Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6653

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-07-2019
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 7006
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in de motivering van het bestreden besluit heeft hersteld. Financiële gegevens, zoals bankafschriften, zijn onmiskenbaar van belang voor het vaststellen van het recht op bijstand. Eiser heeft, door verweerder niet de gevraagde bankafschriften te verschaffen, in strijd gehandeld met de op hem rustende inlichtingenverplichting, zoals bedoeld in arftikel 17, eerste lid, van de Pw. Het is vaste jurisprudentie dat, wanneer door de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, dit een rechtsgrond is voor intrekking van dat recht. Doordat eiser verweerder niet de gevraagde bankafschriften heeft verschaft, was deze niet in staat alsnog vast te stellen of eiser recht op bijstand had in de bewuste maanden en daarom gehouden het recht op bijstand over die maanden in te trekken. Verweerder was ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Pw ook gehouden de in die maanden ten onrechte verstrekte bijstand van eiser terug te vorderen. Niet gebleken is van dringende redenen op grond waarvan verweerder in eisers geval daarvan had moeten afzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/7006

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. J. Looman),

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, verweerder

(gemachtigde: M. Drazenovic).

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2017 (primair besluit I) heeft verweerder het recht van eiser op bijstand ingevolge de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 oktober 2013 ingetrokken.

Bij besluit van 10 april 2017 (primair besluit II) heeft verweerder de aan eiser in genoemde periode uitgekeerde bijstand ter grootte van € 54.898,19 van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 30 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2018. Eiser noch zijn gemachtigde is, zoals van tevoren aangekondigd, verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 22 januari 2019 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Bij verlengingsuitspraak van 7 maart 2019 heeft de rechtbank de termijn die zij verweerder heeft gegeven om het gebrek te herstellen, verlengd tot zes weken na verzending van de verlengingsuitspraak.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.

Eiser heeft hierop geen schriftelijke zienswijze gegeven.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 12 juni 2019 gesloten.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.

2. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat verweerder het recht van eiser op bijstand ingevolge de Participatiewet (Pw) in de periode van 1 oktober 2013 tot 1 februari 2017 terecht heeft ingetrokken en de in die periode ten onrechte verstrekte bijstand terecht van hem heeft teruggevorderd. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak ook geconstateerd dat verweerder het recht van eiser op bijstand over de maanden februari 2017 en maart 2017 heeft ingetrokken en de in die maanden aan eiser betaalde bijstand heeft teruggevorderd, zonder dat uit het dossier blijkt dat verweerder onderzoek heeft gedaan naar de rechtmatigheid van eisers recht op bijstand in deze twee maanden. Bewijs dat eiser zijn inlichtingenverplichting ook in deze periode niet is nagekomen ontbreekt. Daarom heeft deze rechtbank in haar tussenuitspraak geoordeeld dat verweerder in zoverre aan het bestreden besluit onvolledig onderzoek ten grondslag heeft gelegd en dat het bestreden besluit in zoverre berust op een ondeugdelijke motivering.

3. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen door de motivering van het bestreden besluit te verbeteren dan wel door een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Verweerder heeft, teneinde alsnog te kunnen vaststellen of eiser recht op bijstand had in de maanden februari 2017 en maart 2017, getracht inzicht te krijgen in diens financiële situatie in die periode. Daartoe heeft verweerder eiser bij brief van 7 februari 2019 gevraagd om bankafschriften uit deze periode over te leggen. Verweerder heeft op eisers verzoek de rechtbank op 1 maart 2019 schriftelijk gevraagd de hersteltermijn te verlengen, zodat eiser de gevraagde informatie kon leveren, maar eiser heeft verweerder – ondanks de verlengde termijn – de gevraagde bankafschriften niet verschaft, noch enige andere reactie gegeven.

4. Verweerder heeft in zijn reactie van 2 april 2019 op de tussenuitspraak de motivering van het bestreden besluit aangepast. Die motivering luidt nu dat eiser, door niet tijdig de gevraagde bankafschriften te verstrekken in strijd heeft gehandeld met de op hem rustende inlichtingenverplichting van arftikel 17, eerste lid, van de Pw, waardoor verweerder niet kan vaststellen of eiser in de maanden februari en maart 2017 recht op bijstand had.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in de motivering van het bestreden besluit heeft hersteld. Financiële gegevens, zoals bankafschriften, zijn onmiskenbaar van belang voor het vaststellen van het recht op bijstand.

Eiser heeft, door verweerder niet de gevraagde bankafschriften te verschaffen, in strijd gehandeld met de op hem rustende inlichtingenverplichting, zoals bedoeld in arftikel 17, eerste lid, van de Pw. Het is vaste jurisprudentie dat, wanneer door de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, dit een rechtsgrond is voor intrekking van dat recht. Doordat eiser verweerder niet de gevraagde bankafschriften heeft verschaft, was deze niet in staat alsnog vast te stellen of eiser recht op bijstand had in de bewuste maanden en daarom gehouden het recht op bijstand over die maanden in te trekken. Verweerder was ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Pw ook gehouden de in die maanden ten onrechte verstrekte bijstand van eiser terug te vorderen. Niet gebleken is van dringende redenen op grond waarvan verweerder in eisers geval daarvan had moeten afzien.

6. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het recht van eiser op bijstand ingevolge de Pw over februari 2017 en maart 2017 is ingetrokken en teruggevorderd wegens strijd met artikel 3:4 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit – voor zover dat wordt vernietigd – met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb in stand.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het recht van eiser op bijstand ingevolge de Pw over februari 2017 en maart 2017 is ingetrokken en teruggevorderd;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 512,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn, voorzitter, en mr. D.A.J. Overdijk en mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin, leden, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.