Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6449

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-05-2019
Datum publicatie
01-07-2019
Zaaknummer
NL19.5480
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Opvolgende asielaanvraag terecht buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.5480


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),

en

de minister van Justitie en Veiligheid 2, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).


Procesverloop

Op 9 maart 2019 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn opvolgende asielaanvraag van 15 augustus 2018.


Bij besluit van 10 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld.

Eisers eerder tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag ingestelde beroep van 9 maart 2019 heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb3 van rechtswege mede betrekking op het besluit van 10 april 2019.


Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.8755, plaatsgevonden op 16 mei 2019.Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Iraanse nationaliteit te bezitten en te zijn geboren op [geboortedatum]. Eiser heeft op 15 augustus 2018 met een kennisgevingsformulier, model M35-O, een opvolgende asielaanvraag ingediend. Op dit formulier heeft hij als reden voor de nieuwe asielaanvraag aangekruist “Gewijzigd beleid” en daarbij vermeld “nieuwe WI4 2018/10 en verdieping geloof”.

2. Verweerder heeft eisers aanvraag bij het bestreden besluit buiten behandeling gesteld. Eiser heeft volgens verweerder nagelaten te reageren op de in het kennisgevingsformulier geformuleerde vragen ter nadere toelichting en onderbouwing van de opvolgende aanvraag. Omdat eiser het formulier dus niet volledig en duidelijk heeft ingevuld, heeft verweerder eiser in het voornemen in de gelegenheid gesteld om binnen één week alsnog de ontbrekende informatie te verstrekken. Verweerder heeft aangekondigd dat het niet tijdig reageren op dit verzoek kan leiden tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw5. Volgens verweerder heeft eiser in zijn zienswijze van 9 april 2019 geen op de zaak toegespitste toelichting gegeven waarom WI 2018/10 in zijn geval tot een ander oordeel moet leiden, heeft eiser niet nader toegelicht waarom zijn gestelde geloofsgroei tot een ander oordeel moet leiden en zijn de door eiser aangekondigde stukken6 niet overgelegd.

3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag

4. Eiser heeft op 15 augustus 2018 middels het formulier M35-O een opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser heeft verweerder op 21 februari 2019 in gebreke gesteld, omdat verweerder heeft nagelaten tijdig te beslissen op zijn aanvraag. Vervolgens heeft eiser op 9 maart 2019 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn opvolgende asielaanvraag. Ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat de beslistermijn voor de opvolgende asielaanvraag van 15 augustus 2018 is verstreken en dat de ingebrekestelling is verzonden naar het juiste faxnummer van verweerder, zodat eiser beroep heeft kunnen instellen tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser het beroep tegen het niet tijdig beslissen ingetrokken met het verzoek om een proceskostenveroordeling7. Anders dan verweerder, ziet de rechtbank aanleiding om aan eiser een proceskostenvergoeding toe te kennen. Verweerder heeft immers te laat beslist op de aanvraag en verweerder is deugdelijk in gebreke gesteld. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor van 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Het beroep voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit

5. Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een asielaanvraag buiten behandeling worden gesteld in de zin van artikel 28 van de Procedurerichtlijn8, indien de vreemdeling heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn aanvraag.

6. Op grond van artikel 3.45b, eerste lid, van het VV9 kan de asielaanvraag buiten behandeling worden gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, onder a, van de Vw, indien de vreemdeling twee keer heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken over de elementen ter staving van zijn aanvraag, als bedoeld in artikel 31, tweede en derde lid, van de Vw.

7. De rechtbank is van oordeel dat eiser met het door hem ingediende kennisgevingsformulier, model M35-O, waarop hij als reden voor de nieuwe asielaanvraag heeft aangekruist “Gewijzigd beleid” en daarbij heeft vermeld “nieuwe WI 2018/10 en verdieping geloof”, geen complete aanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft eiser terecht in het voornemen in de gelegenheid gesteld om zijn onvolledige aanvraag te completeren.

Eiser heeft in zijn zienswijze van 17 oktober 2018 geschreven dat WI 2018/10 is gewijzigd in die zin dat er nu compensatie plaatsvindt tussen de drie genoemde pijlers. Daarnaast is sprake van een verdieping in het geloofsleven en is hij beter in staat om overtuigend te verklaren over zijn motieven voor en het proces van bekering. Eiser kondigt aan dat hij zijn dagboek, waarin hij per dag omschrijft wat het geloof met hem doet meeneemt naar het gehoor. Ook kondigt eiser een zeer gedetailleerd onderzoeksverslag van de voorganger van zijn kerk aan.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat deze reactie niet voldoende is voor het in behandeling nemen van de opvolgende aanvraag. Met een enkele verwijzing naar de nieuwe WI 2018/10 en de stelling dat sprake is van geloofsgroei en eiser nu beter kan verklaren over zijn bekering, heeft eiser de gevraagde informatie niet verstrekt. Dat verweerder zijn werkwijze met betrekking tot opvolgende asielaanvragen naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 201810, onaangekondigd – en voor eiser geheel onverwacht – heeft gewijzigd, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat in dit geval sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. Eiser is in het voornemen gewezen op de onvolledigheid van de aanvraag en heeft de mogelijkheid gehad om dit gebrek te herstellen11. Dat eiser in zijn zienswijze melding maakt van een dagboek en een onderzoeksverslag, laat onverlet dat eiser gehouden is om deze informatie bij het indienen van zijn opvolgende asielaanvraag te overleggen. Eiser kiest immers zelf het moment van indienen van de aanvraag en heeft voldoende tijd om alle informatie ter staving van zijn opvolgende asielaanvraag te vergaren. Eisers beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 15 mei 201912 slaagt niet, omdat in die zaak – anders dan bij eisers – bij de zienswijze afzonderlijke brieven zijn overgelegd waarin de aanvraag nader is toegelicht, er een aantal kopieën van bladzijden uit een dagboek zijn overgelegd en diverse verklaringen ter onderbouwing van de aanvraag zijn meegestuurd13.

9. Eisers beroep op artikel 6 en 13 van het EVRM14, artikel 14 van de Procedurerichtlijn, het arrest van het Hof15 van 4 oktober 201816 in de zaak Fathi en de uitspraak van de Afdeling van 20 december 201817 slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet, omdat het eiser vrijstaat een nieuwe (volledige) aanvraag in te dienen.

10. De rechtbank concludeert dat verweerder de opvolgende aanvraag van eiser terecht buiten behandeling heeft gesteld.

11. Het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen op eisers aanvraag in de proceskosten tot een bedrag van € 512 (vijfhonderdentwaalf euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. van Andel, griffier.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Ook genoemd: Hassanzade.

2 Daaronder wordt mede begrepen: diens rechtsvoorgangers.

3 Algemene wet bestuursrecht.

4 Werkinstructie.

5 Vreemdelingenwet 2000.

6 Kopie van eisers dagboek en een zeer gedetailleerd onderzoeksverslag van de voorganger.

7 Artikel 8:75a van de Awb.

8 Richtlijn (EU) nr. 2013/32.

9 Voorschrift Vreemdelingen 2000.

10 ECLI:NL:RVS:2018:2098.

11 Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:574.

12 NL19.9787.

13 Zie rechtsoverweging 2.4. van de uitspraak.

14 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.

15 Hof van Justitie van de Europese Unie.

16 C-56/17, ECLI:EU:C:2018:803.

17 ECLI:NL:RVS:2018:4232.