Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6958

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-07-2019
Datum publicatie
29-07-2019
Zaaknummer
C/09/545568 / HA RK 18-1
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoekster voldoet aan de uitzonderingsbepaling van art. 15 lid 2 onder b RWN. Ondanks de vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit heeft verzoekster de Nederlandse nationaliteit niet verloren, zodat ook haar dochter de Nederlandse bezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: HA RK 18-1

Zaaknummer: C/09/545568

Datum beschikking: 11 juli 2019

Beschikking op het op 29 december 2017 ingekomen verzoekschrift van:

[X] ,

verzoekster,

tevens optredend in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige:

[minderjarige] (hierna: [minderjarige] ),

wonende te [woonplaats] , Swaziland,

advocaat mr. dr. J.B. Bierbach te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verder te noemen “de IND”),

zetelende te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. R.Y. Reckers.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief van 15 februari 2018, met bijlage, van de IND;

- de brieven van 18, 20 en 23 april 2018, met bijlagen, van de zijde van verzoekster;

- de brief van 23 juli 2018 van de IND;

- de conclusie van de officier van justitie van 31 december 2018;

- de brief van 11 januari 2019, met bijlagen, van de zijde van verzoekster.

Op 22 januari 2019 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van verzoekster en mr. R.Y. Reckers namens de IND. Verzoekster is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter terechtzitting verschenen.

De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de mondelinge behandeling.

Na de zitting zijn ingekomen:

- de brief van 19 februari 2019, met bijlage, van de zijde van verzoekster

- de brief van 20 maart 2019, met bijlage, van de zijde van verzoekster;

- de brief van 15 april 2019 van de IND.

Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoekster en van [minderjarige] ex artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).

De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.

De officier van justitie heeft bij voormelde conclusie medegedeeld zich aan te sluiten bij het standpunt van de IND.

Feiten

- Verzoekster is op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] geboren uit twee Nederlandse ouders. Door afstamming verkreeg zij bij geboorte de Nederlandse nationaliteit.

- Vanaf oktober 1981 heeft verzoekster steeds periodes (met haar ouders) in Swaziland verbleven en is zij tussentijds ook telkens voor enige tijd teruggekeerd naar Nederland.

- Uit het overgelegde uittreksel uit het Register Niet Ingezetenen (|RNI) volgt dat verzoekster vanaf 25 augustus 1988 weer in Nederland is gevestigd en dat zij op 18 november 1994 weer is opgenomen in het RNI vanwege verblijf in Swaziland.

- Op [huwelijksdatum] 2003 is verzoekster te [woonplaats] , Swaziland, gehuwd met [echtgenoot van X] , van Britse nationaliteit.

- Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren:

- [jong-meerderjarige] , op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , Swaziland, en

- [minderjarige] , op [geboortedatum] 2004 te [woonplaats] , Swaziland.

- Uit een “Certificate of Registration as a citizen of Swaziland” blijkt dat verzoekster en haar echtgenoot op grond van Section 9 van de Swaziland Citizenship Act hebben verzocht om verkrijging van de nationaliteit van Swaziland. Zij hebben die nationaliteit verkregen op 22 februari 2005.

- Op 23 juni 2015 heeft verzoekster te [plaatsnaam] , Mozambique, een aanvraag ingediend voor verstrekking van een Nederlands paspoort. Deze aanvraag is namens de Minister van Buitenlandse Zaken bij besluit van 5 oktober 2015 niet in behandeling genomen.

Beoordeling

Verzoekster stelt dat zij vanaf haar geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit en die nooit heeft verloren. Zij beroept zich er op dat voor haar de uitzonderingsregel van artikel 15 lid 2 onder b RWN geldt. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij op 8 oktober 1981 met haar ouders naar Swaziland is geëmigreerd en daar voor tenminste vijf aaneengesloten jaren haar hoofdverblijf heeft gehad. In de periodes dat zij gedurende haar minderjarigheid, na

8 oktober 1981 in Nederland verbleef, had haar vader, die als zendeling in Swaziland werkte en om die reden met zijn gezin in Swaziland was gaan wonen, verlof. Wanneer het gezin in Nederland was, moesten zij zich (verplicht) inschrijven in de Nederlandse bevolkingsregistratie. Tijdens die periodes van verblijf in Nederland bleef het centrum van de activiteiten van (het gezin van) verzoekster in Swaziland. De periodes in Nederland waren relatief kort en ze hadden dus kenmerken van een vakantie. Het gezin had in Nederland geen eigen woning en de woning in Swaziland werd tijdens de periode van verblijf in Nederland door haar ouders aangehouden teneinde daar na het verlof in Nederland weer terug te keren. Verzoekster stelt dat het onredelijk is om die korte onderbrekingen van hoofdverblijf in Swaziland aan haar tegen te werpen.

De IND deelt het standpunt van verzoekster niet en verwijst daartoe onder meer naar de Handleiding voor de toepassing van de RWN en artikel 1 lid 1 onder h RWN, die een toelichting geven op het begrip hoofdverblijf. De IND voert aan dat de periodes waarin verzoekster vanaf 8 oktober 1984 in Nederland verbleef, steeds langer dan zes maanden waren. Dat de periodes van verblijf in Nederland zo lang waren, was niet gelegen buiten de schuld van de ouders van verzoekster of van verzoekster en er was steeds sprake van een duurzaam verblijf in Nederland. Volgens de Nederlandse bevolkingsregistratie verbleef verzoekster in de periode van 8 oktober 1981 tot 8 oktober 1984 en van 19 september 1985 tot 25 augustus 1988 (derhalve niet langer dan telkens drie aaneengesloten jaren) in Swaziland. Verzoekster heeft gedurende haar minderjarigheid dus nooit een onafgebroken periode van vijf jaren in Swaziland haar hoofdverblijf gehad en voldoet niet aan de uitzondering op de verliesgrond van artikel 15 lid 2 onder b RWN, terwijl ook niet wordt voldaan aan de onderdelen onder a en c van dat artikel, aldus de IND.

De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens artikel 15 lid onder a RWN gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit. Vast staat dat verzoekster 22 februari 2005, op haar verzoek en derhalve vrijwillig, de nationaliteit van Swaziland verkreeg en daarmee in beginsel haar Nederlandse nationaliteit verloor.

Artikel 15 lid 2 RWN noemt een drietal uitzonderingen waarbij de vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit toch niet leidt tot verlies van het Nederlanderschap.

In geschil is of één van deze uitzonderingen zich voordoet, in die zin dat verzoekster tijdens haar minderjarigheid gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaar in Swaziland haar hoofdverblijf heeft gehad, zoals bedoeld in artikel 15 lid 2 sub b RWN.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN wordt hoofdverblijf buiten Nederland in ieder geval aangenomen als een persoon meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van zes maanden het gevolg is van buiten zijn schuld gelegen omstandigheden (te denken valt aan de situatie waarbij de persoon kan aantonen dat de overschrijding van die termijn te wijten is aan een ziekenhuisopname of een natuurramp). Hoofdverblijf buiten Nederland wordt volgens de Handleiding ook aangenomen wanneer voor het derde achtereenvolgende jaar meer dan vier achtereenvolgende maanden buiten Nederland is verbleven, tenzij aannemelijk is gemaakt dat het centrum van de activiteiten niet naar het buitenland is verlegd.

Vast staat dat de hoofdverblijfplaats van verzoekster tijdens haar minderjarigheid vanaf oktober 1981 tot in ieder geval oktober 1984 in Swaziland was gelegen. Ook vast staat dat dit in de periode vanaf september 1985 tot augustus 1988 het geval was. De vraag is of het tussentijds verblijf in Nederland van oktober 1984 tot september 1985 moet worden gezien als een onderbreking van dit hoofdverblijf. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en motiveert dit oordeel als volgt.

De rechtbank stelt vast dat het verblijf van (het ouderlijk gezin van) verzoekster in Swaziland steeds voor een periode van ongeveer drie jaar was en dat daarna steeds voor een van te voren onbepaalde en uiteindelijk relatief korte periode in Nederland werd verbleven. Dit patroon blijkt ook uit de inschrijving van verzoekster en haar ouders in de Nederlandse bevolkingsregistratie, waarbij op de persoonskaarten van de ouders bij de inschrijving in Nederland op 8 oktober 1984 expliciet is vermeld “met verlof”. Het verblijf in Nederland had te maken met de (financiering van de) activiteiten van de vader van verzoekster als zendeling in Swaziland. De vader van verzoekster beschrijft deze periode(s) als verplicht verlof met het doel het zendingswerk meer bekendheid te geven, om zo individuele giften te genereren. De duur van het verblijf van verzoekster en haar ouderlijk gezin in Nederland was tevoren niet te voorspellen, maar hing af van een buiten de invloedssfeer van (het ouderlijk gezin van) verzoekster gelegen omstandigheid, te weten de snelheid waarmee derden voldoende giften zouden doen om het familiebestaan en zendingswerk in Swaziland weer voor geruime tijd te kunnen financieren. In de periodes in Nederland verbleef het gezin niet in een eigen woning, mocht de vader van verzoekster geen betaald werk verrichten en werd er geen kinderbijslag ontvangen. Om de drie maanden moest het gezin zich in Nederland verplaatsen naar een ander adres, er werden adressen van familie en vrienden opgegeven om voor de Nederlandse overheid bereikbaar te zijn. Verzoekster werd geweigerd door verschillende lagere en middelbare scholen. De woning in Swaziland werd steeds aangehouden omdat daar steeds weer naar werd teruggekeerd; dit was de vaste basis van het gezin. De rechtbank is gelet daarop en mede in ogenschouw nemend de overigens in voldoende mate onderbouwde en niet betwiste verklaringen van verzoekster en haar vader over de wijze waarop het verblijf van het gezin van verzoekster in Nederland vorm had, van oordeel dat het hoofdverblijf van verzoekster tijdens haar minderjarigheid, vanaf oktober 1981, voor tenminste vijf aaneengesloten jaren in Swaziland gelegen was en dat er geen sprake is van een onderbreking van dat hoofdverblijf in de zin van voormeld artikel 15, lid 2 onder b van de RWN. Het doel van het tussentijds verblijf in Nederland was steeds en slechts om terug te keren naar Swaziland, waar verzoekster een vaste verblijfplaats had en de vader zijn bezigheden als zendeling. Dat het verblijf in Nederland tussentijds langer dan zes maanden duurde kan er naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet toe leiden dat de hoofdverblijfplaats niet langer in Swaziland was. Vast staat immers ook dat er in ieder geval in drie achtereenvolgende jaren meer dan vier achtereenvolgende maanden buiten Nederland is verbleven. Volgens de Handleiding zou dit tot de conclusie moeten leiden dat sprake is van vestiging van hoofdverblijf buiten Nederland, te meer nu de rechtbank vast stelt dat het centrum van de activiteiten van (het gezin van) verzoekster naar Swaziland was verlegd. Het enkele feit dat het tussentijds verblijf in Nederland langer dan zes maanden heeft geduurd verandert dat in dit geval niet.

Verzoekster voldoet daarmee naar het oordeel van de rechtbank aan de uitzonderingsbepaling als vermeld in artikel 15 lid 2 onder b RWN, hetgeen er toe leidt dat voor haar de Nederlandse nationaliteit, ondanks de vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van Swaziland, niet verloren is gegaan. De rechtbank stelt derhalve vast dat verzoekster vanaf haar geboorte en nog steeds de Nederlandse nationaliteit bezit.

Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen overigens door partijen is aangevoerd geen behandeling meer.

[minderjarige]

Vast staat dat verzoekster ten tijde van de geboorte van [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit bezat, zodat [minderjarige] op grond van artikel 3 lid 1 RWN vanwege afstamming van verzoekster ten tijde van haar geboorte de Nederlandse nationaliteit verkreeg.

De rechtbank stelt vast dat geen nadere verklaring is overgelegd van de wijze waarop [minderjarige] de Swazi nationaliteit heeft verkregen. Het lijkt echter aannemelijk dat zij deze tegelijk met haar ouders heeft verkregen, dus dat zij heeft gedeeld in de naturalisatie.

Wat daar ook van zij, nu de rechtbank heeft geoordeeld dat verzoekster de Nederlandse nationaliteit niet heeft verloren, heeft [minderjarige] dat ook niet, gelet op artikel 16 lid 2 sub a RWN.

Beslissing

De rechtbank:

stelt vast dat [X] , geboren [meisjesnaam] , op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] , sinds haar geboorte en nog steeds de Nederlandse nationaliteit bezit;

stelt vast dat [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [woonplaats] , Swaziland, sinds haar geboorte en nog steeds de Nederlandse nationaliteit bezit;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. Vink, J.T.W. van Ravenstein en J.C. Sluymer, rechters, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juli 2019.