Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:676

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-01-2019
Datum publicatie
20-05-2019
Zaaknummer
09/817808-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Den Haag legt een 46-jarige man een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren op voor opzettelijke brandstichting in een garage van een flatgebouw waarbij levensgevaar voor personen en gemeen gevaar voor goederen is ontstaan, alsmede voor bedreigingen en belaging.

De rechtbank gaat daarmee boven de eis van de officier van justitie uit omdat zij van oordeel is dat de specifieke omstandigheden van het geval, te weten de verregaande mate van voorbedachte rade, de volstrekte minachting voor lijf en goed van derden en de weigering van verdachte om aan ieder persoonlijkheidsonderzoek mee te werken, ertoe nopen om, ter noodzakelijke bescherming van de maatschappij, een hogere straf op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/817808-18

Datum uitspraak: 25 januari 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in [PI]

.

Het procesverloop

1. Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 17 augustus 2018 en 9 november 2018 (beide pro forma) en 11 januari 2019 (inhoudelijk).

2. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G. Sannes en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. T. Arkesteijn naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

3. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 5 februari 2018 te 's-Gravenhage (op een of meer locaties in/bij een parkeergarage van een flatgebouw aan de Dedemsvaartweg) opzettelijk brand heeft gesticht

door (telkens) open vuur in aanraking te brengen met (een) brandbare (vloei)stof(fen) (motorbenzine en/of aardoliedestilaat en/of ethanol en/of brandpasta),

ten gevolge waarvan brand is ontstaan en

- voormelde parkeergarage en/of flatgebouw, en/of

- een of meer personenauto('s), en/of

- een bromfiets, en/of

- een of meer voorwerp(en) op het balkon van huisnummer 1309

geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer andere voertuig(en) in die parkeergarage en/of die parkeergarage en/of een of meer woning(en) in dat flatgebouw en/of dat flatgebouw en/of een of meer andere goed(eren)

en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer bewoner(s) van een of meer woning(en) van dat flatgebouw en/of een of meer andere perso(o)n(en)

te duchten was;

2.

hij op verschillende momenten in of omstreeks de periode van 2 december 2017 tot en met 10 februari 2018 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, (telkens) [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of verkrachting en/of brandstichting,

door die [slachtoffer 1]

(op 2 december 2017) (via WhatsApp) dreigend toe te voegen dat

- er wraak op haar zal worden genomen voor [naam 1] , en/of

- [slachtoffer 1] en haar zoon niet rustig over straat kunnen lopen, en/of

- ( andere) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

en/of

(op 5 februari 2018) (telefonisch) dreigend toe te voegen

- "(...) Denk er aan jij kut en dat zoontje van jou (...) er wacht een verrassing op jullie, een verrassing, er zijn bij mij geruchten uit Den Haag gekomen dat er vandaag iets is gebeurd, kut, ik ga jullie afmaken (wykoncze), jullie politiehoeren, jullie moeten geneukt/geslagen (jebac) worden, denk er aan dat er iets bij jou door het glas binnen gaat vallen (...)", en/of

- "(...) Ik zal mensen vinden die jou zullen slaan, een fles, hoer, met bezine dat je niet eens tijd zal hebben om op te rotten, jullie zullen daar levend verbranden (...)"

en/of

(op 7 februari 2018) (telefonisch) dreigend toe te voegen

- " Nou denk eraan jij klote hoer, jij zult alle ruiten in jouw woning kapot hebben, ik zal ervoor zorgen,(...), je zult op die aranek van jou niet kunnen letten, hij zal ergens worden aangereden (przetracic) zodat zijn kut opengereten zal zijn, jij zult klappen krijgen (...)", en/of

- " Er is nu daar wat gebeurd, bij [naam 2] ergens in de flat, er was een of andere nieuwe ontploffing geweest 9...), dus je moet je ook voorbereiden, (...) je zou je moeten gaan evacueren uit die woning, zonder een been zonder een hand, misschien wordt je hoofd afgerukt (...), er zullen Marokkanen je in je reet neuken (...), zij zullen je verkrachten met hun lullen",

en/of

(op 10 februari 2018) (telefonisch) dreigend toe te voegen

- " Nou luister heel aandachtig, ik heb al opdrachten gegeven (...), zij zullen jullie van de flat, shit zo snel "wykurza"(...), ik heb zulke contacten dat je je er echt niet van bewust bent en je zult godverdomme liggen met opengereten kop of met gebroken benen of handen want ik heb gezegd dat ik foto's wil zien van hoe je zit, je ligt en pijn lijdt en hoe je van de pijn aan het oprollen bent, want zo'n verklikker als jij zou moeten worden begraven en begraven worden onder de brokstukken"

3.

hij in of omstreeks de periode van 12 november 2017 tot en met 03 januari 2018 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] , met het oogmerk die [slachtoffer 2] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door (veelvuldig)

- die [slachtoffer 2] (dreigende/beledigende) e-mails te sturen, en/of

- ( een) kennis(sen) van die [slachtoffer 2] (dreigende/beledigende) berichten en/of foto's te sturen via WhatsApp over (onder meer) die [slachtoffer 2] ;

4.

hij op of omstreeks 02 augustus 2017 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een parkeergarage van een flatgebouw gelegen aan de Dedemsvaartweg en/of aan een auto (kenteken HH314T), terwijl daarvan

gemeen gevaar voor die parkeergarage en/of voertuigen in die parkeergarage en/of voormeld flatgebouw en/of (andere) goed(eren)

en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoners van woningen in dat flatgebouw, althans (een) perso(o)n(en) te duchten was,

met dat opzet naar die parkeergarage is toegegaan, waarna hij, verdachte

- een kussen en/of kleding (besprenkeld met benzine, althans een brandbare vloeistof) op korte afstand achter/nabij de auto heeft neergelegd, en/of

- daarboven/nabij een papier dat vastzat aan een tak in brand heeft gestoken, althans in aanraking heeft gebracht met open vuur, en/of

- een tak met daaraan vastgemaakt een sok met papier boven die kussen en/of kleding heeft gehangen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Inleiding: aard van de zaak

4. Op 2 augustus 2017 is getracht brand te stichten in de parkeergarage van een flatgebouw aan de Dedemsvaartweg te Den Haag. Die brand was kennelijk gericht op de in die garage gestalde auto van de in die flat woonachtige [naam 3] (hierna ook te noemen: [naam 3] ). Dit is de zoon van [slachtoffer 2] (hierna ook te noemen: [slachtoffer 2] ), met wie verdachte enige tijd een liefdesrelatie heeft onderhouden. [slachtoffer 2] woont sedert geruime tijd in bij haar zoon [naam 3] . Op 5 februari 2018 heeft brand gewoed in de parkeergarage van de zojuist genoemde flat waar [naam 3] en [slachtoffer 2] woonachtig zijn. Bij die brand is onder meer de auto van [naam 3] beschadigd geraakt. Deze brand heeft ook overigens grote schade veroorzaakt en geleid tot tijdelijke ontruiming van een groot deel van de 40 woningen waaruit het flatgebouw bestaat.

5. Nadat de verdenking was gerezen dat verdachte zowel voor de poging tot brandstichting op 2 augustus 2017 als voor de brandstichting op 5 februari 2018 verantwoordelijk was, is tegen hem een Europees arrestatiebevel (hierna ook: EAB) uitgevaardigd. Verdachte is op basis daarvan in Zwitserland aangehouden en op 23 mei 2018 overgeleverd aan Nederland, Sindsdien bevindt verdachte zich in verzekering en voorlopige hechtenis.

6. Tegen verdachte is tevens de verdenking gerezen dat hij [slachtoffer 2] heeft belaagd in de periode van 12 november 2017 tot en met 3 januari 2018 en dat hij [slachtoffer 1] (hierna ook te noemen: [slachtoffer 1] ) heeft bedreigd in de periode van 2 december 2017 tot en met 18 februari 2018. Ook voor die feiten heeft de overlevering vanuit Zwitserland plaatsgevonden.

7. Verdachte ontkent zich aan de hem thans tenlastegelegde feiten te hebben schuldig gemaakt, met uitzondering van een deel van de tenlastegelegde bedreigingen van [slachtoffer 1] .

8. Tegen verdachte loopt overigens nog een andere strafzaak, thans in hoger beroep, waarin hij wordt verdacht van vernieling van goederen, toebehorende aan (onder meer) [slachtoffer 2] op 15 maart 2017, brandstichting in de toenmalige woning van [slachtoffer 2] op 17 maart 2017, en bedreiging met (onder meer) brandstichting van [slachtoffer 2] in de periode van 1 januari 2017 tot en met 16 maart 2017.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

9. De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard “voor alle feiten die niet in het EAB zijn genoemd” omdat niet blijkt dat verdachte hiervoor is overgeleverd en tevens niet blijkt dat hij afstand heeft gedaan van het recht om zich op het specialiteitsbeginsel te beroepen. De verdediging heeft er in dat verband op gewezen dat in het EAB niet zijn genoemd:

  • -

    bedreiging van [slachtoffer 1] op 7 en 10 februari 2018 en evenmin bedreiging van haar met zware mishandeling, verkrachting en brandstichting;

  • -

    belaging van [slachtoffer 2] door het sturen afbeeldingen aan anderen dan [slachtoffer 2] ;

  • -

    het voornemen om op 2 augustus 2017 de parkeergarage in brand te steken.

10. Bij de beoordeling van dit verweer (waarbij de rechtbank het er voor houdt dat de verdediging heeft bedoeld te stellen dat aan verdachte andere feiten zijn tenlastegelegd dan waarvoor hij is overgeleverd) is bepalend het arrest van het Europese Hof van Justitie inzake Leymann en Pustovarov van 1 december 20081. Daarin is overwogen dat, om uit te maken of al dan niet sprake is van “enig ander feit” dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, moet worden nagegaan:

  • -

    of de bestanddelen van het strafbare feit, volgens de wettelijke omschrijving die in de uitvaardigende lidstaat daarvan is gegeven, die zijn waarvoor de persoon is overgeleverd en

  • -

    of er voldoende overeenstemming is tussen de gegevens in het aanhoudingsbevel en de gegevens in de latere procedurele handelingen en voorts dat wijzigingen in de omstandigheden tijd en plaats zijn toegestaan, mits

  • -

    zij volgen uit de elementen die zijn verzameld tijdens de procedure die in de uitvaardigende lidstaat is gevolgd met betrekking tot de in het aanhoudingsbevel omschreven gedragingen,

  • -

    zij de aard van het strafbare feit niet wijzigen en zij niet leiden tot gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging in de zin van de artikelen 3 en 4 van het Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (KEAB).

11. Van de verdediging had mogen worden verwacht dat zij ter onderbouwing van haar verweer gemotiveerd had gesteld dat en waarom de door haar gesignaleerde verschillen tussen de tekst van het EAB en de uiteindelijke tenlastelegging in het licht van vorenstaande criteria moeten voeren tot de slotsom dat sprake is van vervolging voor andere feiten dan waarvoor de overlevering is toegestaan. Dat heeft de verdediging niet gedaan. Nu de aard van de strafbare feiten niet zijn gewijzigd, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om tot die slotsom te komen. Het verweer verworpen. Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in zijn vervolging ter zake van de volledige tenlastelegging.

Overwegingen omtrent het bewijs 2

Standpunten van de procesdeelnemers

12. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feit 4 (poging tot brandstichting). Hij heeft gevorderd dat de rechtbank alle andere feiten bewezen zal verklaren.

13. De verdediging heeft vrijspraak van de feiten 1, 3 en 4 bepleit en gedeeltelijke vrijspraak van feit 2.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 4: poging tot brandstichting op 2 augustus 2017

14. [naam 3] heeft op 2 augustus 2017 aangifte gedaan van poging tot brandstichting in zijn auto, die geparkeerd stond in de afgesloten parkeergarage van de flat aan de [adres 1] . Hij zag die dag bij zijn auto kleding en een kussen liggen en rook een benzinegeur. Deze goederen lagen er de dag tevoren, toen hij zijn auto parkeerde, nog niet. [naam 3] vermoedt dat er sprake is van poging tot brandstichting door verdachte, dit in verband met eerdere incidenten.

15. De politie heeft geconstateerd dat aan het hekwerk van de garage ter hoogte van de auto van [naam 3] een takje hing met daaraan een sok met daarin papier. Daaronder lag kleding, te weten een spijkerbroek en een blauwe trui. Die kleding voelde zwaar aan en rook naar benzine.

16. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij de sok herkent omdat verdachte een paar van diezelfde sokken had. Het overhemd herkent zij als dat van haar neef, en zij vermoedt dat verdachte dat overhemd een keer per ongeluk heeft meegenomen.

17. Van de binnenzijde van de broeksband van de aangetroffen spijkerbroek alsmede van de binnenzijde van de kraag van de aangetroffen trui zijn bemonsteringen veilig gesteld die door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) zijn onderzocht. Het NFI concludeert dat de bemonstering van de spijkerbroek een DNA-mengprofiel bevat dat afkomstig kan zijn van verdachte en minimaal drie onbekende personen. De bemonstering van de trui bevat een DNA-profiel dat afkomstig kan zijn van verdachte. Van beide sporen is de matchkans van het profiel niet berekend. Het rapport vermeldt dat met aanvullend DNA-onderzoek kan worden getracht om van het DNA in deze bemonsteringen meer informatieve DNA-profielen te verkrijgen ten behoeve van het berekenen van de bewijskracht ten aanzien van verdachte.

18. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie desgevraagd bevestigd dat een aanvullend DNA-onderzoek van deze bemonsteringen niet heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat (i) niet vaststaat dat het mogelijk is de matchkans en daarmee de bewijskracht van deze bemonsteringen ten opzichte van verdachte vast te stellen en (ii) voor zover dat wel mogelijk zou zijn, niet vaststaat hoe groot die bewijskracht is. Waar de bewijskracht van een dergelijke bemonstering ook nihil kan zijn, komt aan geen van beide bemonsteringen bewijskracht toe.

19. Nu er overigens geen concreet bewijs voorhanden is dat verdachte deze poging tot brandstichting heeft gepleegd, dient hij van dit feit te worden vrijgesproken.

Feit 2: bedreiging van [slachtoffer 1] in de periode van 2 december 2017 tot en met 10 februari 2018

Algemeen

20. Edyta Beata Wojcik heeft in december 2017 en februari 2018 aangifte gedaan van meermalen gepleegde bedreigingen, wat heeft gevoerd tot de huidige tenlastelegging. De rechtbank zal die aangiften in het onderstaande bespreken al naar gelang de data waarop zij betrekking hebben.

2 december 2017

21. [slachtoffer 1] heeft op 9 december 2017 aangifte gedaan3 van bedreiging via door haar op 2 december 2017 ontvangen WhatsApp-berichten waarvan zij vermoedt dat die van verdachte afkomstig zijn. Dat vermoeden grondt zij op de omstandigheid dat zij een vriendin is van [slachtoffer 2] , en zij in de eerdere zaak tegen verdachte een getuigenverklaring heeft afgelegd tegenover de politie. Deze berichten zijn afkomstig van het telefoonnummer [nummer 1] en houden bedreigingen in, kennelijk namens een zekere [naam 1] , wat een afkorting is van de naam van verdachte, jegens haar en haar 14-jarige zoon [naam 4] . Ook zijn er bij die berichten foto’s gevoegd van (onder meer) haar en haar zoon.

22. Van het dossier maakt deel uit4 een afdruk van de berichten waar [slachtoffer 1] over verklaart. Daaruit valt af te leiden dat de door haar ontvangen berichten zijn verstuurd vanaf het telefoonnummer [nummer 1] en dat daar de door haar genoemde foto’s zijn bijgevoegd. Een beëdigde vertaling van die berichten5 maakt duidelijk dat daarin onder meer de volgende passages voorkomen:

  • -

    Jij politiehoer, wraak zal genomen worden op jullie allen voor [naam 1] ;

  • -

    Daar waar jullie wonen jij……die nieuwe woning [slachtoffer 2] …. Wij weten alles, de wraak zal in de vorm zijn van een waarschuwing voor politieverklikkers”

  • -

    Jij, verklikker, je zal je nergens in ..Den Haag kunnen vertonen

  • -

    …zal niet zo rustig kunnen lopen, [slachtoffer 1] …. [naam 4] ..

  • -

    …jij politiehoer….je zult niet alleen de angst proeven, zij zullen misschien jullie ruiten ingooien

23. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het telefoonnummer [nummer 1] in gebruik heeft gehad op enig moment in de maand februari 2018. Hij heeft evenwel betwist de zojuist geciteerde berichten te hebben verzonden. Daartoe stelt hij dat het desbetreffende telefoonnummer in die periode door meerdere personen werd gebruikt. Omtrent de identiteit van die personen heeft verdachte desgevraagd geen opheldering verschaft.

24. De rechtbank acht bewezen dat verdachte vorenstaande WhatsApp-berichten heeft verzonden. Daartoe is in de eerste plaats redengevend dat die berichten afkomstig zijn van een door verdachte gebruikt telefoonnummer zonder dat verdachte heeft kunnen of willen verklaren wie –anders dan hijzelf- de berichten kan hebben verstuurd. Vervolgens wijst de inhoud van de berichten –gelet op de gebruikte termen “politiehoer” en “politieverklikker”- duidelijk in de richting van iemand als afzender die kennelijk agressie koestert tegen [slachtoffer 1] als één van degenen die als getuige betrokken was in de eerdere strafzaak. Daarvoor komt slechts verdachte in aanmerking. Dat door het opstellen van de berichten kennelijk is gepoogd het te doen voorkomen dat een onbekende derde deze berichten zou hebben verstuurd doet daar niet aan af.

25. Anders dan door de verdediging betoogd merkt de rechtbank de inhoud van deze berichten, mede in verband met de daarin voorkomende mededeling dat [slachtoffer 1] en haar zoon niet meer rustig zouden kunnen lopen, aan als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5 en 7 februari 2018

26. Op 7 februari 2018 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van bedreiging via ingesproken voicemail-berichten6 op 5 en 7 februari 2018. Zij herkent aan de stem verdachte als degene die deze berichten heeft ingesproken.

27. Uit een beëdigde vertaling van die berichten7 blijkt dat daarin (voor zover niet al in de tenlastelegging genoemd) de volgende passages voorkomen:

5 februari 2018

  • -

    Luister jij klote verneukte hoer, politieverklikker…..er wacht een verrassing op jullie…….ik zal alles zo organiseren dat…jullie op de begane grond niet eens tijd zullen hebben om te vluchten….

  • -

    Ik zal mensen vinden die jou zullen slaan, een fles, hoer, met benzine dat je niet eens tijd zal hebben om op te rotten, jullie zullen daar levend verbranden….

  • -

    Zo’n hoer als jij zal ook in vlammen staan, binnenkort;

7 februari 2018

er is nu daar wat gebeurd, bij [naam 2] ergens in die flat, er was een of andere nieuwe ontploffing…..dus je moet je ook voorbereiden, dat jij en ….je zou je moet gaan evacueren, uit die woning, zonder een been zonder een hand…..er zullen Marokkanen je in je reet neuken….zij zullen je verkrachten met hun lullen;

28. Uit onderzoek is gebleken8 dat de zojuist weergegeven voicemail-berichten zijn ingesproken na inbellen met het telefoonnummer [telefoonnummer] .

29. Verdachte heeft ter terechtzitting erkend deze berichten te hebben ingesproken. Hij heeft ook erkend dat dit is gebeurd met het toen door hem gebruikte telefoonnummer [telefoonnummer] . De verdediging heeft geen vrijspraak bepleit.

10 februari 2018

30. Op 17 februari 2018 heeft [slachtoffer 1] andermaal aangifte gedaan van bedreiging door middel van een voicemail-bericht. Dit werd ingesproken kort nadat verdachte haar vriend op een ander nummer had gebeld.

31. Uit een beëdigde vertaling van het bericht blijkt9 dat het als volgt luidt:

Nou luister heel aandachtig, ik heb al opdrachten gegeven, maar ik ben niet in Nederland, geloof mij, dat wat bij Grzegorz was gebeurd, ik weet het niet, ik heb daar niets mee te maken, maar ik weet wel dat daar iets is gebeurd, er gaat iets gebeuren, zij zullen jullie van de flat, shit zo snel …dat shit, ….zullen van die etage eruit gooien, shit, die andere … want zij zullen niet in staat zijn om op alles te letten, en met jou zou zijn dat, je, hoer, zult rijden naar het werk of van het werk, zij zullen het al weten waar, ik heb zulke contacten dat je je er echt niet van bewust bent en je zult gvd liggen met opengereten kop of met gebroken benen of handen want ik heb gezegd dat ik foto's wil zien van hoe je zit, je je ligt en pijn lijdt, kut, en hoe je je van pijn aan het oprollen bent, want zo'n verklikker als jij zou moet worden begraven en begraven worden onder de brokstukken.

32. Zowel de verbalisant [verbalisant]10 als [slachtoffer 2]11 verklaren de stem van verdachte te herkennen op (onder meer) het voicemail-bericht van 10 februari 2018.

33. Verdachte betwist het desbetreffende bericht te hebben ingesproken. De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

34. De rechtbank acht, gelet op de stemherkenningen en de inhoud van het bericht, dat onmiskenbaar wijst op verdachte, bewezen dat verdachte dit bericht heeft ingesproken.

Conclusie

35. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdacht alle in dit onderdeel van de tenlastelegging opgenomen berichten heeft verzonden dan wel ingesproken en tevens dat deze zijn aan te merken als bedreigend. Dat betekent dat feit 2 in alle onderdelen bewezen zal worden verklaard.

Feit 3: belaging van [slachtoffer 2] in de periode van 12 november 2017 tot en met 3 januari 2018

36. [slachtoffer 2] heeft aangifte12 en klacht13 gedaan wegens (onder meer) staking, jegens haar gepleegd door verdachte. Het gaat om de volgende berichten:

  • -

    Een e-mail dd. 12 november 2017, afkomstig van het adres [mailadres] en verzonden aan haar neef [naam 5] ;

  • -

    Een e-mail d.d. 12 november 2017, afkomstig van datzelfde adres en verzonden aan het e-mailadres van haar, [slachtoffer 2] ;

  • -

    Een e-mail d.d. 13 december 2017, afkomstig van datzelfde adres en verzonden aan het e-mailadres van haar, [slachtoffer 2] ;

  • -

    Een tweede e-mail d.d. 13 december 2017, afkomstig van datzelfde adres en verzonden aan het e-mail adres van haar, [slachtoffer 2] ;

  • -

    Een op een besloten Facebook-pagina geplaatst bericht, afkomstig van [naam 6] ;

  • -

    WhatsApp-berichten, verzonden aan [naam 7] , een kennis van haar, [slachtoffer 2] .

37. [naam 7] heeft als getuige verklaard14 dat hij vanaf het telefoonnummer [nummer 1] op 20, 21 en 24 december 2017 en op 3 januari 2018 WhatsApp-berichten heeft ontvangen. Die berichten hadden, blijkens hun inhoud, betrekking op [slachtoffer 2] .

38. De (vertaling van) alle bovenstaande e-mails en berichten is aan het dossier toegevoegd15. Kennisneming van de inhoud van die berichten maakt duidelijk dat deze, in combinatie met elkaar, zijn aan te merken als bedoeld om [slachtoffer 2] vrees aan te jagen. Dat betekent dat, voor zover die berichten van één en dezelfde persoon afkomstig zijn, deze persoon zich heeft schuldig gemaakt aan stalking van [slachtoffer 2] . De vraag is vervolgens of, zoals door de officier van justitie aan verdachte wordt verweten, het verdachte is geweest die deze berichten heeft verzonden. Verdachte heeft dit ontkend.

39. Verdachte heeft erkend dat hij gebruik heeft gemaakt van het e-mailadres [mailadres] . Uit de inhoud van de onder hem bij zijn aanhouding in beslag genomen telefoon, merk Samsung, blijkt16 dat daarin 2029 mails stonden die waren gekoppeld aan bedoeld e-mailadres. Op grond hiervan merkt de rechtbank verdachte aan als de verzender van de in r.o. 36 genoemde e-mailberichten. Ook de aan [naam 7] verzonden WhatsApp-berichten moeten van verdachte afkomstig zijn, gelet op het telefoonnummer waarvan al eerder is vastgesteld dat dit bij verdachte in gebruik was. Nu tenslotte voor het facebook-account [naam 6] een koppeling aan de telefoon van verdachte is vastgesteld,17 merkt de rechtbank verdachte aan als degene die het Facebook-bericht heeft geplaatst. Voor alle e-mails en berichten geldt, dat de rechtbank geen geloof hecht aan de bewering van verdachte dat ook anderen dan hijzelf gebruik maakten van het e-mailadres, het telefoonnummer en het Facebook-account en die anderen mogelijk de berichten hebben verzonden, nu verdachte die bewering in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt, nog daargelaten dat (ook) de inhoud van alle mails en berichten onmiskenbaar wijst op verdachte als degene van wie zij afkomstig zijn.

40. Dit voert tot de slotsom dat de rechtbank feit 3 wettig en overtuigend bewezen acht.

Feit 1: brandstichting op 5 februari 2018

Eerste verbalisanten ter plaatse

41. Op 5 februari 2018 omstreeks 3.47 uur werd bij de politie gemeld dat er sprake zou zijn van rook en een sterke brandlucht vanuit het flatgebouw aan de Dedemsvaartweg ter hoogte van nummer [adres 2] te Den Haag. De politie die ter plaatse kwam constateerde18 dat het ging om een flat van 10 etages hoog met daaronder een pareergarage, en dat aan de achterzijde van het perceel een enorme rookontwikkeling gaande was. Verbalisanten zagen dat de rook afkomstig was vanuit de parkeergarage. Er stonden vermoedelijk meerdere auto’s in brand. Na overleg met de inmiddels gearriveerde brandweer werd besloten om alle woningen aan de achterzijde te ontruimen. Ondertussen waren er grote klappen en explosies vanuit de brandende parkeergarage te horen.

42. Er werden 25 tot 30 mensen uit de flat ontruimd, waaronder een baby. Gezien de extreme koude werden de bewoners naar het politiebureau aan de Beresteinlaan te Den Haag gebracht. Omstreeks 4.25 uur is het sein brand meester gegeven. Tijdens het nablussen is een verbalisant naar de zijkant van de flat gelopen, waar zich een waterpartij en bossages bevinden. Men zag dat er een tas in het water lag, en deze is daaruit gehaald. Het betrof een witte boodschappentas.19Verbalisant zette de tas neer op het gras direct naast het water. Hij opende de tas en zag dat er een tweetal plastic limonadeflessen in de tas zaten. Het leek of een fles leeg was en in de andere fles zag hij een geelgekleurde vloeistof. Hij rook bij het openen van de tas een lucht die hij herkende als die van een brandstof zoals benzine.

Aangiften

43. [aangever 1] heeft namens de vereniging van eigenaren [naam 8] te Den Haag aangifte gedaan20 en verklaard dat er in de nacht van zondag 4 op maandag 5 februari 2018 brand is gesticht in de pareergarage van het flatgebouw van de vereniging van eigenaren. Door de brand hebben drie auto’s en een scooter in brand gestaan. In de garage stonden in totaal 13 auto’s. Door de brand is aanzienlijke schade aangericht aan de parkeergarage. Alle elektriciteit moet worden vervangen en er dienen schilderswerkzaamheden plaats te vinden. Op het balkon van een appartement op de eerste etage, direct boven de parkeergarage, is alles wat op het balkon stond gesmolten van de hitte.

44. [naam 3] heeft aangifte gedaan21 en verklaard dat hij met zijn vrouw, zijn dochter, zijn moeder [slachtoffer 2] en zijn zuster woonachtig is in een appartement in de flat aan de Dedemsvaartweg. Zijn auto, een Toyota Avensis, staat altijd op dezelfde plaats in de parkeergarage. In de muur daarboven zit een stalen rooster. Er is eerder geprobeerd zijn auto in brand te steken, en wel op 2 augustus 2017. Aangever vermoedt dat dit is gebeurd door /van buitenaf brandende spullen in de garage te gooien. Om die reden is na de poging tot brandstichting een aluminium plaat voor het rooster aangebracht. Verder heeft aangever zijn auto lange tijd niet in de garage geparkeerd. Op zaterdag 3 februari 2018 heeft hij voor het eerst zijn auto weer in de garage geparkeerd. Door de brand in de nacht van 4 op 5 februari 2018 is zijn auto beschadigd.

45. [aangever 2] heeft, mede namens haar echtgenoot [naam 9] , aangifte22 gedaan. Haar auto (een Opel Corsa) en een scooter stonden geparkeerd in de parkeergarage van de flat. De scooter is geheel verbrand en de auto is beschadigd.

46. [aangever 3] heeft aangifte23 gedaan van het afbranden van zijn auto, merk Renault, type Megane. Deze auto stond in de parkeergarage twee plaatsen van de auto van zijn Poolse buurman af. In verband met een eerdere poging tot brandstichting is het luchtrooster bedekt met een aluminium plaat. Vanaf de auto van aangever was het rooster niet meer afgedekt.

Karakter brand

47. Uit een forensisch onderzoek24 blijkt het volgende. Bij de gevelopeningen van de parkeergarage was roet aanwezig. Een grijze Renault Megane was nagenoeg uitgebrand. Deze had gestaan naast een in de garage geparkeerde Opel Corsa. Links van de Opel Corsa stond een grijze Toyota Avensis. De Opel had aan de voorzijde en in het interieur zware schade ten gevolge van vuur. Voor de Opel lagen de restanten van een uitgebrande scooter.

48. Bij de brand ontstond gemeen gevaar voor goederen en personen. In de parkeergarage ontstond veel schade door vuur en hitte. Op het moment van de brand waren veel bewoners van de tien verdiepingen tellende flat in hun woning. Veel van hen lagen in bed. De bij de brand vrijgekomen rook verspreidde zich naar de bovenliggende verdiepingen. Bij een brand komt altijd koolmonoxide vrij. Door de aanwezigheid van vuur en koolmonoxide was er een groot gevaar voor de bewoners in de flat.

Onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen

49. Op basis van onderzoek met een speurhond ontstond het vermoeden van de aanwezigheid van ontbrandbare vloeistoffen op de aarde bij de beroete buitengevel en onder de gevelopening met rooster, en tevens aan de binnenzijde van de garage boven de gevelopening.

50. Op die plaatsen zijn brandmonsters genomen25. Het NFI heeft na onderzoek vastgesteld dat in diverse bemonsteringen vluchtige stoffen zijn aangetoond, waaronder motorbenzine, aardoliedestillaat en ethanol26.

Tussenconclusie

51. De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat op 5 februari 2018 in de parkeergarage van de flat aan de Dedemsvaarweg brand is gesticht, van welke brand gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor de bewoners van de flat te duchten was. De rechtbank gaat er van uit dat de brand is begonnen bij de Renault Megane van [aangever 3] (die immers zo goed als geheel is uitgebrand) en daarna is overgeslagen naar de Opel Corsa van [aangever 2] (die zwaar beschadigd is geraakt) en daarna naar de Toyota van [naam 3] (die blijkens de foto’s in het dossier minder zwaar beschadigd was).

52. Daarmee komt de vraag aan de orde of het verdachte is geweest die deze brand heeft gesticht, zoals door de officier van justitie is betoogd. Verdachte ontkent bij de brandstichting betrokken te zijn geweest. Hij stelt dat hij op het tijdstip van de brand in het geheel niet in Nederland aanwezig was, maar in Frankfurt, Duitsland, verbleef. Bij de beantwoording van de vraag naar het mogelijke daderschap van verdachte zal de rechtbank de thans weer te geven resultaten van verder onderzoek betrekken.

Onderzoek aangetroffen tassen

53. De op de wijze als hiervoor vermeld aangetroffen tas, betrof een boodschappentas van de Duitse supermarktketen Real. De tas was enigszins vochtig en rook naar motorbenzine. In deze tas bevonden zich de volgende goederen:

 Een blauw/witte plastic tas met het opschrift www.roller.de. In deze tas werd een lege frisdrankfles aangetroffen, zonder dop. De fles rook naar motorbenzine. Uit de fles werd een druppel vloeistof veiliggesteld (SIN AAIZ6406NL). Het NFI heeft vastgesteld dat zich daarin vluchtige stoffen bevonden afkomstig van motorbenzine;27

 Een rode plastic tas met het opschrift T.K. Maxx;

 Een fles Brennpaste, merk Favorit;

 Een houten blokje (deurstopper). Dit was vochtig en rook naar motorbenzine.

Sporenonderzoek

54. De handgrepen van de blauw/witte plastic tas zijn bemonsterd met een wattenstaafje, welke bemonstering is genummerd SIN AAKCS3527NL. Het NFI heeft vastgesteld dat uit deze bemonstering een DNA-profiel van een man valt af te leiden, dat afkomstig kan zijn van verdachte, waarbij de matchkans kleiner dan één op een miljard is.28

Onderzoek telefoons

55. Uit historische verkeersgegevens blijkt29 dat het telefoonnummer [nummer 1] :

 in januari 2018 enkel contact maakte met basisstations in de omgeving van Venlo en Velden;

 op 4 februari 2018 te 21:41 uur contact maakte met een basisstation in Lage Aarde, Molenschot

 op 5 februari 2018 te 8.02 uur contact maakte met het basisstation, gelegen aan de Thijssenweg te Delft.

56. Uit historische verkeersgegevens blijkt30 dat het telefoonnummer [telefoonnummer] :

 Tussen november 2017 en 3 februari 2018 enkel contact maakte met basisstations in de omgeving Venlo, Heerlen, Gilzen en Moergestel;

 Op 5 februari 2018 te 6.29 en 6.37 uur contact maakte met het basisstation gelegen aan de Thijssenweg te Delft.

Conclusie omrent het daderschap

57. De rechtbank kent doorslaggevende betekenis toe aan het DNA-spoor dat is gevonden op de blauw/witte tas, welk spoor, gelet op de matchkans, van verdachte afkomstig moet zijn. Gelet op de omstandigheden waaronder dit spoor is gevonden, te weten op een tas in de directe omgeving van de brandstichting terwijl zich in die tas attributen bevonden die bij de brandstichting moeten zijn gebruik, merkt de rechtbank dit spoor aan als een daderspoor, wat betekent dat dit spoor slechts op de tas terecht kan zijn gekomen bij gelegenheid van het plegen van de brandstichting en van de brandstichter afkomstig moet zijn. Alleen dit spoor al levert volkomen wettig bewijs op dat verdachte de brand heeft gesticht.

58. Daar komt bij dat de aanwezigheid van twee telefoonnummers die (zoals eerder in dit vonnis is overwogen) aan verdachte moeten worden toegeschreven, slechts enige uren na de brandstichting op nog geen 15 kilometer daarvandaan, in combinatie met al het voorgaande ook wijst op betrokkenheid van verdachte bij die brandstichting en in elk geval zijn stelling dat hij zich toen in Duitsland bevond, weerlegt.

59. Op grond van het vorenoverwogene concludeert de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte feit 1 op de tenlastelegging heeft begaan.

De bewezenverklaring

60. De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op of omstreeks 5 februari 2018 te 's-Gravenhage (in een parkeergarage van een flatgebouw aan de Dedemsvaartweg) opzettelijk brand heeft gesticht

door open vuur in aanraking te brengen met brandbare vloeistoffen (motorbenzine en aardoliedestilaat en of ethanol),

ten gevolge waarvan brand is ontstaan en

- voormelde parkeergarage en personenauto's, en/of

- een bromfiets, en

- voorwerp(en) op het balkon van huisnummer [nummer 2]

geheel of gedeeltelijk zijn verbrand,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor voertuigen in die parkeergarage en die parkeergarage en woningen in dat flatgebouw en dat flatgebouw

en

terwijl daarvan levensgevaar voor bewoners van woningen van dat flatgebouw

te duchten was,

2.

hij op verschillende momenten in de periode van 2 december 2017 tot en met 10 februari 2018 te 's-Gravenhage telkens [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en verkrachting en brandstichting,

door die [slachtoffer 1]

op 2 december 2017 via WhatsApp dreigend toe te voegen dat

- er wraak op haar zal worden genomen voor [naam 1] , en

- [slachtoffer 1] en haar zoon niet rustig over straat kunnen lopen;

en

op 5 februari 2018 telefonisch dreigend toe te voegen

- "(...) Denk er aan jij kut en dat zoontje van jou (...) er wacht een verrassing op jullie, een verrassing, er zijn bij mij geruchten uit Den Haag gekomen dat er vandaag iets is gebeurd, kut, ik ga jullie afmaken (wykoncze), jullie politiehoeren, jullie moeten geneukt/geslagen (jebac) worden, denk er aan dat er iets bij jou door het glas binnen gaat vallen (...)", en/of

- "(...) Ik zal mensen vinden die jou zullen slaan, een fles, hoer, met benzine dat je niet eens tijd zal hebben om op te rotten, jullie zullen daar levend verbranden (...)"

en

op 7 februari 2018 telefonisch dreigend toe te voegen

- " Nou denk eraan jij klote hoer, jij zult alle ruiten in jouw woning kapot hebben, ik zal ervoor zorgen,(...), je zult op die aranek van jou niet kunnen letten, hij zal ergens worden aangereden (przetracic) zodat zijn kut opengereten zal zijn, jij zult klappen krijgen (...)", en/of

- " Er is nu daar wat gebeurd, bij [naam 2] ergens in de flat, er was een of andere nieuwe ontploffing geweest 9...), dus je moet je ook voorbereiden, (...) je zou je moeten gaan evacueren uit die woning, zonder een been zonder een hand, misschien wordt je hoofd afgerukt (...), er zullen Marokkanen je in je reet neuken (...), zij zullen je verkrachten met hun lullen",

en

op 10 februari 2018 telefonisch dreigend toe te voegen

- " Nou luister heel aandachtig, ik heb al opdrachten gegeven (...), zij zullen jullie van de flat, shit zo snel "wykurza"(...), ik heb zulke contacten dat je je er echt niet van bewust bent en je zult godverdomme liggen met opengereten kop of met gebroken benen of handen want ik heb gezegd dat ik foto's wil zien van hoe je zit, je ligt en pijn lijdt en hoe je van de pijn aan het oprollen bent, want zo'n verklikker als jij zou moeten worden begraven en begraven worden onder de brokstukken";

3.

hij in van 12 november 2017 tot en met 03 januari 2018 te ’s-Gravenhage, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] , met het oogmerk die [slachtoffer 2] vrees aan te jagen, door veelvuldig

- die [slachtoffer 2] dreigende/beledigende e-mails te sturen, en

- een kennis van die [slachtoffer 2] dreigende/beledigende berichten en foto's te sturen via WhatsApp over die [slachtoffer 2] .

61. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

62. Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte

63. De verdachte is eveneens strafbaar omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

64. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

65. De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat, bij een bewezenverklaring van de feiten, een strafeis van zeven jaren buiten proporties is.

Het oordeel van de rechtbank

66. Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Bedreiging en belaging

67. Uit het onderzoek ter terechtzitting is duidelijk is geworden dat alle bewezenverklaarde feiten met elkaar samenhangen, omdat zij voortvloeien uit een conflict dat verdachte meent te hebben met [slachtoffer 2] . Dat (kennelijk uitsluitend door verdachte als zodanig ervaren) conflict heeft betrekking op een verbroken liefdesrelatie tussen hem en [slachtoffer 2] en/of op geldbedragen waarvan verdachte meent dat [slachtoffer 2] die aan hem verschuldigd is. Een en ander zou hebben geleid tot eerdere incidenten dan die waarop de onderhavige dagvaarding betrekking heeft (namelijk vernieling, bedreiging en brandstichting), ten aanzien waarvan de verdenking bestaat dat verdachte daarvoor verantwoordelijk is. Daarover is nog niet bij onherroepelijke uitspraak van de rechter beslist.

68. Het door verdachte ervaren conflict heeft zich – reeds blijkens de inhoud van de uitingen waarvan de rechtbank in het vorenstaande bewezen heeft geacht dat deze van verdachte afkomstig zijn- inmiddels uitgebreid tot de zoon van [slachtoffer 2] , [naam 3] bij wie [slachtoffer 2] is gaan inwonen, en een vriendin van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] . Laatstgenoemde heeft in het onderzoek naar de eerdere verdenkingen jegens verdachte verklaringen afgelegd die door verdachte kennelijk als onjuist en onheus worden beschouwd.

69. Tegen deze achtergrond moet de bewezenverklaarde bedreiging van [slachtoffer 1] als zeer ernstig worden aangemerkt. Daarvoor is niet alleen de buitengewoon ongepaste, grievende en zeer bedreigende inhoud van de aan [slachtoffer 1] gestuurde berichten van belang, uit welke inhoud (gelet op het gebruik van de kwalificaties “politiehoer” en “verklikker” overduidelijk blijkt hoe zeer verdachte het [slachtoffer 1] kwalijk neemt dat zij tegenover de politie heeft verklaard), maar ook, en zelfs nog in sterkere mate, het moment van de verstuurde berichten in relatie tot de inhoud daarvan. Deze berichten zijn immers verstuurd zowel vóór de datum van de bewezenverklaarde brandstichting, als op de datum van die brandstichting zelf, als ook kort daarna. In die berichten wordt telkens verwezen naar ernstig geweld dat jegens [slachtoffer 1] zal worden toegepast dan wel haar zal overkomen, waaronder verbranding, blijkens de volgende passages:

  • -

    2 december 2017: er zal wraak genomen worden voor [naam 10] [verdachte]; wij hebben jouw adres; zij zullen misschien jullie ruiten ingooien;

  • -

    5 februari 2018: er gaat iets bij jou door het glas naar binnen vallen; jullie zullen geen tijd hebben om te vluchten; jullie zullen daar levend verbranden; zo’n hoer als jij zal ook in vlammen staan;

  • -

    7 februari 2018: bij Grzehorz…. in de flat was een of andere nieuwe ontploffing….dus je moet je ook voorbereiden dat jij moet gaan evacueren, uit die woning, zonder een been en een hand misschien wordt je hoofd afgerukt;

  • -

    10 februari 2018: een verklikker als jij zou moeten worden begraven onder de brokstukken.

70. Door de inhoud van deze berichten, zeker die van 5 februari 2018 en daarna, kan bij [slachtoffer 1] –zoals blijkens haar verklaring ook feitelijk is gebeurd- de gerechtvaardigde vrees zijn ontstaan dat zij en haar 14-jarige zoon het (mogelijk dodelijk) slachtoffer zouden worden van een ernstig geweldsdelict, zoals brandstichting.

71. Voor de bewezenverklaring van de belaging van [slachtoffer 2] geldt hetzelfde. Ook dit feit merkt de rechtbank aan als zeer ernstig, gelet op de voorgeschiedenis tussen verdachte en [slachtoffer 2] en gelet op de inhoud van de berichten en e-mails die onderdeel van de belaging uitmaken. Ook daarin komen passages voor die bedreiging met een (levens)delict inhouden (12 november 2017: het gaat jou niet lukken om noch jouw hele gezin noch [namen] te beschermen ……jij Poolse teef kon in vlammen opgaan; 13 december 2017: …door jou zal iemand een invalide zijn; 20 december 2017: geef door aan die hoeren…..zodat alles bij hen dood zou gaan en dat in de komende dagen iemand iets zal overkomen..).

72. Uit een oogpunt van straftoemeting voert dit tot het oordeel dat voor deze feiten, gelet op de ernst daarvan, in beginsel slechts oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in aanmerking komt.

Brandstichting

73. Voorop staat dat de wet (artikel 157 van het wetboek van strafrecht) bepaalt dat het zwaarste ten laste van verdachte bewezenverklaarde feit, opzettelijk brand stichten terwijl daarvan levensgevaargevaar voor een ander te duchten is, wordt bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren. De wetgever beschouwt dit delict daarmee als behorende tot de categorie zwaardere misdrijven. Dat neemt niet weg dat het gedrag dat tot toepassing van deze strafbepaling leidt vele verschillende vormen kan aannemen zodat in ieder concreet geval dient te worden nagegaan welke mate van ernst daaraan uit een oogpunt van straftoemeting moet worden toegekend. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

74. Het gaat hier om het stichten van brand in de parkeergarage onder een flatgebouw van tien verdiepingen met daarin veertig appartementen. De brand was, gelet op de aangerichte schade, heftig en ging gepaard met zware rookontwikkeling. Als gevolg daarvan diende in het holst van de nacht de gehele flat ontruimd te worden, waardoor de meeste bewoners (waaronder kleine kinderen) in de kou op straat kwamen te staan.

75. De door de brand ontstane situatie was voor bewoners levensbedreigend, niet alleen vanwege de mogelijkheid dat het vuur niet tijdig geblust kon worden en zou overslaan naar hoger gelegen etages, maar ook vanwege de gevaren die het ontstaan van giftige stoffen, zoals koolmonoxide, met zich brengen. Het bleek zelfs niet mogelijk om de gehele flat te ontruimen; ten aanzien van één bewoner die afhankelijk was van een scootmobiel en zuurstof gebruikt is dit niet gelukt.

76. De rechtbank houdt het er voor dat het snelle optreden van politie en brandweer een ramp van niet te overziene omvang heeft voorkomen. Dat het is gebleven bij zeer grote materiële schade en veel angst, overlast en daarmee verband houdend psychisch leed bij de bewoners van de flat is niet te wijten aan de brandstichter, te weten verdachte.

77. Alleen al deze omstandigheden plaatsen de onderhavige brandstichting in een hoge categorie als het gaat om de ernst daarvan. De rechtbank oordeelt dat, indien uitsluitend die omstandigheid in aanmerking wordt genomen, oplegging van een gevangenisstraf van zeven jaren (minder dan de helft van het strafmaximum) voor dit feit op zijn plaats is.

78. Vervolgens komt de vraag aan de orde naar de omstandigheden die aan de zijde van verdachte bij het plegen van dit delict een rol hebben gespeeld, en dient te worden nagegaan of die omstandigheden invloed hebben op de strafoplegging en zo ja, in welke mate.

79. De rechtbank gaat dat er van uit dat (ook) dit delict zijn grondslag vindt in het door verdachte ervaren conflict met [slachtoffer 2] en de boosheid en agressie die dat conflict kennelijk bij hem oproept. De brandstichting was immers overduidelijk in de eerste plaats gericht op de auto van [naam 3] , en daarmee bedoeld om hem, zijn gezin en zijn inwonende moeder [slachtoffer 2] te treffen. Opvallend is dat uit de verklaring van [naam 3] blijkt dat deze –juist uit vrees voor beschadiging van zijn auto door verdachte- zijn auto geruime tijd buiten de parkeergarage had gehouden, en dat de nacht van de brandstichting de tweede nacht was dat de auto weer op de gebruikelijke plaats in de parkeergarage stond. Dat betekent dat verdachte (mogelijk zelfs dagenlang) de garage in de gaten moet hebben gehouden en heeft toegeslagen kort nadat de auto van [naam 3] zich daar weer bevond. Daaruit blijkt een verregaande mate van voorbedachte rade bij het plegen van dit feit, wat als strafverzwarend heeft te gelden.

80. Wat de rechtbank verdachte vervolgens zeer zwaar aanrekent is, dat hij kennelijk bereid is geweest de kans op de koop toe te nemen dat volstrekt niet bij het conflict betrokken derden gevolgen zouden ondervinden van zijn wens om [naam 3] en [slachtoffer 2] te treffen. Aannemelijk is dat verdachte de brand heeft laten beginnen bij een auto die twee parkeerplaatsen van de auto van [naam 3] afstond, kennelijk met de gedachte dat via die auto en de auto daarnaast de auto van [naam 3] dan ook wel vlam zou vatten (zoals ook is gebeurd). Dat getuigt van een volstrekte minachting voor de belangen en eigendomsrechten van derden die niets te maken hebben met het conflict waarbij verdachte zich betrokken acht. Daar komt bij dat het niet bij schending van eigendomsrechten is gebleven maar dat alle in de flat wonende bewoners feitelijk door verdachte in levensgevaar zijn gebracht. Ook deze omstandigheid brengt de rechtbank bij de strafoplegging ten nadele van verdachte in rekening.

81. Tenslotte kan bij de strafoplegging de psychische gesteldheid van verdachte ten tijde van het plegen van het feit een rol spelen. Gelet op hetgeen in het vorenstaande omtrent de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd is vastgesteld moet de kans op herhaling daarvan, en met name de kans op jegens [slachtoffer 2] , haar familie, [slachtoffer 1] en –als toevallige slachtoffers- derden te plegen delicten, waaronder levensdelicten, zeer groot worden geacht. Uit alles (met name uit de na de brandstichting verstuurde berichten) blijkt immers dat het conflict in de ogen van verdachte allerminst is opgelost. De vraag rijst dan ook of de vanwege dit recidivegevaar noodzakelijke bescherming van de maatschappij uitsluitend door het opleggen van een (langdurige) vrijheidsstraf kan worden bereikt of dat daarvoor andere mogelijkheden zijn, bijvoorbeeld door behandeling van verdachte.

82. Verdachte heeft geweigerd aan ieder persoonlijkheidsonderzoek mee te werken. Dat is zijn goed recht, maar het betekent wel dat de rechtbank geen inzicht heeft gekregen in zijn persoonlijkheid en daarom geen rekening kan houden met (behandel)mogelijkheden die het recidivegevaar kunnen verminderen. Dat komt, uit een oogpunt van staftoemeting, voor rekening van verdachte.

Slotsom

83. Zoals de rechtbank heeft overwogen voert de ernst van de bewezenverklaarde brandstichting reeds tot een gevangenisstraf van zeven jaren. Die straf dient te worden vermeerderd met een strafdeel voor de tevens bewezenverklaarde delicten bedreiging en belaging.

84. De specifieke omstandigheden waaronder de brandstichting is gepleegd, te weten de voorbedachte rade en de minachting voor lijf en goed van derden, leiden tot een verdere strafverhoging. Tenslotte is het strafdoel bescherming van de maatschappij dominant. Aan verdachte dient voor aanzienlijke tijd de mogelijkheid te worden ontnomen soortgelijke feiten te plegen als thans bewezen zijn verklaard. Ook dat voert tot strafverhoging.

85. De rechtbank acht een gevangenisstraf van tien jaren op zijn plaats en zal die dan ook aan verdachte opleggen. Die straf is belangrijk hoger dan de straf die door de officier van justitie is geëist, aangezien de rechtbank van oordeel is dat de in het vorenstaande weergegeven omstandigheden, met name de noodzaak tot bescherming van de maatschappij, onvoldoende in de eis van de officier van justitie tot uitdrukking komen.

De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregel

86. Als benadeelde partijen hebben zich gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding:

- [slachtoffer 1] (€ 600,00 immateriële schade),

- [naam 3] (€ 135,00 materiële schade en € 550,00 immateriële schade),

- [naam 11] (€ 550,00 immateriële schade),

- [aangever 2] (€ 136,00 materiële schade en € 450,00 immateriële schade), en

- [naam 9] (€ 300,00 materiële schade en € 450,00 immateriële schade),

elk van deze bedragen te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de officier van justitie

87. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen integraal dienen te worden toegewezen, elk met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

88. De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat, gelet op haar pleidooi, de vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

89. De vorderingen zijn zowel ten aanzien van de materiële schade als ten aanzien van de immateriële schade voldoende onderbouwd door de benadeelde partijen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal derhalve de vorderingen integraal toewijzen. Voorts zal de rechtbank bij alle vorderingen de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 5 februari 2018 omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

90. Nu de verdachte voor de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door deze feiten is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van:

- € 600,00 ten behoeve van [slachtoffer 1] ,

- € 685,00 ten behoeve van [naam 3] ,

- € 550,00 ten behoeve van [naam 11] ,

- € 586,00 ten behoeve van [aangever 2] , en

- € 750,00 ten behoeve van [naam 9] ,

elk van deze bedragen vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 februari 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De toepasselijke wetsartikelen

91. De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 36 f, 57, 63, 157, 285, 285b van het Wetboek van Strafrecht.

92. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

Eendaadse samenloop van:

opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten terwijl daarvan terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

ten aanzien van feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

en

bedreiging met brandstichting

en

bedreiging met verkrachting;

ten aanzien van feit 3:

belaging;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

- [slachtoffer 1] een bedrag van € 600,00,

- [naam 3] een bedrag van € 685,00,

- [naam 11] een bedrag van € 550,00,

- [aangever 2] een bedrag van € 586,00, en

- [naam 9] een bedrag van € 750,00,

elk van deze bedragen vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 februari 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot:

- € 600,00 ten behoeve van [slachtoffer 1] ,

- € 685,00 ten behoeve van [naam 3] ,

- € 550,00 ten behoeve van [naam 11] ,

- € 586,00 ten behoeve van [aangever 2] , en

- € 750,00 ten behoeve van [naam 9] ,

elk van deze bedragen vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 februari 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van de verschuldigde bedragen volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van respectievelijk 12, 13, 11, 11 en 15 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.W. du Pon, voorzitter,

mr. A.P. Sno, rechter,

mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechter,

in tegenwoordigheid van W.M.W. van Nuss, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 januari 2019.

1 ECLI:EU:C:2008:669. Zie ook Gerechtshof Amsterdam 27 juli 2017, ECLI:NL:GHAMS 2017:3041.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het voorgeleidingsdossier van het onderzoek ”Plein” met het nummer DH2R018011 van de politie eenheid Den Haag (doorgenummerd blz. 1 t/m 262), en van het einddossier van dit onderzoek (doorgenummerd blz. 1 t/m 76).

3 p. 31

4 p. 35 e.v.

5 p. 39 e.v.

6 p. 211

7 p. 214

8 p. 223

9 p. 222

10 p. 65 aanvullend pv

11 p. 64 aanvullend pv

12 p. 44

13 p. 62

14 p. 26 aanvullend pv

15 p. 46 ev, p. 33 e.v. alles aanvullend pv

16 p. 14 aanvullend pv

17 p. 13 aanvullend pv

18 p. 70

19 p. 72

20 p. 99

21 p. 106

22 p. 102

23 p. 104

24 p. 110

25 p. 112

26 p. 188

27 p. 188

28 p. 192-193

29 p. 206

30 P. 209