Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6837

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-07-2019
Datum publicatie
26-07-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 8254
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag militair wegens wangedrag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/8254

uitspraak van de meervoudige militaire kamer van 15 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.M. van Breet),

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. A.J. Verdonk).

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser ontslag verleend per 14 mei 2018.

Bij besluit van 6 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2019. Eiser en zijn gemachtigde waren niet aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser werkte als soldaat der tweede klasse bij de Koninklijke Landmacht. Sinds 3 november 2017 was eiser geplaatst bij 13 infanteriebataljon in de functie van [FUNCTIE].

2. In een portemonnee van eiser is op of omstreeks 13 augustus 2017 in de stad [plaats] harddrugs, te weten MDMA/amfetamine, en softdrugs, te weten hennep, aangetroffen. De portemonnee is bij de Koninklijke Marechaussee (KMar) terechtgekomen.

3. Eiser heeft tegenover de KMar verklaard dat hij in zijn woning drugs van een vriend zou hebben gevonden en dat hij deze vervolgens in zijn portemonnee heeft gestopt zodat hij de drugs later op de avond in de stad aan die vriend terug kon geven. In de stad zou eiser zijn portemonnee zijn kwijtgeraakt. Eiser heeft een strafbeschikking van € 450,- ontvangen. Op 13 maart 2018 heeft eiser daartegen verzet ingesteld.

4. Op 12 maart 2018 is eiser gehoord namens de Commandant 13 Infanterie Bataljon. Tijdens deze hoorzitting heeft eiser verklaard dat zijn eerste verklaring bij de KMar was gebaseerd op een leugen om zo een vriend in bescherming te nemen. Volgens eiser was hij met twee vrienden naar de stad gegaan om iets te drinken. Nadat een van zijn vrienden had aangegeven dat hij zijn pinpas niet bij zich had en aan eiser had gevraagd of hij geld van hem kon lenen, heeft eiser zijn portemonnee aan die vriend gegeven. De vriend had vervolgens de drugs in de portemonnee van eiser gedaan en is de portemonnee kwijtgeraakt.

5. Op 9 april 2018 is eiser gehoord door de Commissie van Onderzoek en Advies (COA). Eiser heeft toen een verklaring per e-mail overgelegd van [A] ([A]) van 7 april 2018. Na het horen heeft de COA gebeld met [A]. Hiervan is geen verslag opgemaakt, maar de strekking van dat gesprek is, aldus verweerder, verwerkt in het COA-advies. In het bestreden besluit wordt hieraan door verweerder gerefereerd.

Het bestreden besluit

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder geconstateerd dat eiser bij de KMar een bekennende verklaring heeft afgelegd waaruit volgt dat eiser de ‘Uitvoering drugsbeleid Defensie’ (aanwijzing drugsbeleid) heeft overtreden. Eiser heeft namelijk harddrugs in zijn bezit gehad en vervoerd. Vervolgens heeft eiser zijn verklaring in de strafprocedure niet herroepen. Ook heeft eiser niet zijn commandant op de hoogte gebracht van het voorval. Pas zes maanden later, nadat eiser geconfronteerd is met de verstrekte strafrechtelijke informatie, heeft eiser zijn verklaring gewijzigd. Verweerder acht de gewijzigde verklaring ongeloofwaardig. Aan de ingebrachte verklaring van [A] (e-mailbericht) is volgens verweerder niet de waarde te hechten die eiser daaraan wil toekennen. Allereerst merkt verweerder op dat [A] op geen enkel moment in persoon is verschenen. Het had, gezien het feit dat eiser werd geschorst en voor ontslag werd voorgedragen, op eisers weg gelegen [A] te vragen zich in persoon te melden om eisers verhaal te bevestigen. [A] heeft op de vraag tijdens het telefoongesprek op 9 april 2018 of hij zijn verklaring niet persoonlijk wilde toelichten geantwoord dat hij dat liever niet wilde doen omdat het dan wel ‘erg dichtbij komt’. Verweerder kan daarom niet vaststellen of de persoon die de e-mail heeft geschreven en met wie telefonisch is gesproken daadwerkelijk [A] is en of hij naar waarheid heeft verklaard. Dit is eens te meer van belang aangezien er opvallende verschillen zitten tussen de verklaring uit het e-mailbericht en eisers verklaring. Zo verklaart [A] niets over zijn verzoek aan eiser om bij de KMar anders dan naar waarheid te verklaren en hem daarmee tegenover zijn werkgever en zijn ouders in bescherming te nemen. Daarnaast noemde [A] tijdens het telefoongesprek drugs waaronder cocaïne en een ander verdovend middel die beide niet vermeld zijn in de door het Openbaar Ministerie verstrekte strafrechtelijke informatie.

Nog los van het bovenstaande komt eisers gewijzigde verklaring niet geloofwaardig op verweerder over vanwege de niet-logische voorstelling van de gang van zaken. Eiser stelt bijvoorbeeld dat hij zijn gehele portemonnee zomaar heeft meegegeven, inclusief zijn pinpas en pincode. In eisers portemonnee zaten ook andere documenten zoals eisers militaire identiteitsbewijs. Het zou logischer zijn geweest om wat geld uit te lenen aan zijn vriend. Eiser heeft ook aangegeven tijdens de hoorzitting op 9 april 2018 dat hij eigenlijk nooit zijn gehele portemonnee uitleent, maar dat het in dit geval een zeer goede vriend betrof. Eiser kende [A] echter relatief kort en zag hem zeer onregelmatig. Daarnaast wist eiser dat [A] naar een technofeest zou gaan, terwijl hij zelf niet meeging en eiser voor de rest van de avond en nacht ook nog geld nodig had. Daarom zou eiser vervolgens weer geld van andere vrienden hebben moeten lenen. Daarnaast zou eiser hebben verklaard zoals gedaan, omdat [A] niet wilde dat zijn werkgever op de hoogte zou worden gebracht van de drugs. Eiser zou dus hebben gelogen en opzettelijk een valse verklaring hebben afgelegd tegen opsporingsambtenaren in de wetenschap hiermee het risico te lopen zijn baan te verliezen. Tevens vindt verweerder het opmerkelijk dat eiser zijn gewijzigde verklaring pas heeft gegeven op het moment dat hij geconfronteerd werd met de verstrekte strafrechtelijke informatie. Eiser heeft niet kunnen uitleggen waarom hij al die maanden, ruim een half jaar lang, heeft gezwegen.

Het is verweerder onduidelijk op grond waarvan eiser in verzet is gegaan tegen de strafbeschikking en of eiser de verklaring van [A] heeft ingebracht bij het verzet of dat hij een (andere) verklaring heeft afgelegd.

Eisers belang is om in dienst te blijven bij Defensie en bezoldiging te blijven ontvangen. Het belang van Defensie is onder meer een direct en onvoorwaardelijk inzetbare krijgsmacht, het garanderen van de veiligheid van het personeel en het voorkomen van ernstige schade aan het aanzien van het militaire ambt. Eiser heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van de aanwijzing drugsbeleid en daarmee aan wangedrag buiten de dienst wat schadelijk kan zijn voor de dienstvervulling en niet in overeenstemming is met het aanzien van het ambt van militair. Verweerder heeft geen enkele reden om aan te nemen dat het wangedrag niet aan eiser toe te rekenen is. Voorts is de maatregel van ontslag niet onevenredig zwaar zoals eiser betoogt. Het drugsbeleid en de consequenties van het overtreden hiervan worden zeer duidelijk gecommuniceerd en kenbaar gemaakt binnen Defensie. Bovendien heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de rechtmatigheid en redelijkheid van de aanwijzing drugsbeleid meerdere malen onderschreven. Verweerder volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat zijn ontslag niet evenredig zou zijn.

Het betoog van eiser

7. Eiser heeft aangevoerd dat hij zowel in eerste instantie als in tweede instantie heeft verklaard dat de drugs van een vriend waren. Eiser heeft alleen verschillend verklaard over hoe de drugs in zijn portemonnee terecht zijn gekomen. Eiser heeft verder verwezen naar de e-mail van [A] van 7 april 2018.

Volgens eiser heeft verweerder niet meegewogen onder welke omstandigheden eiser zijn verklaring bij de KMar heeft afgelegd. Daarnaast is buiten beschouwing gelaten dat de drugs niet bij eiser zijn aangetroffen. Ook is niet inzichtelijk gemaakt waar de portemonnee van eiser is gevonden en of eiser zich mogelijkerwijs in die omgeving heeft begeven. Daarom is onvoldoende komen vast te staan dat eiser daadwerkelijk drugs in zijn bezit heeft gehad en drugs heeft vervoerd.

Eiser heeft aangevoerd dat hij op 13 maart 2018 verzet heeft ingesteld tegen de strafbeschikking die hij van het Openbaar Ministerie heeft gekregen.

Juridisch kader

8. Op grond van artikel 39, tweede lid, van het AMAR kan aan de militair ontslag worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.

Het oordeel van de rechtbank

9.1 Volgens rechtspraak van de CRvB is de eerste verklaring in het algemeen als het meest betrouwbaar te beschouwen. Zie de uitspraak van 5 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW3657. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat eisers eerste verklaring onder zodanige omstandigheden is afgelegd dat daarin reden is gelegen om aan die verklaring te twijfelen.

9.2 Uitgaande van eisers eerste verklaring heeft hij de portemonnee met harddrugs van zijn woning meegenomen naar de stad. De portemonnee is met drugs erin aangetroffen in de stad. Daarmee staat vast dat eiser harddrugs aanwezig had. Dat deze van een vriend, [A], waren, is naar het oordeel van de rechtbank niet geloofwaardig. [A] heeft tijdens het telefoongesprek van 9 april 2018 gezegd dat het ging om cocaïne, terwijl in eisers portemonnee MDMA/amfetamine en hennep zijn gevonden. Verder heeft [A] zijn e-mail niet (in persoon) toegelicht, noch in de bezwaarfase, noch in beroep en is er geen uitleg gegeven over de verschillen tussen de verklaringen van eiser en [A].

Bij brief van 14 februari 2019 heeft de griffier eiser verzocht hem binnen twee weken te berichten over de stand van zaken in het verzet tegen de strafbeschikking. Daarop heeft eiser niet gereageerd. Bij brief van 15 maart 2019 heeft de griffier nogmaals verzocht binnen twee weken een schriftelijke reactie toe te sturen. Ook daarop heeft eiser niet gereageerd. Tijdens de zitting heeft verweerder gezegd dat de militaire politierechter de strafbeschikking heeft bevestigd op 6 juni 2019. Hiertegen is geen hoger beroep ingesteld. Ook in het oordeel van de militaire politierechter ziet de rechtbank daarom geen aanleiding om eraan te twijfelen dat eiser zich aan de hem verweten gedraging schuldig heeft gemaakt.

9.3 In het door eiser aangevoerde ziet de rechtbank dan ook geen reden om te oordelen dat verweerder aan eiser ten onrechte ontslag op grond van wangedrag heeft verleend. Deze maatregel acht de rechtbank, onder verwijzing naar de gangbare jurisprudentie inzake het bezit en vervoeren van (hard)drugs door militairen, evenmin onevenredig.

10 Het beroep is ongegrond.

11 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzitter, en mr. R.H. Smits, lid, en Commodore (tit.) b.d. mr. P.T. Heblij, militair lid, in aanwezigheid van mr. M.W.J. Sloots, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.