Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6936

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-07-2019
Datum publicatie
12-07-2019
Zaaknummer
NL19.12444
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep niet-ontvankelijk, MOB, geen procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.12444


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. C.G. Matze),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.12445, plaatsgevonden op 27 juni 2019. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

2. Uit het bestreden besluit volgt dat eiser op 2 mei 2019 met onbekende bestemming1 is vertrokken. Bij brief van 20 juni 2019 heeft verweerder de rechtbank geïnformeerd dat eiser nog steeds als MOB staat geregistreerd. Daarnaast heeft de gemachtigde van eiser volgens verweerder niet uitdrukkelijk aangegeven dat er nog contact is met eiser, dat zij weet of eiser nog in Nederland verblijft en zo ja, waar hij dan verblijft. Verweerder stelt zich – onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State2 van 22 februari 20193 – op het standpunt dat eiser geen procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep en dat het beroep daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3. De rechtbank heeft (de gemachtigde van) eiser in de gelegenheid gesteld te reageren op de brief van verweerder van 20 juni 2019. Daarvan heeft (de gemachtigde van) eiser gebruik gemaakt. De gemachtigde van eiser heeft op 25 juni 2019 de rechtbank geïnformeerd dat eiser haar bepaaldelijk heeft gevolmachtigd tot het indienen van het beroep. Omdat eiser geen vertrouwen heeft in het COA4 en de DT&V5, wil hij niet langer in een voorziening van het COA verblijven. De gemachtigde van eiser geeft aan dat zij onlangs nog contact heeft gehad met eiser en dat zij hem heeft beloofd op de hoogte van de voortgang van zijn procedure te houden. De gemachtigde van eiser deelt de rechtbank mee dat noch zij, noch eiser ter zitting zullen verschijnen.

4. Op grond van de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2019 moet er in beginsel van worden uitgegaan dat als een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Dit is volgens deze uitspraak slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser per 2 mei 2019 staat geregistreerd als MOB. De gemachtigde van eiser heeft op verzoek van de rechtbank enkel laten weten dat er nog contact is, maar heeft niet nader gespecificeerd waar dit contact uit bestaat en op welke data dit contact is geweest. De enkele stelling dat er “onlangs” contact is geweest is onvoldoende concreet. Ook heeft zij niet gesteld dat zij op dit moment weet waar eiser verblijft en of hij nog in Nederland verblijft. Ter zitting op 27 juni 2019 zijn de gemachtigde van eiser en eiser zelf niet verschenen. Eiser heeft op dat moment dus niet aan de rechtbank laten weten dat hij nog in Nederland verblijft en prijs stelt op bescherming.

6. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming en dus geen belang meer heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep.

7. Het beroep is niet-ontvankelijk.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Voorn, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Andel, griffier.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van bekendmaking.

1 MOB.

2 Afdeling.

3 ECLI:NL:RVS:2019:579.

4 Centraal Orgaan opvang Asielzoekers.

5 Dienst Terugkeer en Vertrek.