor eiser niet mogelijk is om met sluitend bewijs aannemelijk te maken dat hij homoseksueel gericht is, terwijl de enkele stelling dat hij dat is, ook niet voldoende is. De rechtbank houdt hier ook rekening mee, maar de beoordeling is dus beperkt tot wat nieuw en relevant is sinds de vorige asielprocedures.

4. In het gehoor dat verweerder met eiser houdt, is het eisers verantwoordelijkheid om zijn gerichtheid aannemelijk te maken. Hoewel verklaringen van derden relevant kunnen zijn, mag verweerder in zijn onderzoek de nadruk leggen op wat eiser zelf kan vertellen over zijn gerichtheid. Volgens vaste rechtspraak mag verweerder van eiser, iemand die afkomstig is uit een land waar men een homoseksuele gerichtheid niet accepteert en waar dit mogelijk strafbaar is gesteld, verwachten dat bij hem sprake zal zijn van een (denk)proces waarin hij zich onder andere voor de vraag gesteld ziet wat het betekent om anders te zijn dan wat de maatschappij (en de wet) verwacht en op welke wijze hij daaraan invulling wil en kan geven. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een seksuele gerichtheid mag verweerder daarom, ook volgens vaste rechtspraak, de nadruk leggen op het proces van ontdekking van de gerichtheid en de wijze waarop eiser verklaart daarmee te zijn omgegaan.

5. Eiser voert in zijn beroepsgronden aan dat verweerder onzorgvuldig te werk is gegaan tijdens het gehoor. Eiser stelt namelijk dat uit het verslag van het gehoor duidelijk blijkt dat hij en de hoormedewerker van verweerder elkaar niet goed hebben begrepen. Ook heeft verweerder de ‘samenwerkingsplicht’ geschonden, door enkel te vragen naar wat er is veranderd sinds het afronden van de vorige asielprocedures. Volgens eiser had hij actief bevraagd moeten worden over persoonlijke beleving, zijn eigen ervaringen en de situatie in het land van herkomst voor mensen met een homoseksuele gerichtheid. Los van de zorgvuldigheid van het gehoor voert eiser aan dat hij zijn gestelde homoseksuele gerichtheid wel degelijk aannemelijk heeft gemaakt en dat verweerder dit niet heeft onderkend. Eiser heeft uitgebreid verklaard over de voortgaande ontwikkeling die hij heeft doorgemaakt na het contact met zijn familie. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij een besluit heeft genomen om openlijk voor zijn seksuele gerichtheid uit te komen en trots te zijn. Verder heeft eiser de aard en diepgang van zijn contacten uitvoerig toegelicht. Deze en andere verklaringen worden ook nog ondersteund door de documenten die hij overlegt, terwijl verweerder die niet in samenhang weegt. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 juni 20171 waaruit volgt dat verklaringen afkomstig uit niet-objectieve bronnen, niet daardoor al geen of onvoldoende bewijskracht hebben.

5.1

De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij een opvolgende asielaanvraag maar in beperkte mate verplicht is om eiser te ondersteunen bij het vergaren van informatie, de samenwerkingsplicht. Van eiser mag namelijk worden verwacht dat hij alle redenen waarom hij voor een asielvergunning in aanmerking zou komen, al bij zijn eerste aanvraag naar voren brengt. Verweerders rol is daarom in dit geval beperkt tot het in staat stellen van eiser om zijn verhaal te doen. Dat betekent dat verweerder eiser, strikt genomen, niet actief heeft hoeven bevragen over specifieke thema’s (hoewel dit wel is gebeurd, zie hierna onder 5.2) als zijn persoonlijke beleving, zijn eigen ervaringen en de situatie in het land van herkomst voor mensen met een homoseksuele gerichtheid.

5.2

Uit het verslag van het gehoor blijkt dat verweerder eiser uitgebreid in staat heeft gesteld om zijn verhaal te doen. Eiser wilde meteen zijn gehele verhaal opnieuw vertellen, maar anders dan eiser aanvoert, heeft de hoormedewerker eiser er terecht een paar keer op gewezen dat het van belang is om nieuwe elementen naar voren te brengen. Dit betekent niet dat eiser is tegengewerkt, of dat de medewerker hem niet goed heeft begrepen. De hoormedewerker wijst daarmee op een gevolg van het feit dat de uitkomst van de vorige asielprocedures onherroepelijk vaststaat, zoals hierboven onder 3 ook wordt uitgelegd. Eiser stond er echter op dat hij zijn hele verhaal zou vertellen en kreeg daar ook de kans toe, ondanks dat een groot deel daarvan al eerder was beoordeeld. Mede door gerichte vragen van de hoormedewerker komen later tijdens het gehoor ook eisers huidige contacten, activiteiten en de door hem overgelegde documenten ter sprake.

5.3

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk gemaakt dat eiser en de hoormedewerker elkaar niet goed hebben begrepen, of dat deze hem actiever had moeten bevragen tijdens het gehoor. De hoormedewerker was niet verplicht om eiser hierin meer te sturen dan hij heeft gedaan. Uit het verslag van gehoor blijkt dat de gehoormedewerker juist zijn best heeft gedaan om eisers gedachten tijdens het gehoor te richten op wat het meest van belang is voor het eventueel inwilligen van deze opvolgende aanvraag. Als tijdens een gehoor duidelijk wordt dat iemand hierin niet slaagt, hoeft hij niet oneindig worden bevraagd, het blijft namelijk aan diegene om zijn gerichtheid aannemelijk te maken. Verweerder heeft daarom zijn samenwerkingsplicht niet geschonden en is niet onzorgvuldig te werk gegaan. De volgende vraag is of verweerder terecht tot de conclusie komt dat eiser onvoldoende heeft verklaard over zijn gestelde homoseksuele gerichtheid.

5.4

Zoals hierboven onder 3 al staat, mag verweerder volstaan met een beoordeling van wat nieuw is aan de huidige aanvraag. De toets van de rechtbank is in dit geval ook daartoe beperkt. Hoewel eiser tijdens het gehoor behoorlijk veel over zichzelf heeft verteld, wijst verweerder er terecht op dat veel daarvan al in een vorige procedure aan de orde is gekomen. Nieuw is dat eiser het contact met zijn familie heeft hersteld en daardoor nu trots kan zijn op wie hij is en openlijk kan uitkomen voor zijn gerichtheid. Hij heeft dit weliswaar verteld, maar zoals hierboven onder 4 is uitgelegd, mag verweerder de nadruk leggen op het proces van ontdekking van de gerichtheid en de wijze waarop eiser verklaart daarmee te zijn omgegaan.

5.5

Tijdens de zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde van eiser uitgelegd dat juist het eerder naar voren gebrachte verhaal over zijn familie en de relatie met [vriend] van belang is voor de huidige aanvraag, omdat alleen daaruit het hervonden contact en het belang daarvan voor eisers zelfbeeld kan worden begrepen. Eiser heeft inderdaad tijdens het gehoor verteld hoe zijn schuldgevoel ten opzichte van zijn familie nu voor een belangrijk deel is verdwenen. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich desondanks terecht op het standpunt dat dit onvoldoende is, omdat van eiser mag worden verwacht dat hij niet enkel vertelt over deze aanleiding om meer in de openbaarheid te treden met zijn gerichtheid, maar (zie hierboven onder 4 en 5.4) juist ook dat hij kan verklaren over het proces van ontdekking van zijn gerichtheid en de wijze waarop hij daarmee omgaat. Verweerder wijst er terecht op dat de verklaringen van eiser juist op deze cruciale thema’s oppervlakkig blijven en geen antwoord geven op de vraag of het herstelde contact met de familie een (denk)proces in gang heeft gezet. Zelfs als eiser niet oppervlakkig zou hebben verklaard over het schuldgevoel dat nu niet meer zo zwaar op hem zou drukken, voldoet hij daarmee nog niet aan wat verweerder van hem mag verwachten. Verweerder mag van eiser verwachten dat hij meer kan verklaren over zijn eigen ervaringen en persoonlijke beleving.

5.6

Eiser voert verder aan dat hij wel duidelijk over de aard en diepgang van zijn huidige contacten met andere homoseksuele mannen heeft verklaard. Eiser stelt dat deze contacten nieuw zijn in die zin dat de contacten van geheel andere aard zijn dan eerder. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit ook niet als nieuw of relevant heeft hoeven aan te merken. Verweerder wijst er namelijk terecht op dat eiser in eerdere procedures ook heeft verklaard dat hij vriendschappen heeft gesloten en onder meer bijeenkomsten van het COC bezoekt. Nieuw is alleen dat eiser nu stelt enkele jongens leuk te hebben gevonden en verliefd te zijn geweest. Maar het daadwerkelijke contact met hen was beperkt tot een korte kennismaking of zelfs alleen maar kijken op een afstandje. Dat is misschien nieuw, maar verweerder hoeft daar vanwege de beperkte relevantie geen doorslaggevende waarde aan te hechten in die zin dat eiser hiermee nu wel zijn homoseksuele gerichtheid aannemelijk kan maken.

5.7

Het verslag van [vrienden eiser] en de verklaringen van anderen die dit onderschrijven, zijn door verweerder betrokken in de beoordeling. Anders dan eiser stelt, zijn deze wel degelijk in samenhang met de verklaringen van eiser gewogen door verweerder. De reden dat verweerder de stukken niet relevant genoeg vindt, is gelegen in wat hierboven onder 4 is uitgelegd. Verweerder mag de nadruk leggen op wat eiser zelf kan vertellen over zijn gerichtheid en hoeft wat anderen daarover verklaren alleen in het licht daarvan mee te nemen. Zoals hierboven ook is overwogen, heeft eiser onvoldoende verklaard over zijn eigen ervaringen en persoonlijke beleving. Dan mag verweerder zijn oordeel daarop baseren. Verder heeft verweerder er ter zitting terecht op gewezen dat in eerdere procedures ook verklaringen van derden met dezelfde strekking zijn overgelegd. Verweerder wijst er bovendien terecht op dat uit de verklaringen van vrienden en kennissen die het verslag onderschrijven niet blijkt waarop deze overtuiging is gebaseerd. Eisers verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2017 stuit op het voorgaande af.

6. Verweerder komt daarom terecht tot de slotsom dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn huidige asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd die relevant kunnen zijn voor de beoordeling daarvan. Verweerder heeft de aanvraag dan ook niet-ontvankelijk mogen verklaren.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Bos, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.F. van den Brink, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op 1 juli 2019.

griffier

rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 ECLI:NL:RVS:2017:1539.