Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:692

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
NL18.23982 en NL18.23983
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië / uitspraak ABRVS 19 december 2018 / stukken die eiser heeft overgelegd bieden geen ander beeld / beroep ongegrond en vovo afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht

zaaknummers: NL18.23982 en NL18.23983 [V-nr:]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] eiser en verzoeker, hierna eiser, (gemachtigde: mr. N.D. Schraa),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. Toonders).

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiser een verzoek om voorlopige voorziening ingediend die ertoe strekt uitzetting te voorkomen voordat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2019. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

  1. Eiser heeft de Gambiaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] .

  2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening1 is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de

1. Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de

behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser voert aan dat het systeem in Italië in de afgelopen jaren verder onder druk is komen te staan en dat dit negatieve consequenties heeft voor het algehele asielsysteem. Verweerder onderschat de ernst van de situatie in Italië, ondanks de veelheid aan informatie van verschillende internationale organisaties die aangeven dat er sprake is van ernstige aan het systeem gerelateerde tekortkomingen met betrekking tot de opvang voor asielzoekers, de toegang tot de asielprocedure en het verschaffen van ondersteuning en faciliteiten aan asielzoekers. Op 5 oktober 2018 is in Italië het wetsdecreet nr.113/2018 in werking getreden en inmiddels ook op 22 november 2018 aangenomen, met grote gevolgen voor asielzoekers in Italië.

Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser gewezen op de volgende informatie:

- blogpost van 31 oktober 2018 van Silvia Carta van het OMNIA Project Team op het EU Migration Law Blog;

- Asylum Information Database;

- artikel van ANSA van 15 november 2018;

- artikel van IRIN News van 7 december 2018;

- monitoringsrapport van DRC en SFH/OSAR van 12 december 2018;

- uitspraak van 18 oktober 2018 van deze rechtbank en zittingsplaats (ECLI:NL:RBDHA:2018:12420).

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) recent een uitspraak heeft gedaan over de opvang van vreemdelingen in Italië2. Daarin heeft de Afdeling overwogen dat het duidelijk is dat het decreet een aantal veranderingen in de opvang van vreemdelingen in Italië tot gevolg heeft. Dit heeft tot een aantal incidenten geleid waarbij vreemdelingen uit de SPRAR-opvang zijn gezet. Het decreet heeft echter niet tot gevolg dat kwetsbare Dublinclaimanten geen opvang meer krijgen. Van belang is dat de staatssecretaris conform artikel 32 van de Dublinverordening melding blijft maken van de bijzondere behoeften en omstandigheden van een vreemdeling en de staatssecretaris de overdracht opschort zodra duidelijk is dat Italië daar niet aan kan voldoen. Evenmin leidt het decreet ertoe dat Dublinclaimanten zonder bijzondere omstandigheden geen opvang meer krijgen. Niet aannemelijk is gemaakt dat het decreet leidt tot aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de opvang van Dublinclaimanten. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat op dit moment sprake is van een zodanige structurele verslechtering van de opvangomstandigheden in Italië dat Dublinclaimanten een reëel risico lopen op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM3. Daarbij zijn ook inbegrepen de vreemdelingen die een beroep moeten doen op de algemene opvanglocaties. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat het aantal in 2018 in Italië gearriveerde vreemdelingen een stuk lager ligt dan in de voorgaande jaren, aldus de uitspraak van de Afdeling.

4.2.

In de beroepsgronden heeft eiser niets anders aangevoerd dan dat de Afdeling al heeft beoordeeld. De rapporten waar eiser op heeft gewezen en die niet zijn meegenomen in

behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend

2 Uitspraak van 19 december 2018 te vinden op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RVS:2018:4131

3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

de beoordeling van de Afdeling bieden geen ander beeld. Bovendien dateert deze informatie van voor de uitspraak van de Afdeling.

4.3.

Verweerder heeft zich daarom met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt mogen stellen dat ervan kan worden uitgegaan dat Italië de verplichtingen zoals vastgelegd in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM niet zal schenden.

5. Het beroep is ongegrond. Gelet op het oordeel in de beroepsprocedure wijst de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

In de zaak met procedurenummer NL18.23982:

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

In de zaak met procedurenummer NL18.23983:

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Langeveld, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. B.E. Giesen, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.