Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6444

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-06-2019
Datum publicatie
28-06-2019
Zaaknummer
R.15.398
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging schuldsaneringsregeling zonder schone lei. Toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de informatie- en afdrachtverplichting.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 352
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

insolventienummer: C/09/15/398 R

uitspraakdatum : 28 juni 2019

In de schuldsaneringsregeling van:

[schuldenaar]

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [adres, postcode en woonplaats]

schuldenaar,

advocaat: mr. B.F. van Es.

1 Verloop van de procedure

1.1

Bij vonnis van 9 juni 2015 is ten aanzien van schuldenaar de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van, laatstelijk, mr. H.W. Vogels tot rechter-commissaris en van J.F. Stobbe (Noordzij Insolventies B.V.), kantoorhoudende te Pijnacker, tot bewindvoerder.

1.2

Bij vonnis van 10 oktober 2017 heeft de rechtbank de looptijd van de regeling verlengd met 12 maanden, derhalve tot 9 juni 2019.

1.3

De bewindvoerder heeft op de voet van artikel 351a van de Faillissementswet (Fw) schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

1.4

Bij brief van 7 juni 2019 heeft de bewindvoerder de rechtbank geïnformeerd over de laatste stand van zaken.

1.5

Op 14 juni 2019 heeft de terechtzitting als bedoeld in artikel 352 Fw plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:

- schuldenaar;

- mr. B.F. van Es, voornoemd;

- M.A.T. Noordzij namens de bewindvoerder.

1.6

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

De verlengde looptijd is op 9 juni 2019 verstreken. De rechtbank staat daarmee thans voor de vraag of schuldenaar gedurende de termijn gedurende welke de schuldsaneringsregeling van toepassing was, (wederom) tekort is geschoten in de nakoming van één of meer verplichtingen uit die regeling en, indien daarvan sprake mocht zijn, of deze tekortkoming aan schuldenaar kan worden toegerekend.

2.2

De rechtbank overweegt als volgt.

2.3

Bij vonnis van 10 oktober 2017 is de schuldsaneringsregeling met een jaar verlengd vanwege een tekortkoming in de nakoming van de (aanvullende) sollicitatieverplichting en het bestaan van een boedelachterstand van € 2.370,88. Hierbij heeft de rechtbank er uitdrukkelijk op gewezen dat schuldenaar voortaan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen spontaan, stipt en volledig dient na te komen. De bewindvoerder heeft met schuldenaar afgesproken dat de boedelachterstand maandelijks met een bedrag van € 160,- zou worden ingelopen.

2.4

In de voortgangsverslagen die na het vonnis van 10 oktober 2017 door de bewindvoerder zijn uitgebracht wordt telkenmale aangegeven dat schuldenaar niet voldoet aan de informatieverplichting. Pas in het zicht van de zitting van 14 juni 2019 zijn de ontbrekende stukken overgelegd. Schuldenaar heeft er derhalve bij voortduring blijk van gegeven zich weinig gelegen te laten liggen aan de verplichtingen die de WSNP met zich brengt. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat schuldenaar in augustus 2016 in het huwelijk is getreden, daarvoor naar Marokko is geweest en zijn echtgenote zich in februari 219 bij hem heeft gevoegd. Van dit alles heeft schuldenaar geen melding bij de bewindvoerder gemaakt, terwijl dit wel op zijn weg lag. De stelling dat schuldenaar in de veronderstelling leefde dat hij het huwelijk niet hoefde te melden zolang zijn echtgenote in Marokko woonde, overtuigt niet. Daarbij wordt er ook nog eens aan voorbij gegaan dat schuldenaar hierover ook niets aan de bewindvoerder heeft gemeld nadat zijn echtgenote naar Nederland was gekomen.

2.5

Ter terechtzitting is gebleken dat thans een boedelstandstand bestaat die € 2.412,97 bedraagt. Deze boedelachterstand is dus hoger dan de boedelachterstand die in het vonnis van 10 oktober 2017 is vermeld. De omstandigheid dat dit mede wordt veroorzaakt door het niet-aanvragen van kwijtschelding van gemeentelijke belastingen komt voor rekening van schuldenaar en doet hier dus niet aan af.

2.6

De rechtbank ziet geen aanleiding tot verdere verlenging van de duur van de regeling en zeker niet voor een verlenging waarbij schuldenaar gedurende de periode van verlenging wordt ontheven van de reguliere afdrachtverplichting. Vanaf het begin van de regeling wist schuldenaar, althans behoorde hij te weten, waaruit de verplichtingen bestonden. Eerder tekortschieten in de nakoming daarvan heeft al tot een verlenging van de duur van de regeling geleid. Daarbij is er nogmaals op gewezen dat de verplichtingen spontaan, stipt en volledig moeten worden nagekomen. Dit is wederom niet gebeurd en er zijn geen omstandigheden gebleken die hiervoor een voldoende excuus vormen. De gestelde omstandigheid dat een aantal verplichtingen wel correct zijn nagekomen, legt in dit verband onvoldoende gewicht in de schaal omdat dit geen bijzonderheid, maar een vanzelfsprekendheid is. Ter terechtzitting is gebleken dat schuldenaar niet in staat is om gedurende een verlenging, naast de reguliere maandelijkse afdrachten, de boedelachterstand af te lossen.

2.7

Het vorenstaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en wel zodanig dat dit er toe moet leiden dat aan schuldenaar geen schone lei kan worden toegekend. De rechtbank zal aldus beslissen.

2.8

De rechtbank zal de vergoeding van de bewindvoerder vaststellen.

3 De beslissing

De rechtbank:

- stelt vast dat schuldenaar toerekenbaar in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten;

- verstaat dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend wordt;

- stelt de vergoeding van de bewindvoerder vast op € 3.849,56 (inclusief de verschuldigde omzetbelasting), voor zover de boedel toereikend is;

- stelt het bedrag aan vastrecht vast op € 630,-, voor zover de boedel toereikend is.

Gewezen door mr. R. Cats, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 2019 in tegenwoordigheid van C.R. Cortenbach-van der Lek LL.B., griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.