Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6868

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-07-2019
Datum publicatie
26-07-2019
Zaaknummer
NL19.10837
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:1450, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beroep tegen afwijzing verzoek tot overname (dublinclaim) - wel appellabel besluit - geen sprake van doorkruising heroverweging en bemiddelingsprocedure - doorzenden ter behandeling als bezwaarschrift naar verweerder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.10837


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Jong).

Procesverloop

Op 21 februari 2019 hebben de Griekse autoriteiten Nederland verzocht de behandeling van eisers asielaanvraag over te nemen op grond van artikel 17, tweede lid van de Dublinverordening. Nederland heeft dit verzoek bij brief van 16 april 2019 afgewezen.

Eiser heeft tegen de afwijzing van het verzoek door Nederland beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1985 en heeft de Turkse nationaliteit. Op 27 augustus 2018 heeft eiser, samen met zijn Turkse echtgenote [A] en minderjarige dochter [B], in Griekenland asiel aangevraagd. De echtgenote en het kind hebben Griekenland verlaten en hebben in Nederland ook asiel aangevraagd. Verweerder heeft de aanvraag in behandeling genomen, maar daarop nog niet beslist.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor eiser geen rechtsmiddel openstaat tegen de afwijzing van het overnameverzoek van de Griekse autoriteiten en het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Verweerder meent dat voor eiser als schutznorm geldt dat een inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek om internationale bescherming plaatsvindt, en deze norm in eisers geval niet is geschonden. De afwijzing van het overnameverzoek heeft namelijk niet als rechtsgevolg dat eisers asielaanvraag door de Griekse autoriteiten niet inhoudelijk wordt behandeld, maar is enkel gericht op de lidstaat en roept geen zelfstandig rechtsgevolg ten opzichte van eiser in het leven. De afwijzing van het verzoek om overname is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, noch een handeling in de zin van artikel 72, derde lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

3. Eiser kan zich met dit standpunt niet verenigen en voert – samengevat weergegeven – het volgende aan. Primair meent eiser dat wel sprake is van een appellabel besluit. De brief betreft een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, namelijk de afwijzing van het overnameverzoek. Eiser is evident belanghebbende omdat de brief inhoudelijk rechtstreeks op hem betrekking heeft. Eiser mag daarom tegen de beslissing bezwaar maken. Er bestaat geen wettelijke kwalificatie van een besluit als dat van 16 april 2019 en daarom heeft eiser aansluiting bij artikel 62b van de Vw 2000 gezocht en heeft geconcludeerd dat rechtstreeks beroep openstaat. Uit de arresten Ghezelbash (C-63/15) en Karim (C-155/15) van het Europese Hof van Justitie volgt dat een rechtsingang moet bestaan, nu fundamentele rechten in het geding zijn zoals in casu de eenheid van het gezin. Daarbij is van belang dat Nederland de verantwoordelijkheid voor de inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag van eisers vrouw en kind heeft geaccepteerd. De mogelijkheden die de Dublinverordening biedt (te weten heroverweging en de bemiddelingsprocedure) staan niet open voor individuele vreemdelingen en zijn daarom geen effectieve rechtsmiddelen voor het individu. Eiser heeft bovendien geen mogelijkheid om in Griekenland over deze situatie te procederen nu Griekenland de verzoekende lidstaat is. Eiser mist daarom een rechtsingang.

Subsidiair staat volgens eiser in ieder geval bezwaar open tegen de afwijzingsbrief van 16 april 2019 en eiser verzoekt de rechtbank in dat geval de beroepsgronden door te sturen naar het verantwoordelijke bestuursorgaan.

Meer subsidiair betoogt eiser dat sprake is van een ‘andere handeling’ in de zin van artikel 72, derde lid van de Vw 2000.

4. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld (21 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4298) dat het bieden van een nationaal rechtsmiddel voor de vreemdeling tegen de afwijzing van een overnameverzoek zich niet verdraagt met de heroverwegings- en bemiddelingsprocedure voor lidstaten. Een dergelijk rechtsmiddel zou die procedure doorkruisen en draagt bovendien het risico met zich mee dat vooruitgelopen wordt op de uitkomst daarvan, aldus de Afdeling. De rechtbank is van oordeel dat in onderhavige zaak sprake is van een ander geval, nu niet in geschil is dat de termijn voor zowel de heroverwegings- als de bemiddelingsprocedure inmiddels is verstreken, waardoor die procedures de uitkomst van een rechtsmiddel tegen de afwijzing van overnameverzoek niet kan doorkruisen.

4.1

De rechtbank is van oordeel dat de brief van verweerder van 16 april 2019 valt te typeren als een feitelijke handeling ten aanzien van een vreemdeling in de zin van artikel 72, derde lid van de Vw 2000, nu het gevolg van de afwijzing van het overnameverzoek is dat Griekenland eiser niet kan overdragen aan Nederland en eiser bij een dergelijke overdracht als derde een belang heeft. Overigens merkt de rechtbank op dat het bevreemdend is dat de echtgenote van eiser en haar kind zelfstandig naar Nederland zijn gereisd en eiser tracht door tussenkomst van de Griekse en Nederlandse autoriteiten met hen te worden verenigd.
Onduidelijk is waarom eiser hen niet heeft begeleid bij hun reis naar Nederland.

Wat daarvan ook zij, in dit geval staat naar het oordeel van de rechtbank voor eiser als derde-belanghebbende de mogelijkheid open om bezwaar te maken tegen de brief van 16 april 2019. Het beroepschrift van eiser dient daarom als bezwaarschrift te worden aangemerkt. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd van het beroep kennis te nemen en zal op grond van artikel 6:15, eerste en tweede lid, van de Awb het beroep ter behandeling als bezwaar doorzenden aan verweerder.

5. De rechtbank verklaart zich onbevoegd van het beroep kennis te nemen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart zich onbevoegd van het beroep kennis te nemen;

  • -

    bepaalt dat het beroep tegen de brief van 16 april 2019 wordt doorgezonden aan verweerder ter behandeling als bezwaar.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroon-Overdijk, griffier.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 9 juli 2019

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.