Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6648

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
19_1629
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat informatie over buitenlandse bankrekeningen van belang kan zijn voor de belastheffing bij eiseres voor de jaren 2005, 2006 en 2007. Nu de gevraagde informatie ter zake van een te naam van eiseres gestelde Belgische bankrekening niet is verstrekt, is terecht een informatiebeschikking gegeven. Dat eiseres niet gerechtigd zou zijn tot deze rekening is niet aannemelijk gemaakt. Voor betreffende jaren is niet van belang dat in een later jaar beslag is gelegd op de bankrekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-09-2019
V-N Vandaag 2019/2120
FutD 2019-2511
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 19/1629

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [plaats ] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.H.M. Madou),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met betrekking tot de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren van 2003 tot en met 2015, de heffing van omzetbelasting vanaf 1 januari 2005 en lopende bezwaarschriften tegen (navorderings) aanslagen IB/PVV voor de jaren 2005, 2006 en 2007 alsmede de naheffingsaanslag omzetbelasting over de jaren 2005/2006 een informatiebeschikking gegeven.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 oktober 2017 de informatiebeschikking gehandhaafd voor zover die ziet op lopende bezwaarschriften tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV voor de jaren 2005, 2006 en 2007 alsmede tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting 2005/2006.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld bij rechtbank Zeeland-West-Brabant, die de zaak voor verdere behandeling en beslissing heeft verwezen naar rechtbank Den Haag.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2019.

Namens eiseres zijn verschenen de gemachtigde en [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] en [C] .

Overwegingen

Feiten

  1. Eiseres is in 1994 toegetreden tot de Orde [de orde] (de orde). Blijkens een uittreksel van de akte van oprichting van de orde is het doel van de orde erin gelegen “waar dan ook op aarde hulp te bieden, armoede te bestrijden en kinderen vrij te maken van angsten.”

  2. Tot de stukken van het geding behoort een op 26 april 2016 gedagtekend uittreksel van een certificaat van dienstbaarheid aan de orde. In dit uittreksel is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“[eiseres] wenst in deze akte, als Oblaat, toe te treden tot [de orde] en de Gelofte (…) af te leggen.

Verklaar en besluit, met volledige instemming, zonder enig voorbehoud:

1. Dat zij zich, non-profit, inzet voor het doel van [de orde].

2. Dat zij haar gaven, talenten, vaardigheden en kennis via [de orde] ter beschikking stelt van hen die door Armoede getroffen zijn.

3. Dat zij afstand neemt van elke vorm van persoonlijk bezit, zowel van alle huidige als van alle toekomstige bezittingen.

4. Dat zij het overschot van alle inkomsten en verdiensten doneert aan [de orde], (…).

(…)

Ter uitvoering hiervan:

1. Haar volledige huidige en toekomstige eigendom en bezittingen, in te brengen en aan [de orde] alle bevoegdheden over te dragen, met uitzondering van [bepaald onroerend goed].

(…)

Aldus getekend te [plaats] op 9 december 1994.”

3. Met dagtekening 20 juli 2015 heeft de FIOD verweerder geïnformeerd over het bestaan van een bankrekening op naam van eiseres bij de bank [bank 1] te [plaats ] in België (de Belgische bankrekening). In de brief van de FIOD is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Deze bankrekening (zicht- en effectenrekening) is geopend op 10 mei 1993. Eerdere rekeningen van [eiseres] bij deze bank werden in 2009 gesloten.

Op deze rekening zijn, voor zover bekend, contante stortingen gedaan volgens onderstand overzicht:

28 augustus 2004 € 54.045

22 februari 2005 € 123.050

25 augustus 2007 € 257.055

23 augustus 2008 € 20.000

Op 16 februari 2014 bedroeg het saldo € 1.435.429,74.”

4. Met dagtekening 23 juli 2015 heeft verweerder aan eiseres een informatieverzoek verstuurd waarin het volgende is opgenomen:

“Volgens ons ten dienste staande gegevens beschikt of beschikte u over buitenlandse bankrekeningen.

Wij zouden van u graag binnen drie weken na dagtekening van deze brief de volgende gegevens van u ontvangen dan wel de volgende vragen beantwoord krijgen:

 Welke buitenlandse bankrekeningen bezat/bezit u vanaf 1 januari 2003? Graag hierbij de vermelding bij welke bankfilialen u deze rekeningen hebt/had.

 Graag ontvangen wij alle rekeningafschriften van deze rekeningen vanaf 1 januari 2003.

 In de gevallen dat u niet (tijdig) over de bankafschriften kunt beschikken verzoeken wij u het verloop van deze rekeningen en de saldi te vermelden.

 Wat is de herkomst van de stortingen op deze rekeningen?

 Wie heeft of had er buiten u de beschikkingsmacht over de rekeningen?”

5. Met dagtekening 8 september 2015 heeft verweerder eiseres gerappelleerd. Naast de bij brief van 23 juli 2015 opgevraagde informatie heeft verweerder daarbij verzocht om afschriften van niet zakelijke binnenlandse bankrekeningen vanaf 1 januari 2005.

6. Met dagtekening 20 oktober 2015 heeft eiseres bericht dat zij twee bankrekeningen heeft bij de [bank 2] te [plaats ] in Duitsland en in de loop van 2014 tevens een rekening heeft geopend bij de [bank 3] te [plaats ] in Macedonië, hetgeen bij brief van 26 november 2015 door eiseres is herhaald. De Belgische bankrekening wordt door eiseres niet genoemd.

7. Met dagtekening 3 mei 2016 heeft verweerder de informatiebeschikking gegeven. De informatiebeschikking bevat het volgende verzoek aan eiseres om informatie:

“- Het antwoord op de vraag welke buitenlandse bankrekeningen u bezit of bezat vanaf 1 januari 2003.

- Alle rekeningafschriften van deze rekeningen vanaf 1 januari 2003.

- Alle rekeningafschriften van uw niet zakelijke binnenlandse bankrekeningen vanaf 1 januari 2005.

- Een overzicht van het verloop en de saldi van deze rekeningen indien en voor zover u er niet in slaagt (tijdig) over de bankafschriften te beschikken.

- Het antwoord op de vraag wat de herkomst van de stortingen op deze rekeningen zijn.

- Het antwoord op de vraag wie er buiten u beschikkingsmacht over de rekeningen heeft.”

Geschil

8. In geschil is of de informatiebeschikking, voor zover gehandhaafd bij de bestreden uitspraak op bezwaar, terecht is opgelegd.

9. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de informatiebeschikking ten onrechte is gegeven. Volgens eiseres was verweerder reeds in 2007 op de hoogte van het bestaan van de Belgische bankrekening. Voorts heeft zij gesteld dat zij de Belgische bankrekening niet behoefde op te geven.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de informatiebeschikking terecht is gegeven.

Beoordeling van het geschil

11. Artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) geeft verweerder een ruime bevoegdheid bij de inwinning van informatie bij een belastingplichtige. Voor een belastingplichtige bestaat op grond van die bepaling de verplichting om aan verweerder desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en/of boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, indien verweerder zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing ten aanzien van die belastingplichtige (vgl. HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498). Indien niet volledig wordt voldaan aan deze verplichting, kan de inspecteur op grond van artikel 52a, eerste lid, van de Awr een informatiebeschikking geven.

12. De rechtbank stelt vast dat de Belgische bankrekening vanaf 1993 op naam van eiseres stond en dat het saldo op deze rekening aanzienlijk was, hetgeen door eiseres ook niet is betwist. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder zich dan ook in redelijkheid op het standpunt stellen dat de door hem gevraagde informatie ter zake van de Belgische bankrekening van belang zou kunnen zijn voor de belastingheffing van eiseres. Dat eiseres de Belgische bankrekening, conform het bepaalde in het certificaat van dienstbaarheid, zou hebben overgedragen aan de orde of anderszins niet gerechtigd zou zijn tot de Belgische bankrekening is niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast is voor de gegeven informatiebeschikking, die ziet op de jaren 2005, 2006 en 2007, niet van belang dat in 2014 door de Belgische autoriteiten beslag is gelegd op de Belgische bankrekening en/of dat de tegoeden inmiddels door een criminele organisatie zouden zijn ontvreemd. De stelling dat verweerder uit een eerder onderzoek reeds bekend was met het bestaan van de Belgische bankrekening, wat daar ook van zij, ontslaat eiseres niet van de verplichting informatie te verschaffen.

13. Van eiseres mag redelijkerwijs worden verwacht dat zij, na de herhaaldelijk gedane informatieverzoeken van verweerder, enige inspanning zou verrichten om alle gevraagde informatie ten aanzien van de Belgische bankrekening te verkrijgen. Eiseres heeft onvoldoende bewijsstukken ingebracht, waaruit valt af te leiden dat zij dergelijke inspanningen heeft verricht en heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat zij redelijkerwijs niet over de door verweerder gevraagde gegevens kon beschikken. De informatiebeschikking is terecht gegeven.

14. Wettelijk gevolg van het onherroepelijk worden van een informatiebeschikking is omkering en verzwaring van de bewijslast. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval geen aanleiding om daar van af te wijken. De rechtbank zal eiseres op grond van artikel 27e, tweede lid, van de Awr een nieuwe termijn stellen om de in de informatiebeschikking verzochte informatie te verstrekken. De rechtbank acht een termijn van zes weken vanaf de dag na die van verzending van de uitspraak passend.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- stelt eiseres een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag waarop deze uitspraak is verzonden, om alsnog aan verweerder de in de informatiebeschikking gevraagde informatie te verstrekken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.