Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6545

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2019
Datum publicatie
01-07-2019
Zaaknummer
NL19.14090
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

De vraag is of een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) mag worden opgelegd aan vreemdelingen, zoals eiser, van wie het asielverzoek in de grensprocedure is afgewezen. Verweerder heeft in lijn met een recente uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1710, besloten om artikel 3, zesde lid, van de Vw buiten toepassing te laten en dus toegang te verlenen bij het afwijzen van de asielaanvraag. Volgens verweerder is daardoor rechtmatig verblijf ontstaan en zou alsnog vreemdelingenbewaring kunnen worden toegepast op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet mogelijk.

Gelet op de Memorie van Toelichting bij artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw gaat het om onderzoek naar de identiteit van de vreemdeling in het kader van de asielaanvraag in een gesloten procedure totdat die is afgerond. Dit artikel is een omzetting van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de Opvangrichtlijn. Dit artikel gaat om bewaring van asielzoekers gedurende het onderzoek naar hun identiteit in de asielprocedure. Met het nemen van een asielbesluit heeft verweerder het onderzoek naar de identiteit dus afgerond. Vrijheidsontneming met het oog op de vaststelling van eisers identiteit is daarom niet meer mogelijk in de periode na het nemen van een asielbesluit. Dat betekent dat artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw geen wettelijke grondslag biedt voor vreemdelingenbewaring na afwijzing van de asielaanvraag in de grensprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.14090


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. L. Sinoo),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: E. Söylemez).


Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk [taal] is [naam tolk] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van [nationaliteit] nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Eiser heeft op 22 mei 2019 op Schiphol een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op diezelfde datum heeft een ambtenaar belast met de grensbewaking het besluit omtrent de weigering van toegang tot Nederland uitgesteld voor de duur van de behandeling van de aanvraag in de grensprocedure. Ook is eiser op 22 mei 2019 een maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. Bij besluit van 18 juni 2019 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening1. Op grond van artikel 3, zesde lid, van de Vw wordt eiser daarbij onmiddellijk de toegang tot Nederland geweigerd op grond van artikel 14 van de Schengengrenscode2. Aan eiser is vervolgens bij besluit van 18 juni 2019 een maatregel opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

3. De rechtbank heeft heden het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

4. Het wettelijke kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Standpunt verweerder

5.1

Verweerder heeft eiser een maatregel opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, omdat de Afdeling in de uitspraak van 5 juni 20193 heeft geoordeeld dat artikel 6, derde lid, noch artikel 6, zesde lid, van de Vw op dit moment een geschikte grondslag biedt voor vrijheidsontneming gedurende de rechtsmiddelentermijn4 van asielzoekers van wie het asielverzoek in de grensprocedure is afgewezen. Verweerder is van oordeel dat artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw hiervoor een juiste grondslag biedt.

Standpunt eiser

5.2

Eiser voert - kort gezegd - aan dat dit onrechtmatig is. Met het afwijzen van zijn asielaanvraag op 18 juni 2019 is hem van rechtswege de toegang geweigerd en hij kan op grond van het hiervoor genoemde artikel niet in bewaring worden gesteld omdat dit artikel bedoeld is voor het verrichten van onderzoek hangende een aanvraagprocedure. Dat is op hem niet van toepassing. Eiser wijst op de Memorie van Toelichting bij artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw5.

Beoordeling

6.1

De vraag is aan de orde of een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw mag worden opgelegd aan vreemdelingen, zoals eiser, van wie het asielverzoek in de grensprocedure is afgewezen gedurende de rechtsmiddelentermijn.

6.2

De rechtbank is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord en overweegt daartoe het volgende.

6.3

In de uitspraak van 5 juni 2019 komt de Afdeling tot de volgende conclusie.

"Alhoewel het Unierechtelijk gezien mogelijk is aan asielzoekers gedurende de rechtsmiddelentermijn een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen, kent de nationale wetgeving daar op dit moment geen geschikte grondslag voor. Om de huidige praktijk van vrijheidsontneming van asielzoekers na afwijzing van hun asielverzoek in de grensprocedure voort te kunnen zetten, zal de wetgever de reeds bestaande grondslagen daarvoor geschikt moeten maken of een nieuwe grondslag in de wet moeten opnemen. Gelet hierop en gezien de afwezigheid van geschikte alternatieven voor verblijf van asielzoekers aan de buitengrens, komt dit er feitelijk op neer dat aan deze personen voor nu de toegang tot Nederland en daarmee het Schengengebied, zal moeten worden verleend. Dit brengt ook met zich dat artikel 3, zesde lid, van de Vw in deze gevallen feitelijk niet uitvoerbaar is en derhalve buiten toepassing moet worden gelaten. Dit laat de eventuele toepassing van een maatregel krachtens artikel 59b van de Vw 2000, wanneer aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan, overigens onverlet."

6.4

De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting verklaard dat eiser feitelijk toegang tot Nederland en het Schengengebied heeft gekregen. Gelet op de uitspraak van de Afdeling moet artikel 3, zesde lid, van de Vw buiten toepassing worden gelaten. Dit betekent dat géén sprake is van een toegangsweigering. Volgens verweerder heeft eiser daarmee nu rechtmatig verblijf en kan hem een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid aanhef en onder a, van de Vw opgelegd worden. Hoewel verweerder ten aanzien van zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst het voordeel van de twijfel heeft gegeven, wil dat niet zeggen dat zijn deze nu vast zijn komen te staan.

6.5

De rechtbank overweegt dat elke vrijheidsontnemende maatregel een concrete wettelijke grondslag behoeft. Voor asielzoekers zijn die gronden beperkt. Uitgangspunt is immers dat vreemdelingenbewaring slechts als uiterste middel mag worden gebruikt. De Afdeling heeft in voornoemde uitspraak geoordeeld dat de wettelijke grondslag voor bewaring ontbreekt voor asielzoekers van wie de aanvraag in de grensprocedure is afgewezen. Daarmee ontbreekt voor eiser sinds de afwijzing van zijn asielaanvraag een grondslag om hem in bewaring te houden en diende hij dus in vrijheid te worden gesteld. Dat is echter in strijd met de Schengengrenscode. Na de afwijzing van de asielaanvraag moet eiser op grond van deze Europese verordening de toegang tot het Schengengebied worden geweigerd. Verweerder was daartoe ook verplicht. Hiermee ontstond er wel een praktisch probleem. Zoals de Afdeling ook heeft overwogen bestaan er namelijk geen opvangfaciliteiten die aan beide eisen kunnen voldoen. Die faciliteit mag immers niet de vrijheid van eiser beperken en tegelijkertijd geen toegang tot het Schengengebied geven. Zo’n faciliteit bestaat niet. Eén van de eisen moest dus wijken. Omdat artikel 3, zesde lid, van de Vw, zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling, buiten toepassing moet worden gelaten, heeft eiser zodoende in strijd met de Schengengrenscode toch toegang tot het Schengengebied gekregen.

6.6

Door toegang te krijgen tot het Schengengebied en hier de beroepsprocedure af te mogen wachten, is volgens verweerder rechtmatig verblijf ontstaan en daarmee zou volgens verweerder alsnog vreemdelingenbewaring kunnen worden toegepast op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet mogelijk. De enige reden waarom eiser toegang heeft gekregen tot het Schengengebied is nu juist gelegen in het ontbreken van een wettelijke grondslag voor vrijheidsontneming en dat artikel 3, zesde lid, van de Vw volgens de uitspraak van de Afdeling buiten toepassing moet worden gelaten. Dan kan vervolgens niet de grondslag voor vrijheidsontneming worden gevonden in een andere wettelijke grondslag, die niet voor eisers situatie is bedoeld. Artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw is, zoals blijkt uit de tekst hiervan, van toepassing bij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw.

6.7

Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat eiser gedurende de behandeling van zijn aanvraag en tot aan de beslissing daarop door verweerder in bewaring kan worden gesteld. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de Memorie van Toelichting bij artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw waarin staat: “Bij inbewaringstelling met het oog op identiteitsvaststelling gaat het om in bewaring stellen ten behoeve van onderzoek naar de identiteit. Dit wordt geregeld in artikel 59b, eerste lid, onderdeel a (artikel 8, derde lid onderdeel a van de Opvangrichtlijn). …. Het gaat daarbij in ieder geval om situaties waarin er sprake is van gerede twijfel over de identiteit, waarbij er een risico op onderduiken is wanneer het onderzoek niet in een gesloten procedure wordt afgerond.”

6.8

Gelet op deze toelichting gaat het om onderzoek naar de identiteit in het kader van de asielaanvraag in een gesloten procedure totdat die is afgerond. De rechtbank vindt voor dit oordeel eveneens steun in de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 20186 waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw een juiste omzetting is van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de Opvangrichtlijn. Over artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de Opvangrichtlijn overweegt de Afdeling in deze uitspraak dat het gaat om bewaring van asielzoekers gedurende het onderzoek naar hun identiteit in de asielprocedure. Verweerder heeft het onderzoek naar eisers identiteit afgerond door het nemen van de asielbeschikking. Vrijheidsontneming met het oog op de vaststelling van eisers identiteit is daarom niet meer mogelijk in de periode na het nemen van een asielbesluit. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de bewaring van eiser op een onjuiste wettelijke grondslag berust.

Conclusie

7. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 18 juni 2019 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden.

8. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 14 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van
14 x € 105,- = € 1.470,-.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1024,- ((1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 512,-).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser

tot een bedrag van € 1.470,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging

van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Langeveld, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Niekel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2019.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking

Bijlage - Wettelijk kader

Schengengrenscode

Artikel 14

1. Indien een onderdaan van een derde land niet aan alle in artikel 6, lid 1, vermelde toegangsvoorwaarden voldoet, en niet tot de in artikel 6, lid 5, genoemde categorieën personen behoort, wordt hem de toegang tot het grondgebied van de lidstaten geweigerd. Dit laat de toepassing van bijzondere bepalingen inzake asielrecht en internationale bescherming of inzake afgifte van een visum voor een verblijf van langere duur onverlet.

Opvangrichtlijn

Artikel 8

1. De lidstaten houden een persoon niet in bewaring om de enkele reden dat hij een verzoeker is overeenkomstig Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning of intrekking van internationale bescherming.

2. In de gevallen waarin zulks nodig blijkt en op grond van een individuele beoordeling van elk geval, mogen de lidstaten een verzoeker in bewaring houden wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.

3. Een verzoeker mag alleen in bewaring worden gehouden:

a. a) om zijn identiteit vast te stellen of na te gaan.

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 3

6. Indien een aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling wordt genomen, niet-ontvankelijk wordt verklaard of wordt afgewezen als kennelijk ongegrond, wordt daarbij onmiddellijk de toegang tot Nederland geweigerd op grond van artikel 14 van de Schengengrenscode.

Artikel 6

1. De vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd kan worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats.

2. Een ruimte, of plaats, bedoeld in het eerste lid, kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

3. De vreemdeling wiens aanvraag overeenkomstig artikel 3, derde lid, wordt behandeld in de grensprocedure, kan eveneens worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats, die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

6. Onze Minister kan de maatregel, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, opleggen aan de vreemdeling wiens aanvraag als bedoeld in artikel 28 in de grensprocedure is afgewezen indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert.

Artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a:
De vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g of h, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, kan door Onze Minister in bewaring worden gesteld, indien bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling.

1 NL19.14088 en NL19.14089.

2 Verordening (EG) Nr. 562/2006.

3 Uitspraak van 5 juni 2019 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2019:1710.

4 De termijn voor het instellen van een rechtsmiddel tegen de afwijzing van de asielaanvraag en de in dat besluit opgenomen terugkeerverplichting en wanneer een rechtsmiddel is ingesteld tot aan de beslissing daarop.

5 Kamerstukken II 2014/15, 34 088, nr. 3, p. 33 (MvT).

6 ECLI:NL:RVS:2018:271.