Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6946

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2019
Datum publicatie
15-07-2019
Zaaknummer
NL19.13360
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Gestelde geaardheid en asielrelaas ongeloofwaardig. Afkomstig uit veilig land van herkomst. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.13360


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. J.M. Walls),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).


Procesverloop
Bij besluit van 7 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.13361, plaatsgevonden op 27 juni 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Voor eiser is daarnaast [naam2] verschenen, die is gehoord als informant. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]. Hij heeft op 9 mei 2019 een asielaanvraag gedaan. Eiser heeft verklaard dat hij in mei 2000 Marokko heeft verlaten. Hij heeft naar zijn zeggen toen eerst drie jaar in Spanje verbleven en vervolgens zestien jaar in Nederland. Eiser stelt als homoseksueel niet naar Marokko terug te kunnen.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond1, omdat eiser niet aannemelijk heeft verklaard over zijn gestelde homoseksualiteit en de problemen die verband zouden houden met die seksuele gerichtheid. Daarbij heeft verweerder de omstandigheid betrokken dat eiser pas negentien jaar na zijn beweerde vlucht uit Marokko in verband hiermee heeft verzocht om bescherming. Eiser is Nederland onrechtmatig binnengekomen en heeft zich zonder goede reden niet meteen gemeld met zijn wens om internationale bescherming2. Ten slotte wordt Marokko beschouwd als een veilig land van herkomst3.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de beslissing van verweerder onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Ook stelt eiser dat verweerder zich niet heeft gehouden aan de verplichting om met hem samen te werken in het onderzoek naar de asielaanvraag4 en vooringenomenheid heeft laten zien.

Daarbij heeft eiser allereerst verwezen naar zijn zienswijze. Verweerder heeft niet inhoudelijk gereageerd op de stelling daarin dat het pas ontluiken van seksuele gevoelens op 23-jarige leeftijd niet ziet op de gerichtheid. Verweerder werpt verder zowel tegen dat eiser voor zijn 23e niets met mannen wilde als het tegenovergestelde.

Ook laat verweerder onbesproken (‘wat hier ook van zij’) dat eisers islamitische geloof ‘min of meer aangeboren en routinematig was’ en niet geïnternaliseerd. Verweerder legt een onjuiste norm op door te verwachten dat eiser op een meer dan oppervlakkige wijze nadenkt over zijn gerichtheid in relatie tot de in zijn land geldende godsdienstige leer.

De ontdekking van seksualiteit is volgens eiser weliswaar een zeer ingrijpende gebeurtenis, maar hij stelt dat ongeacht de gerichtheid ‘het nieuwe er wel vanaf is’ na twintig jaar.

Verweerder erkent dat de tegenwerping over seks in het openbaar onterecht was.

Verweerder heeft niet gereageerd op de stelling dat in Marokko 20 jaar geleden geen homo-organisaties bestonden, noch op de stelling dat eiser in Nederland al jaren monogaam leeft, illegaal is en in armelijke omstandigheden verkeert en zich daarom niet in het LHBTI-uitgaansleven stort. Als onderbouwing van deze stelling heeft eiser een verklaring overgelegd van zijn Nederlandse partner.

4. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit heeft weergegeven wat eiser in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht en dat per onderdeel op de zienswijze is gereageerd.

5. Verweerder heeft daarbij gemotiveerd overwogen dat eiser niet consistent heeft verklaard over de ontdekking van zijn seksuele gerichtheid op zijn 23e. Zoals verweerder terecht heeft tegengeworpen, heeft eisers immers enerzijds verklaard dat hij voor zijn 23e niets voelde voor mannen of vrouwen5, terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat hij zich toen wel aangetrokken voelde tot een man6.

6. Verweerder heeft er daarnaast op gewezen dat eiser is opgegroeid in een land waar men afwijzend staat tegenover homoseksualiteit en dat hierop een groot taboe rust. Eiser heeft zelf verklaard dat hij is opgegroeid in een heel gelovig gezin, dat hij een goede relatie had met zijn familie en dat zij homoseksualiteit beschouwen als haram7. Gelet hierop mocht verweerder van eiser verwachten dat hij aannemelijk verklaart over hoe hij zijn homoseksualiteit beleefde tegen de achtergrond van die omgeving. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eisers verklaring dat het geloof eiser in het geheel geen parten speelde bij de ontdekking van zijn homoseksuele gerichtheid bevreemding wekt. De omstandigheid dat eiser zelf stelt dat hij het geloof nooit heeft geïnternaliseerd, laat onverlet dat hij zich bewust was van de strikte normering die van het geloof uitging en dat hij hiermee om heeft moeten gaan. Verweerder mag verwachten dat eiser zijn persoonlijke beleving van een zo wezenlijk onderdeel van zijn ontwikkeling kan toelichten, ook al betreft het gebeurtenissen die zich geruime tijd geleden hebben afgespeeld. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser met zijn verklaringen geen blijk heeft gegeven van enige persoonlijke beleving.

7. Over de problemen die eiser stelt te hebben ondervonden als gevolg van zijn homoseksualiteit heeft verweerder tegengeworpen dat eiser enerzijds heeft verklaard dat hij alles stiekem deed in de omgang met andere homoseksuelen, terwijl eiser anderzijds verklaarde dat hij op openbare plekken fysiek zijn genegenheid toonde aan zijn vriend.

Naar aanleiding van de zienswijze dat verweerder ten onrechte spreekt over openbare plaatsen, omdat het plaatsen in de vrije natuur betrof, heeft verweerder zijn overwegingen in die zin aangepast. Dit laat de strekking van verweerders tegenwerping echter onverlet: Eiser heeft wisselend verklaard over de mate van voorzichtigheid die hij in acht nam in de omgang met andere homoseksuelen8.

8. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte meegewogen dat eiser geen kennis heeft van de LHBTI-gemeenschap in Marokko of Nederland. Daarbij gaat het er niet zozeer om of van een dergelijke gemeenschap in Marokko sprake was toen eiser uit Marokko vertrok. Van belang is meer dat eiser in de afgelopen negentien jaar voortdurend rekening heeft moeten houden met een mogelijke terugkeer naar Marokko. Zeker ook omdat hij stelt dat zijn veiligheid dan in gevaar komt, ligt het voor de hand dat eiser zich zou hebben verdiept in de mogelijkheden om daar een bestaan op te bouwen. Aangezien eiser daarnaast al zestien jaar in Nederland verblijft en volgens zijn zeggen al elf jaar samenwoont met zijn homoseksuele/transgender partner, mocht verweerder het ook vreemd vinden dat eiser niet weet te verklaren over de LHBTI-gemeenschap in Nederland. Eisers verklaring dat hij zich hierin niet heeft verdiept vanwege zijn monogame relatie en armlastige omstandigheden overtuigen niet. De rechtbank wijst erop dat eiser heeft verklaard over een homo-ontmoetingsplaats in het Zuiderpark in Den Haag waar hij vaak heen gaat9. Ook heeft hij verklaard dat in Amsterdam, anders dan in Marokko, homobars zijn en dat hij vaak met zijn vriend naar zo’n bar gaat10.

9. Verweerder heeft daarnaast niet ten onrechte in het nadeel van eiser in zijn beoordeling betrokken dat hij pas negentien jaar na zijn gestelde vlucht uit Marokko om bescherming heeft gevraagd, waarbij hij al zestien jaar in Nederland verblijft. Verweerder heeft kunnen concluderen dat dit de geloofwaardigheid van eisers verklaringen niet ten goede komt. Daarbij heeft verweerder er ook terecht op gewezen dat eiser niet consistent heeft verklaard over de directe aanleiding voor zijn vlucht: Eiser zou vrijwel meteen zijn gevlucht nadat zijn broer hem in het voorjaar van 2000 had betrapt met een vriend11. Dit is niet te rijmen met de verklaring dat de relatie met de vriend is geëindigd in 1999 en dat eiser is gevlucht in mei 200012.

10. De beroepsgrond dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd slaagt dan ook niet. Evenmin volgt de rechtbank eiser in zijn niet onderbouwde stellingen dat verweerder onvoldoende invulling heeft gegeven aan de samenwerkingsverplichting of vooringenomenheid heeft getoond.

11. Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft verklaard over zijn gestelde homoseksualiteit en de daaruit voortvloeiende problemen.

Eiser komt op grond hiervan niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel13.

12. De ter zitting van [naam2] verkregen informatie leidt niet tot een ander oordeel. Zij heeft verklaard dat zij transgender vrouw is en de partner van eiser. Zij heeft verder verklaard over de wijze waarop zij eiser heeft ontmoet en zij heeft bevestigd dat zij en eiser inmiddels elf jaar samenwonen. Ook heeft zij bevestigd dat zij en eiser vanwege hun persoonlijke omstandigheden een beperkt sociaal leven hebben.

13. Zoals volgt uit de vaste wijze waarop LHBTI-gerichtheid als asielmotief wordt beoordeeld14, dient een vreemdeling zijn seksuele gerichtheid allereerst zelf aannemelijk te maken met zijn eigen verklaringen. Verklaringen van derden kunnen (pas) daarnaast van betekenis zijn. Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te verklaren. Daarnaast zien de verklaringen van [naam2] niet op de gestelde homoseksualiteit van eiser als zodanig. De stelling ter zitting, dat de seksuele gerichtheid van eiser moet worden gevolgd omdat hij en [naam2] al gedurende elf jaar samenleven volgt de rechtbank niet.

Deze stelling gaat voorbij aan de wijze van beoordelen door verweerder en het gegeven dat het enkele samenleven niet bij voorbaat iets zegt over een seksuele gerichtheid.

14. Eiser heeft niet bestreden dat Marokko – uitgezonderd voor homoseksuelen – een veilig land van herkomst is. Daarnaast heeft verweerder terecht tegengeworpen dat eiser op onrechtmatige wijze Nederland is binnengekomen en zich niet meteen heeft gemeld met zijn asielwens. Eisers verklaring dat hij niet wist dat hij als Marokkaanse homoseksueel in aanmerking kon komen voor internationale bescherming heeft verweerder niet hoeven volgen.

15. De aanvraag is daarom terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang met artikel 30b, eerste lid, van de Vw

2 Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw

3 Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw

4 Artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn)

5 Rapport aanvullend gehoor d.d. 28 mei 2019, pagina 7

6 Rapport veilig land van herkomst d.d. 17 mei 2019, pagina 17

7 Rapport veilig land van herkomst d.d. 17 mei 2019, pagina 11 en 12

8 Zie ook pagina 12 van het rapport gehoor veilig land van herkomst: eiser erkent niet oplettend genoeg te zijn geweest toen hij werd betrapt.

9 Rapport gehoor veilig land van herkomst, pagina 16

10 Rapport aanvullend gehoor, pagina 8

11 Rapport gehoor veilig land van herkomst, pagina 10

12 Rapport aanvullend gehoor, pagina 11

13 Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.

14 Werkinstructie 2018/9