Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6649

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-07-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
C/09/522854 / HA ZA 16-1349
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intellectuele eigendom. Bewijsbeoordeling. Bewijs levering auteursrechten bij akte niet geleverd.

zie ook ECLI:NL:RBDHA:2018:1659.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/522854 / HA ZA 16-1349

Vonnis van 3 juli 2019

in de zaak van

CERME ICT B.V.,

te Rijswijk,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. P.S. Jonker te Rotterdam,

tegen

[A] ,

te [plaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. D.M. Schipper te Valkenswaard.

Partijen zullen hierna Cerme en [A] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 februari 2018 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 23 augustus 2018;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 13 december 2018;

  • -

    de conclusie na enquête van [A] van 16 januari 2019;

  • -

    de conclusie na enquête van Cerme van 13 februari 2019;

  • -

    de rolbeslissing van 6 maart 2019, waarbij [A] is toegestaan bij akte te reageren op de conclusie na enquête van Cerme;

  • -

    de akte van [A] , genomen op de rol van 20 maart 2019;

  • -

    de rolbeslissing van 27 maart 2019, waarbij Cerme is toegestaan bij akte te reageren op de akte van [A] ;

  • -

    De akte van Cerme van 10 april 2019.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

1.3.

De rechter die het tussenvonnis van 14 februari 2018 heeft gewezen, is geen rechter meer in deze rechtbank. De getuigenverhoren hebben plaatsgevonden overstaan van de rechter die dit vonnis wijst.

2. De verdere beoordeling

in conventie

inleiding

2.1.

Bij het tussenvonnis van 14 februari 2018 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank Cerme opgedragen te bewijzen dat de volle gerechtigdheid tot auteursrechten op het programma Mega-Kassa door [A] is ingebracht in de VOF.

2.2.

In het tussenvonnis is (kort gezegd) overwogen dat levering van de aan de orde zijnde auteursrechten op grond van artikel 2 Aw1 plaats dient te vinden door middel van een daartoe bestemde akte. Verder is overwogen dat Cerme daarom niet kan volstaan met het bewijs dat partijen de inbreng van de volle gerechtigdheid op de auteursrechten zijn overeengekomen, maar zal dienen te bewijzen dat deze volle gerechtigdheid ook daadwerkelijk is ingebracht door levering, hetzij door de daartoe strekkende leveringsakte (alsnog) in het geding te brengen, hetzij door het bestaan van deze akte op andere wijze aan te tonen.

het bewijs

2.3.

Cerme heeft geen leveringsakte in het geding gebracht. Zij heeft gesteld dat deze akte is zoekgeraakt. Zij heeft bewijs bijgebracht door middel van het doen horen van getuigen. Dit betreft:

  • -

    [getuige 1] ;

  • -

    [getuige 2] ;

  • -

    [getuige 3] .

2.4.

[A] heeft in het kader van het leveren van tegenbewijs zichzelf als getuige doen horen.

2.5.

Op grond van artikel 164 lid 2 Rv2 kan, indien een partij als getuige is gehoord, haar verklaring omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Hiervan is sprake als er aanvullende bewijzen zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigeverklaring voldoende geloofwaardig maken3.

2.6.

[getuige 3] is als statutair bestuurder van Cerme ten aanzien van de onderhavige bewijsopdracht aan te merken als partijgetuige, zodat voor zijn verklaring de hiervoor omschreven beperking geldt. [getuige 1] en [getuige 2] zijn (ieder voor 1/3 deel) aandeelhouder van Cerme. Nu de hoedanigheid van aandeelhouder van een vennootschap niet de bevoegdheid oplevert om deze in rechte te vertegenwoordigen en niet is gesteld of gebleken dat [getuige 1] en [getuige 2] die bevoegdheid op andere grond hebben, kunnen zij - anders dan [A] stelt - niet als partijgetuige worden aangemerkt4. Voor [A] geldt - anders dan Cerme meent - dat hij niet als partijgetuige is aan te merken, omdat zijn verklaring niet is afgelegd omtrent door hem te bewijzen feiten. De bewijslast rust immers op Cerme. Aan de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [A] komt dan ook vrije bewijskracht toe. Voor [getuige 1] en [getuige 2] geldt echter wel dat zij als aandeelhouder belang (kunnen) hebben bij de uitkomst van deze zaak. Daarbij komt dat zij hebben verklaard bevriend te zijn met [getuige 3] . Ook voor [A] , als partij in dit geding, geldt dat hij belang heeft bij de uitkomst van deze zaak. De rechtbank neemt dit in aanmerking bij het beoordelen van het bewijs.

2.7.

[getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] hebben (samengevat) onder meer verklaard dat [getuige 3] in aanwezigheid van [A] , [getuige 1] en [getuige 2] een handgeschreven stuk in de Turkse taal heeft opgesteld waarin onder meer was opgenomen dat de (auteurs)rechten op het programma Mega-Kassa door [A] in de VOF werden ingebracht, welk stuk vervolgens door [getuige 3] en [A] is ondertekend. Zij hebben verklaard dat dit eind 2004/begin 2005 heeft plaatsgevonden in een kantoor in de supermarkt van [getuige 1] en [getuige 2] .

2.8.

[A] heeft (samengevat) onder meer verklaard dat de door [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] omschreven bijeenkomst in de supermarkt niet heeft plaatsgevonden, dat hij geen handgeschreven overeenkomst met [getuige 3] heeft ondertekend en dat er bij de gesprekken met [getuige 3] over de oprichting van de VOF geen schriftelijke contracten zijn gemaakt en ondertekend.

2.9.

Cerme heeft bij conclusie na enquête nog gewezen op de overeenkomst van
12 maart 2010 tussen Cerme en [A] (in hun hoedanigheid van vennoten van de VOF) als verkopende partij enerzijds en Cerme als kopende partij anderzijds. Zij stelt dat [A] die akte ter zake de levering van de broncode van het programma Mega-Kassa (inclusief auteursrecht) door de VOF aan Cerme nooit zou hebben getekend als deze niet eerst in 2005 door hem zou zijn geleverd aan de VOF. Cerme verliest bij die redenering echter uit het oog dat partijen kunnen zijn overeengekomen dat [A] de auteursrechten in de VOF zou inbrengen, maar dat geen voor daadwerkelijke overdracht vereiste leveringsakte is opgesteld (zie hiervoor onder 2.2). Daar komt bij dat [A] heeft gesteld dat hij niet wist dat hij in 2010 voor overdracht van auteursrechten tekende en dat hij indien hij dat wel had geweten nooit zou hebben getekend, omdat hij in 2009 deze rechten al aan een andere partij ( [X] ) had verkocht. De overeenkomst uit 2010 kan dan ook niet bijdragen aan het bewijs dat in 2005 de volle gerechtigdheid tot auteursrechten op het programma Mega-Kassa door [A] is ingebracht in de VOF.

2.10.

De door partijen in hun processtukken na de getuigenverhoren gevoerde discussie over de vraag of de VOF, Cerme dan wel [getuige 3] na oprichting van de VOF de beschikking hadden over de broncode van het programma Mega-Kassa is evenmin relevant voor de onderhavige bewijsvraag. Het feitelijk kunnen beschikken over broncodes wil immers niet zeggen dat de VOF ook daadwerkelijk de volle gerechtigdheid tot de auteursrechten op de betreffende software geleverd heeft gekregen.

2.11.

Bij gebreke van enig objectief bewijs, bijvoorbeeld in de vorm van schriftelijke stukken of een onafhankelijke getuigenverklaring, is de verklaring van [A] voldoende om het door Cerme bijgebrachte (getuigen)bewijs van het bestaan van een leveringsakte te ontzenuwen. De enkele getalsmatige meerderheid van de getuigen aan de zijde van Cerme legt in dit verband, mede gezien hun betrokkenheid bij deze partij (zie hiervoor onder 2.6), onvoldoende gewicht in de schaal.

conclusie

2.12.

De slotsom van het voorgaande is dat Cerme er niet is geslaagd te bewijzen dat de volle gerechtigdheid tot auteursrechten op het programma Mega-Kassa door [A] is ingebracht in de VOF. Zoals al onder 4.10 van het tussenvonnis is overwogen, moeten de op die stelling gebaseerde vorderingen onder 1, 5 en 6 van Cerme dan ook worden afgewezen. Ook de vordering onder 9 - voor zover deze ziet op schade als gevolg van het onder vordering 5 bedoelde onrechtmatig handelen - moet worden afgewezen. Onder 4.23 van het tussenvonnis is al overwogen dat het door Cerme onder 2, 3, 4, 7 en 9 - voor zover het betrekking heeft op schade als gevolg van wanprestatie - gevorderde moet worden afgewezen. De onder 8 gevorderde dwangsom moet, nu deze is verbonden aan vorderingen 4, 6 en 7, ook worden afgewezen. Geen van de vorderingen van Cerme komt dan ook voor toewijzing in aanmerking.

2.13.

Cerme zal als de in het ongelijk gestelde partij in conventie worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 885,- aan griffierecht en (4,5 punten x tarief IV € 1.074,-) € 4.833,- aan salaris advocaat, derhalve in totaal € 5.718,-. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten met ingang van 14 dagen na de datum van dit vonnis zal als onbestreden worden toegewezen.

in reconventie

2.14.

In het tussenvonnis is onder 4.25 al overwogen dat de in reconventie door [A] ingestelde vordering niet toewijsbaar is.

2.15.

[A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in reconventie worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden begroot op (1 punt x tarief II € 543,-) € 543,-.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

wijst de vorderingen van Cerme af;

3.2.

veroordeelt Cerme in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [A] begroot op € 5.718,-, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

3.4.

wijst de vorderingen van [A] af;

3.5.

veroordeelt [A] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Cerme begroot op € 453,-;

3.6.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.J. Visser en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2019.

1 Wet van 23 september 1912, houdende nieuwe regeling van het auteursrecht (Auteurswet)

2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

3 HR 31 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1688

4 Vgl. HR 22 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1928