Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6863

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2019
Datum publicatie
19-07-2019
Zaaknummer
C/09/564364 / HA ZA 18-1216
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zaak met betrekking tot bestuurdersaansprakelijkheid na faillissement van aannemer. Beklamelnorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2019-0076
JONDR 2019/1020
RI 2019/74
OR-Updates.nl 2019-0089
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/564364 / HA ZA 18-1216

Vonnis van 10 juli 2019

in de zaak van

[eiser] , te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. R.H.W. van Ewijk te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] , te [plaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.T.J. Wilmer te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 26 november 2018;

  • -

    de akte overlegging producties van [eiser] van 5 december 2018, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 6 februari 2019, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de akte producties van [eiser] van 23 mei 2019, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 mei 2019.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft.

[eiser] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 4 juni 2019 en [gedaagde] bij brief van 7 juni 2019. Deze brieven maken deel uit van het procesdossier en het vonnis wordt gewezen met inachtneming van deze brieven, voor zover het correcties van feitelijke aard betreft.

1.3.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is enig aandeelhouder en bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X B.V.] (hierna: [X B.V.] ), welke vennootschap bij beschikking van deze rechtbank van 13 november 2018 in staat van faillissement is verklaard.

2.2.

Op 18 februari 2018 is tussen [eiser] en [X B.V.] een schriftelijke aannemingsovereenkomst gesloten waarbij [X B.V.] zich heeft verbonden om, kort gezegd, een dakopbouw en een dakterras te plaatsen op de woning van [eiser] aan de [adres] . De aanneemsom bedroeg € 84.141,21, inclusief BTW, te betalen in vier termijnen. Daarnaast is overeengekomen dat de werkzaamheden uiterlijk 15 juli 2018 zouden zijn afgerond.

2.3.

Op 18 februari 2018 heeft [X B.V.] factuur nr. 218014 ten bedrage van

€ 25.242,35 aan [eiser] toegestuurd.

2.4.

Op 2 april 2018 heeft [eiser] een bedrag van € 25.242,35 aan [X B.V.] betaald.

2.5.

Bij e-mailbericht van 3 mei 2018 heeft [X B.V.] factuur nr. 218033 ten bedrage van € 12.621,17 aan [eiser] toegestuurd en heeft [gedaagde] aan [eiser] het volgende bericht:

“Hierbij het 2e termijn ik heb 15% genomen de rekeningen stromen binnen en zo loopt het gelijk met de voortgang van het werk, ik zal volgende week tekeningen maken van de kozijnen met de maten dan kan ik ze bestellen, volgende week zit het dak er ook op.”

2.6.

Op 13 mei 2018 heeft [eiser] factuur nr. 218033 ten bedrage van € 12.621,17 voldaan.

2.7.

Op 29 mei 2018 heeft [X B.V.] factuur nr. 218038 ten bedrage van € 12.621,17 aan [eiser] toegestuurd en heeft [gedaagde] bij e-mailbericht aan [eiser] geschreven:

“Het dak is nu dicht en de kozijnen eruit dus nu zie je hoe groot het gaat worden, ik heb de aluminium kozijnen besteld, ik weet alleen niet wanneer die klaar zijn, gevel isolatie en dak isolatie verwacht is begin volgende week zodat we het dak snel dicht kunnen maken, ik kan je nu nog niet garanderen dat het 2e week Juli klaar is hang een beetje van de kozijnen af, maar ik hoor snel wanneer die geleverd worden”

2.8.

Op 1 juni 2018 heeft [eiser] een bedrag van € 12.621,71 aan [X B.V.] betaald.

2.9.

Op 27 juni 2018 heeft [X B.V.] factuur nr. 218047 ten bedrage van € 12.621,17 aan [eiser] toegestuurd.

2.10.

Op 5 juli 2018 heeft [X B.V.] factuur nr. 218049 ten bedrage van € 1.158,56 aan [eiser] toegestuurd.

2.11.

Op 12 juli 2018 heeft [eiser] factuur nr. 218047 ten bedrage van € 12.621,17 voldaan.

2.12.

Op 18 juli 2018 heeft [X B.V.] factuur nr. 218055 ten bedrage van € 8.414,10 aan [eiser] toegestuurd.

2.13.

Bij e-mailbericht van 25 juli 2018 heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven:

“Helemaal eens wat betreft de planning is er jammer dat het toch langer duurt en ik wil je daar in tegemoet komen, maar voor de duidelijkheid wat versta jij nog onder meerwerk, de factuur die ik je stuurde van de keuken wand dat is meerwerk ik zal die crediteren maar wat betreft leggen van de parketvloer en de zwevende vloer van uitbouw gedeelte? Wil je wel de laatste factuur overmaken, bij mij gaan nu de kosten heel erg hard oplopen en ik heb expres een kleiner bedrag naar je gefactureerd zodat we gelijk lopen met het werk, maar wil wel graag de betalingen binnen de factuur termijn hebben,”

2.14.

Op 26 juli 2018 heeft [eiser] factuur nr. 218055 ten bedrage van € 8.414,10 voldaan.

2.15.

Op 13 augustus 2018 heeft [X B.V.] factuur nr. 218059 ten bedrage van

€ 8.414,10 aan [eiser] toegestuurd.

2.16.

Bij e-mailbericht van 14 augustus 2018 heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven:

“Na deze factuur van 10% staat er nog 5 % procent open die wordt pas na oplevering gefactureerd zoals in mijn offerte staat, de facturen zijn voorschot nota’s dus ik ga niet akkoord dat er nog 15% bij oplevering openstaat, De eerst oplevering is inderdaad niet gehaald, mede door de kozijnen, weer en meerwerk. Ik heb je duidelijk aangegeven bij start van de werkzaamheden dat ik de kozijnen tekeningen nodig had omdat hier een lange levertijd op zit, die heb ik niet gekregen van je omdat de architect ze niet wilde maken, ik heb toen aangegeven dat ik eerst de binnenwanden moet plaatsen om goed in te kunnen meten, dat heb ik gedaan maar daar door zijn de kozijnen te laat besteld om nog voor de oplevering klaar te zijn. Op moment weet ik niet wanneer ze klaar omdat het bouw vak vakantie is. Daarnaast is er meerwerk ontstaan, houten vloer, estrische vloer delen, achter wand keuken. Ook het weer heeft niet mee gezeten het stucwerk heeft veel langer geduurd door de extreme hitte.

Bij het offeren heb ik al water bij de wijn gedaan het bedrag is al naar benden gegaan, daar naast heb ik bijna al het meerwerk voor mijn rekening genomen, ik heb al veel water bij de wijn gedaan en verwacht dat de facturen op tijd betaald worden.

Deze factuur dient ook als voorschot op de kozijnen en het hekwerk dus ik verzoek je toch om deze over te maken. Wij werken ontzettend hard om de deadline te halen en ik heb de planning al doorgenomen met [...].

Ik hoop dat we hier goed uit kunnen komen”

2.17.

Bij e-mailbericht van 15 augustus 2018 met als onderwerp “RE: 6e termijn” heeft [eiser] aan [gedaagde] geschreven:

“Als je mij kan garanderen dat het op 31 augustus 2018 afgewerkt en wel af is zal ik het geld overmaken?

Wil allerminst in conflict raken met je.”

2.18.

In reactie hierop heeft [gedaagde] bij e-mailbericht van 15 augustus 2018 aan [eiser] geschreven:

“Ik wil ook allermist een conflict met je maar de termijnen moeten wel gewoon betaald worden, ik garandeer je dat het 31st afgewerkt is alleen kan ik niet de kozijnen garanderen weet nog niet wanneer ze komen, als jij vrijdag het bedrag wil overmaken dan betaal ik de hekwerken maandag en kunnen ze dinsdag geleverd worden.”

2.19.

Op 18 augustus 2018 heeft [eiser] aan [X B.V.] een bedrag van € 8.141,10 betaald.

2.20.

Op 16 oktober 2018 heeft [eiser] van [gedaagde] vernomen dat laatstgenoemde een afspraak had bij de bank. Bij WhatsApp-bericht van 18 oktober 2018 heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven:

“Hoi [eiser] helaas kan ik het niet meer afmaken het is niet doorgegaan met de bank ik kan niks anders meer dan failliet gaan”

2.21.

Bij brief van 22 oktober 2018 heeft (de advocaat van) [eiser] de aannemingsovereenkomst met [X B.V.] ontbonden wegens overschrijding van de overeengekomen opleveringsdatum 31 augustus 2018.

2.22.

Bij brief van 8 november 2018 heeft (de advocaat van) [eiser] aan deze rechtbank verzocht [X B.V.] in staat van faillissement te verklaren.

2.23.

Bij beschikking van 13 november 2018 heeft deze rechtbank [X B.V.] op eigen verzoek in staat van faillissement verklaard en mr. A.Y. te Kiefte tot curator (hierna: de curator) benoemd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt:

I tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade die een gevolg is van de tekortkomingen van [X B.V.] in de nakoming van de aannemingsovereenkomst, de niet nagekomen ongedaanmakingsverplichtingen daaronder begrepen, welke schade tot op heden € 26.822,19 bedraagt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf de dag waarop de dagvaarding is betekend;

II tot vergoeding van de nog door [eiser] te lijden schade die een gevolg is van de tekortkomingen van [X B.V.] in de nakoming van de aannemingsovereenkomst, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

III in de kosten van de procedure onder de bepaling dat als de proceskosten niet binnen twee weken na betekening van het vonnis zijn voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag de wettelijke rente is verschuldigd.

3.2.

Aan deze vorderingen legt [eiser] , samengevat, de volgende stellingen ten grondslag.

3.3.

[gedaagde] is schadeplichtig jegens [eiser] aangezien (a) [gedaagde] bij het aangaan van de aannemingsovereenkomst wist of heeft behoren te weten dat [X B.V.] de overeenkomst niet zou kunnen nakomen omdat [X B.V.] toen al in zwaar weer verkeerde en (b) aangezien [gedaagde] [eiser] is blijven bewegen om de facturen van [X B.V.] te betalen, terwijl hij wist of heeft behoren te weten dat [X B.V.] de aan deze facturen gekoppelde werkzaamheden niet meer zou kunnen uitvoeren. [gedaagde] heeft bij het bewegen tot betalen steeds verwezen naar door [X B.V.] gemaakte kosten, bijvoorbeeld die voor de kozijnen, terwijl [X B.V.] de kozijnen pas begin september 2018 heeft besteld. Die kozijnen zijn echter toen nog niet in productie genomen omdat [X B.V.] de leverancier onbetaald liet, terwijl [eiser] de facturen van [X B.V.] wel had betaald. Die betalingen waren bestemd om tot afronding van het werk te komen en hadden dus door [X B.V.] moeten worden aangewend om leveranciers te betalen.

De door [eiser] geleden schade waarvoor [gedaagde] moet opkomen, bestaat onder meer uit de bedragen die hij teveel aan [X B.V.] heeft betaald, de incassokosten, kosten met betrekking tot het faillissementsverzoek van [eiser] en meerkosten van het voltooien van de werkzaamheden.

3.4.

[gedaagde] voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In dit geschil staat centraal of [gedaagde] als bestuurder van [X B.V.] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor schade die [eiser] lijdt ten gevolge van het niet geheel nakomen door [X B.V.] van de aannemingsovereenkomst.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat, indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Bij benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering zal evenwel naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek (BW), een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. Hoge Raad 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873, NHB/Oosterhof).

4.3.

Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden (vgl. Hoge Raad 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, Beklamel).

4.4.

In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen (vgl. Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, Ontvanger/Roelofsen).

4.5.

Verwijt (a) van [eiser] is gebaseerd op de Beklamelnorm. Op grond van de hoofdregel van het bewijsrecht (artikel 150 Rv) is het aan [eiser] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen waaruit kan volgen dat [gedaagde] bij het aangaan van de aannemingsovereenkomst, op 18 februari 2018, wist of heeft behoren te weten dat [X B.V.] niet of niet binnen redelijke termijn aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen.

4.6.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat [X B.V.] in financieel zwaar weer verkeerde, voert [eiser] het volgende aan:

a. a) in 2016 was er nog sprake van € 172.000 vlottende activa tegenover € 70.000 aan kortlopende schulden. In 2017 was de situatie verslechterd: er waren ultimo 2017 nog
€ 76.000 aan vlottende activa tegenover € 180.000 kortlopende schulden;

b) door de jaren heen heeft [X B.V.] uitsluitend verlies geleden;

c) [A] (hierna: [A]), die als schilder voor [X B.V.] heeft gewerkt, heeft op 22 november 2018 telefonisch aan [eiser] bevestigd dat er een jaar daarvoor al aanzienlijke financiële problemen waren binnen [X B.V.] Hierdoor kon [A] niet in vaste dienst worden aangenomen;

d) uit productie 5 van [gedaagde] blijkt dat er door een (voormalige) opdrachtgever van [X B.V.] werk aan een derde is opgedragen en voltooid, waaruit volgt dat er nogal wat aan de hand was bij [X B.V.] ;

e) [X B.V.] kon de facturen niet betalen van de door haar ingeschakelde derden ten behoeve van de verbouwing bij [eiser] , namelijk Metaglas (voor de kozijnen), Saan en ETL Loosdrecht.

f) ten tijde van het faillissement waren er nog maar € 11.500 aan vlottende activa tegenover € 338.000 aan schulden, waaronder een belastingschuld van € 50.000, de schuld aan [eiser] niet meegerekend.

4.7.

[gedaagde] betwist dat hij ten tijde van het aangaan van de aannemingsovereenkomst wist of heeft behoren te weten dat [X B.V.] haar verplichtingen niet (geheel) zou kunnen nakomen. De prognoses waren volgens [gedaagde] in februari 2018 gunstig: de marktvooruitzichten in de bouw waren goed en [X B.V.] had een goed gevulde orderportefeuille. Daarnaast zijn er gedurende de periode van februari tot en met oktober 2018 diverse offerteaanvragen ontvangen. Gedurende ruim zesenhalve maand is [X B.V.] haar verplichtingen ook nagekomen. Echter begin september 2018 annuleerden twee opdrachtgevers hun met [X B.V.] overeengekomen (en inmiddels gevorderde) projecten. Deze opdrachtgevers lieten vervolgens € 21.000 aan uitstaande facturen onbetaald. Daarnaast werd duidelijk dat een (toekomstige) omzet op één van die projecten van eveneens circa € 21.000 zou wegvallen. Hierdoor ontstond onverwacht een liquiditeitstekort. Externe financiering van het liquiditeitstekort lukte niet. [gedaagde] betwist de juistheid van de verklaring van [A], die via een payrollorganisatie werkzaam is geweest bij [X B.V.] en niets wist van de financiële situatie bij [X B.V.] , aldus nog steeds [gedaagde] .

4.8.

Met betrekking tot de onder 4.6 opgesomde punten overweegt de rechtbank als volgt. Punt f) ziet op de situatie bij [X B.V.] acht maanden na het aangaan van de aannemingsovereenkomst. De onder e) bedoelde facturen dateren uit de periode van 1 tot en met 20 augustus 2018. Uit deze gegevens kan dus niet worden afgeleid hoe de situatie bij [X B.V.] was ten tijde van het aangaan van de aannemingsovereenkomst. Met betrekking tot punt d) kan uit productie 5 van [gedaagde] hoogstens worden opgemaakt dat in september 2018 een andere opdrachtgever dan [eiser] weigerde een factuur van [X B.V.] te betalen, maar niet dat dit geschil al ten tijde van het sluiten van de aannemingsovereenkomst speelde.

4.9.

De onder de punten a) en b) bedoelde gegevens, waarvan de juistheid door [gedaagde] op zichzelf niet is bestreden, bieden naar het oordeel van de rechtbank te weinig inzicht in de financiële toestand van [X B.V.] om de conclusie te kunnen trekken dat [gedaagde] op 18 februari 2018 namens [X B.V.] geen verplichtingen jegens [eiser] heeft mogen aangaan, te meer nu de marktvooruitzichten in de bouw op dat moment goed waren en de orderportefeuille van [X B.V.] goed gevuld was, zoals [gedaagde] onbetwist heeft gesteld. De onder c) bedoelde – en door [gedaagde] betwiste – verklaring van [A], is evenmin toereikend, in het bijzonder nu [X B.V.] de werkzaamheden waartoe zij zich had verbonden ook volgens de eigen stellingen van [eiser] voor het overgrote gedeelte heeft uitgevoerd en haar werkzaamheden pas in september 2018 heeft gestaakt. Op basis van het voorgaande kan niet geconcludeerd worden dat [gedaagde] ten tijde van het aangaan van de verplichtingen namens [X B.V.] , op 18 februari 2018, wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat [X B.V.] haar verplichtingen uit die overeenkomst niet zou kunnen nakomen of geen verhaal zou bieden voor een vordering tot schadevergoeding. [gedaagde] is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet op grond van de Beklamelnorm persoonlijk aansprakelijk voor de schade die [eiser] heeft geleden.

4.10.

Daarmee komt de rechtbank toe aan bespreking van verwijt (b) van [eiser] , inhoudend dat [gedaagde] heeft aangedrongen op betaling van de facturen van [X B.V.] – in het bijzonder de 6e termijnfactuur nr. 218059 van € 8.414,10, terwijl hij wist of heeft behoren te weten dat [X B.V.] de hieraan gekoppelde werkzaamheden niet meer zou kunnen uitvoeren.

4.11.

Dit verwijt kan – anders dan [eiser] meent – niet worden geschaard onder de Beklamelnorm, aangezien de aannemingsovereenkomst reeds was gesloten toen [X B.V.] de facturen aan [eiser] in rekening bracht. Met deze overeenkomst had [X B.V.] zich al verbonden om de verbouwing uit te voeren. De facturen brachten dan ook geen nieuwe verbintenissen van [X B.V.] mee. Dat een bestuurder aansprakelijk kan worden gehouden op grond van de Beklamelnorm door – ná het aangaan van de verbintenis – de contractuele wederpartij te bewegen de prestatie alsnog of verder uit te voeren, volgt naar het oordeel van de rechtbank ook niet uit de arresten van het Hof Den Bosch waarnaar [eiser] in dit kader heeft verwezen (ECLI:NL:GHSHE:2016:4088 en ECLI:NL:GHSHE: 2018:1598), nu in deze zaak de bestuurder juist werd verweten dat hij onrechtmatig had gehandeld door een nieuwe verbintenis aan te gaan.

4.12.

Niettemin kan ook in het geval een bestuurder wordt verweten te hebben bewerkstelligd of toegelaten dat de door hem bestuurde vennootschap een eerder door haar aangegane overeenkomst niet nakomt en daardoor aan de wederpartij van de vennootschap schade berokkent, die bestuurder voor die schade op grond van onrechtmatig handelen persoonlijk aansprakelijk zijn (zie 4.2 onder (ii) hiervoor).

4.13.

Gelet op het in 4.4 weergegeven criterium is het aan [eiser] om concrete omstandigheden te stellen en bij betwisting te bewijzen, dat [gedaagde] op 14 en 15 augustus 2018 om betaling heeft verzocht van de 6e termijnfactuur terwijl hij wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat [X B.V.] de aan deze factuur gekoppelde werkzaamheden niet meer zou kunnen uitvoeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] met de onder 4.6 bedoelde punten onvoldoende feitelijk onderbouwd dat op 14 en 15 augustus 2018, toen [gedaagde] op betaling van de 6e termijnfactuur ter hoogte van € 8.414,10 aandrong, laat staan eerder, al sprake was van een financiële situatie bij [X B.V.] waaruit [gedaagde] heeft behoren op te maken dat [X B.V.] haar werkzaamheden niet meer zou kunnen voortzetten. Dit laatste in het bijzonder nu [X B.V.] pas in september 2018 haar werkzaamheden bij [eiser] heeft gestaakt. De rechtbank hecht hierbij ook belang aan de omstandigheid dat [gedaagde] op 14 en 15 augustus 2018 nog bij in ieder geval twee andere opdrachtgevers projecten met onderhanden werk had, waaruit hij nog € 21.000 aan inkomsten verwachtte en een toekomstige omzet van nog eens € 21.000, zoals [gedaagde] onbetwist heeft gesteld. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] op dat moment had kunnen of moeten begrijpen dat die projecten voortijdig zouden worden beëindigd en dat de openstaande facturen ter hoogte van in totaal € 21.000 niet meer voldaan zouden worden.

4.14.

Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] niet persoonlijk jegens [eiser] aansprakelijk is. De vorderingen van [eiser] zullen dan ook worden afgewezen.

4.15.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De rechtbank begroot de kosten aan de zijde van [gedaagde] op € 1.981, namelijk € 895 aan griffierecht en € 1.086 aan salaris advocaat (twee punten à € 543). Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010: BL1116, NJ 2011/237). De rechtbank zal de nakosten hierna begroten. De vordering met betrekking tot de wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.981 aan tot op heden gemaakte proceskosten en op € 157 aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 82 in geval van betekening, al deze bedragen te vermeerderen de wettelijke rente vanaf de achtste dag na dagtekening van dit vonnis, indien [eiser] deze bedragen niet voordien heeft voldaan, tot de dag van algehele voldoening;

5.3.

verklaart de veroordeling onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.C. Kranenburg en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2019.1

1 type: 1554 coll: