Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6403

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
01-07-2019
Zaaknummer
NL19.9806
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Jezidi, Yezidi, KAR, Koerdisch Autonome Regio, Irak, normale woon- en verblijfplaats, systematische vervolging, gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.9806


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. J.M. Walls),

en

de minister van Justitie en Veiligheid, waaronder mede begrepen diens rechtsvoorganger, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. S.F.E. Verdonck).


Procesverloop
Bij besluit van 26 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Zengin. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Iraakse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum]. Aan zijn asielverzoek heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij behoort tot de jezidi-minderheid in Irak. Hij is in 2014 met zijn familie uit Sinjar gevlucht voor Islamitische Staat. Tussen 2014 en 2018 heeft eiser verbleven in de Koerdische Autonome Regio (KAR), waarvan de meeste tijd in vluchtelingenkamp Essian. Hij is uit de KAR vertrokken vanwege de slechte en gevaarlijke omstandigheden aldaar.

2. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig bevonden. Ook heeft verweerder geloofwaardig bevonden dat eiser met zijn gezin in 2014 vanuit Sinjar naar het vluchtelingenkamp Essian is gevlucht, en dat de omstandigheden in dit kamp slecht waren. Echter stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser geen vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin noch van een reëel risico op ernstige schade, zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM1, aannemelijk heeft gemaakt. Voor eiser is het mogelijk om terug te keren naar de KAR. Eiser heeft jarenlang in het vluchtelingenkamp Essian gewoond. Hij heeft daar met zijn familie kunnen wonen en werken, en een bestaan kunnen opbouwen. Verweerder beschouwt het vluchtelingenkamp Essian daarom als de normale woon- en verblijfsplaats voor eiser. Nu jezidi’s in de KAR, in tegenstelling tot de rest van Irak, geen kwetsbare minderheidsgroep zijn2, mag van eiser in redelijkheid worden verwacht dat hij weer naar de KAR terugkeert.

3. Eiser heeft in de gronden van beroep gesteld dat verweerder eisers relaas dient te toetsen met Irak als land van herkomst, en niet de KAR afzonderlijk. Uit de Kwalificatierichtlijn3 volgt dat verweerder bij de kwalificatie van kwetsbare minderheden dient uit te gaan van het complete grondgebied van dat desbetreffende land, en niet slechts een gedeelte.

Verweerder heeft daarnaast ook niet deugdelijk onderbouwd dat het vluchtelingenkamp voor eiser een normale woon- en verblijfsplaats is. Verweerder heeft immers geen rekening gehouden met de verslechterende omstandigheden in het kamp. Bovendien is kenmerkend aan een vluchtelingenkamp dat het geen normale woon- en verblijfsplaats is, omdat mensen die daar moeten verblijven zelf niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien, maar afhankelijk zijn van internationale hulp en in dit geval (ook) de autoriteiten van de KAR.

Verder stelt eiser dat jezidi’s in de KAR een reëel risico lopen op ernstige schade. Jezidi’s worden volgens onder andere het rapport van het EASO4 regelmatig blootgesteld aan systematische vervolging.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser heeft in zijn beroepsgronden verwezen naar het rapport van het EASO. Hierin wordt gerapporteerd dat jezidi’s in de KAR door de Koerdische autoriteiten worden blootgesteld aan discriminatie, gedwongen assimilatie, detentie en deportatie. Verweerder heeft eisers beroep op dit rapport in het bestreden besluit noch op zitting gemotiveerd weersproken. Verweerders beroep op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht5 doet niet aan dit oordeel af, omdat het EASO-rapport in deze uitspraak niet is betrokken.

5. Nu de behandeling van deze grond al leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, behoeven de andere beroepsgronden thans geen nadere bespreking. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit moeten nemen.

6. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.024, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepsschrift en een punt voor het bijwonen van de zitting, ter waarde van € 512 per punt en wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1024.


Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

2 Gelet op artikel C7/13.4.3 sub c, van de Vreemdelingencirculaire 2000

3 Richtlijn 2011/95/EU

4 European Asylum Support Office Country of Origin Information Report, Iraq, Targeting of Individuals, maart 2019

5 ECLI:NL:RBMNE:2019:2081