Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6631

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-07-2019
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
NL19.12130
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ghanees, homoseksualiteit en problemen als gevolg hiervan niet geloofwaardig bevonden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.12130


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Jong).


Procesverloop
Bij besluit van 17 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.12131, plaatsgevonden op 20 juni 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn [A], de gestelde partner van eiser, en E. Tackey als tolk ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiser stelt geboren te zijn op [GEBOORTEDATUM] 1987 en de Ghanese nationaliteit te hebben. Hij heeft op 4 oktober 2018 de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Eiser heeft – samengevat weergegeven – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en als gevolg hiervan problemen in zijn land van herkomst heeft ondervonden. Zo heeft hij op een avond zijn toenmalige vriend, een schoolgenoot, mee naar huis genomen en is met hem door zijn vader in zijn slaapkamer betrapt. Nadien heeft eiser een relatie met een andere man gekregen. De buren van eiser en de bewakers van het paleis hebben gezien dat deze man het huis van eiser om 04.00 uur verliet en dat eiser en zijn vriend afscheid van elkaar namen. Zij hebben eiser geslagen, waarna eiser is gevlucht. Eiser heeft vier dagen in Nigeria verbleven en is vervolgens naar het dorp [DORP] in Ghana teruggekeerd. Aldaar heeft hij van een jongeman vernomen dat men naar hem op zoek was en dat het niet veilig was om naar zijn dorp terug te keren. Dit heeft eiser doen besluiten zijn land van herkomst te verlaten.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e en h, van de Vw 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd.

Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:

1) identiteit en nationaliteit;

2) de seksuele geaardheid;

3) de problemen naar aanleiding van zijn seksuele geaardheid.

Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn identiteit en nationaliteit geloofwaardig geacht. Daarentegen heeft verweerder de homoseksuele geaardheid van eiser en de problemen die hij als gevolg hiervan zou hebben ondervonden niet geloofwaardig geacht.

Eiser kan niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) en heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiser verwijst naar al hetgeen hij in deze procedure heeft aangevoerd, voor zover daar in het kader van zijn beroepsgronden niet op is teruggekomen, en is van mening dat verweerder niet, niet zorgvuldig dan wel onvoldoende op zijn argumenten is ingegaan. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij homoseksueel is en dat hij vanwege zijn seksuele oriëntatie problemen heeft ondervonden in Ghana. In beroep overlegt eiser een verklaring van [A], met wie hij sinds maart van dit jaar een relatie heeft. Tot slot voert eiser aan dat aan het terugkeerbesluit ten onrechte geen schorsende werking is verleend, waardoor sprake is van strijd met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 19 juni 2018 in de zaak C‑181/16, Sadikou Gnandi tegen de Belgische Staat, (ECLI:EU:C:2018:465) (het arrest Gnandi).

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:

e. de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;

h. de vreemdeling Nederland onrechtmatig is binnengekomen of zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en zich, gezien de omstandigheden van zijn binnenkomst, zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen heeft aangemeld, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

7.1

Verweerder is in het bestreden besluit ingegaan op de door eiser naar voren gebrachte argumenten in zijn correcties en aanvullingen op het nader gehoor en zijn zienswijze. Voor zover eiser in beroep enkel heeft verwezen naar de eerder ingebrachte argumenten maar niet nader heeft gemotiveerd dat en in welke zin verweerder in zijn reactie hierop tekort is geschoten, gaat de rechtbank aan deze beroepsgrond voorbij.

7.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser homoseksueel is. Van belang is dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn seksuele geaardheid. Of eiser al dan niet op de hoogte is van de definities van de begrippen homoseksualiteit en biseksualiteit doet er niet aan af dat hij enerzijds heeft verklaard enkel op mannen te vallen en anderzijds heeft verklaard dat hij ook gevoelens voor vrouwen (maar meer gevoelens voor mannen) heeft. Op de vraag wat het persoonlijk met hem deed toen hij erachter kwam homoseksueel te zijn, mede gelet op de negatieve houding van de maatschappij ten aanzien van homoseksualiteit, heeft eiser vaag en algemeen verklaard. Het antwoord dat homoseksualiteit door de kerk, zijn familie en de samenleving niet wordt geaccepteerd en dat eiser zich daardoor niet gelukkig en niet op zijn gemak voelde, heeft verweerder onvoldoende diepgaand kunnen vinden. Eiser geeft hiermee onvoldoende inzicht in zijn persoonlijke gevoelens. Ook over zijn gevoelens voor mannen en die voor zijn ex-partner in het bijzonder blijft eiser, naar verweerder heeft kunnen overwegen, summier en oppervlakkig. Dat zijn ex-vriend mooie gedichten schreef, hem omhelsde zoals niemand dat deed en dat zij elkaar volledig begrepen, geeft onvoldoende inzicht in eisers gevoelens voor zijn ex-vriend. Wat betreft de kennismaking met zijn ex-partner [B] heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat het in het openbaar flirten met een man, terwijl de maatschappij zeer afwijzend staat tegenover homoseksualiteit, een groot risico inhoudt en dat niet kan worden ingezien dat eiser een dergelijk risico neemt. Dat niemand de signalen van eiser naar [B] kon zien, maakt niet dat dit risico er niet was. Hoewel eiser enige kennis van de homo-gemeenschap in Nederland en de positie van homoseksuelen in Ghana heeft, heeft verweerder deze kennis onvoldoende kunnen vinden. Verweerder heeft daarbij van belang kunnen achten dat eiser stelt actief naar informatie over deze onderwerpen te hebben gezocht.

7.3

Verweerder heeft de problemen die eiser als gevolg van zijn homoseksuele geaardheid stelt te hebben ondervonden niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. In een land waarin homoseksualiteit verboden is, wordt niet ingezien dat eiser zijn partner bij hem laat slapen zonder enige maatregelen te treffen om zijn homoseksuele geaardheid geheim te houden. Dat eiser een eigen kamer had en zijn partner wel vaker bleef slapen, doet er niet aan af dat hij zijn partner uitnodigt in zijn ouderlijk huis terwijl hij weet dat zijn vader en zijn omgeving fel gekant is tegen homoseksualiteit. Dat eiser zich niet bewust was van de risico’s en geen voorzorgsmaatregelen heeft getroffen, heeft verweerder dan ook niet aannemelijk hoeven achten. Nog daargelaten of eiser door zijn familieleden in de gaten werd gehouden en of hij hier al dan niet van op de hoogte was, heeft hij een aanzienlijk risico genomen door van zijn partner op straat afscheid te nemen. Verweerder heeft niet aannemelijk geacht dat eiser een dergelijk risico zou nemen. Hoewel in de brief van het stamhoofd staat dat eiser als gevolg van zijn homoseksuele geaardheid problemen in Ghana heeft ondervonden, heeft verweerder aan deze brief niet de waarde hoeven toekennen die eiser hieraan gehecht wenst te zien. De brief betreft immers geen objectief verifieerbare bron.

7.4

Wat betreft de in beroep overgelegde verklaring van [A] overweegt de rechtbank dat een verklaring van een partner kan bijdragen aan de geloofwaardigheid van de homoseksuele geaardheid van een vreemdeling, maar dat het allereerst aan de vreemdeling zelf is om zijn homoseksuele geaardheid middels overtuigende verklaringen aannemelijk te maken. Gelet op hetgeen in overweging 7.2 is overwogen, heeft verweerder de door eiser gestelde homoseksuele geaardheid niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden. De verklaring van de gestelde partner van eiser maakt daarom op zichzelf beschouwd nog niet dat eisers homoseksuele geaardheid aannemelijk is.

7.5

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt de beroepsgrond dat verweerder ten onrechte heeft bepaald dat het indienen van beroep geen schorsende werking heeft en dat eiser hiervoor een verzoek om een voorlopige voorziening moet indienen, niet. In Richtlijn 2013/32 (de Procedurerichtlijn) is bepaald dat een vreemdeling bij een afwijzing van zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond, niet van rechtswege mag blijven in afwachting van de uitkomst van zijn beroep, zie ook het Hof van Justitie van 5 juli 2018 in de beschikking C, en J, S (C‑269/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:544). De vreemdeling mag wel blijven zolang de beroepstermijn nog loopt, maar om de behandeling van zijn beroep in Nederland te kunnen afwachten, moet hij een voorlopige voorziening vragen. Vervolgens mag de vreemdeling in Nederland blijven op grond van artikel 46, achtste lid, van de Procedurerichtlijn, in afwachting van de uitspraak van de voorzieningenrechter. Die zal beoordelen of de asielzoeker zijn beroep verder in Nederland mag afwachten. In zowel het arrest Gnandi als in de beschikking C, en J, S staat centraal de “doeltreffende voorziening in rechte”. Die brengt, zo oordeelt het Hof van Justitie, met zich dat alle rechtsgevolgen van een terugkeerbesluit moeten worden opgeschort totdat een rechter daarover heeft beslist. In geval van de afwijzing van een asielverzoek als kennelijk ongegrond is dat – conform artikel 46, zesde en achtste lid, van de Procedurerichtlijn – de voorzieningenrechter die uitspraak doet op de vraag of de verzoeker op het grondgebied van de lidstaat mag blijven in afwachting van het beroep (het rechtsmiddel ten gronde).

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier.

griffier

rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.