Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6396

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2019
Datum publicatie
03-07-2019
Zaaknummer
7549695 RL EXPL 19-4269
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis ambtshalve toetsing.

Zie ook ECLI: NL:RBDHA:2019:6332

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

RvV

Zaak-/rolnummer: 7549695 RL EXPL 19-4269

Datum: 1 juli 2019

Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BASIC FIT NEDERLAND B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

eisende partij,

gemachtigde: Van Arkel Gerechtsdeurwaarders & Incasso,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

niet verschenen.

Verdere verloop van de procedure

Bij tussenvonnis van 6 mei 2019 is tegen gedaagde partij verstek verleend en is eisende partij verzocht diverse gegevens bij akte over te leggen en tevens in de gelegenheid gesteld haar vordering nader te specificeren en een toelichting te geven op de bedingen waarop zij een beroep doet. Hetgeen in het tussenvonnis is overwogen wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Vervolgens heeft eisende partij een akte na tussenvonnis ingediend. Tot slot is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

Vordering en grondslag

Eisende partij vordert veroordeling van gedaagde partij tot betaling van de verschuldigde abonnementsgelden over de periode augustus 2017 tot en met april 2018 met een totaalbedrag van € 245,52 (inclusief een bedrag ad € 40,- aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 205,52 vanaf 14 februari 2019 tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van gedaagde partij in de kosten van deze procedure.

Eisende partij legt aan deze vordering ten grondslag dat zij met gedaagde partij een overeenkomst is aangegaan op 27 februari 2017 voor de prijs van € 23,98 per maand. Gedaagde partij is toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst door de verschuldigde abonnementsgelden (gedeeltelijk) onbetaald te laten. Eisende partij stelt dat zij haar verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst (te weten het aan gedaagde partij toegang verlenen tot de sportfaciliteiten) wegens de wanbetaling van gedaagde partij heeft opgeschort per 13 juni 2017 totdat gedaagde partij de achterstand in de betalingen aan eisende partij heeft voldaan. Gedaagde partij is buitengerechtelijke kosten en rente verschuldigd.

Verdere beoordeling

Eisende partij beroept zich op een opschortingsrecht. Opschorting is een bevoegdheid van een partij om de nakoming van zijn prestatie uit te stellen totdat de wederpartij aan zijn verplichtingen heeft voldaan.

Voor zover eisende partij op grond van haar algemene voorwaarden een beroep doet op opschorting, heeft het volgende te gelden. Eisende partij heeft in de dagvaarding noch in de akte concreet gemaakt op welke bepaling uit de algemene voorwaarden zij een beroep doet, zodat de vordering voor zover deze op de algemene voorwaarden is gegrond als onvoldoende onderbouwd afgewezen dient te worden.

Voor zover eisende partij een beroep doet op de wettelijke opschortingsbevoegdheid heeft het volgende te gelden. Uit hetgeen eisende partij heeft gesteld, blijkt niet dat er sprake is van een uitgestelde prestatie aan de zijde van eisende partij. Immers, gesteld noch gebleken is dat eisende partij aan gedaagde partij, nadat deze aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, een periode ter beschikking heeft gesteld waarin gedaagde partij alsnog gebruik kon maken van de sportfaciliteiten, welke periode gelijk is aan de periode dat gedaagde partij geen toegang had tot de sportfaciliteiten wegens de wanbetaling. Eisende partij komt dan ook geen beroep op het wettelijke opschortingsrecht toe.

Het voorgaande brengt mee dat de vordering van eisende partij zal worden afgewezen. De gevorderde abonnementsgelden over de periode vanaf augustus 2017 zien namelijk op de periode na het moment (13 juni 2017) waarop eisende partij haar verplichtingen (ten onrechte) heeft opgeschort.

De kantonrechter overweegt ten overvloede nog het volgende:

Eisende partij is een zogenaamde ‘repeat player’. Dat wil zeggen dat zij in het recente verleden (zeer) veel met de onderhavige zaak vergelijkbare zaken heeft aangebracht. Daarvan is het grootste gedeelte door de kantonrechter bij verstek afgedaan. Echter niet eerder dan nadat eisende partij iedere keer de gelegenheid is geboden om nadere informatie te verschaffen en zich ter zake over een mogelijk beroep op oneerlijke bedingen en strijdigheid met dwingend consumentenrecht uit te laten en zo nodig haar stellingen aan te passen. Eisende partij mag daarom bekend worden verondersteld met de informatie die ontbreekt in de (standaard)dagvaardingen in zaken als de onderhavige en eisende partij is dienaangaande als voldoende gehoord en geïnformeerd te beschouwen. Tot op heden heeft eisende partij haar (standaard)dagvaarding evenwel niet (in voldoende mate) aangepast. Daarmee voldoet zij niet aan de stelplicht en handelt zij in strijd met de goede procesorde. Voorts frustreert zij daarmee de waarheidsvinding en de toetsing van de vordering aan dwingend consumentenrecht en consumentenbeschermende bepalingen.

Door de kantonrechter te Den Haag zal dan ook met ingang van 1 oktober 2019 in vergelijkbare verstekzaken van alle zogenaamde ‘repeat players’ waarin de waarheidsvinding en de toetsing van de vordering aan dwingend consumentenrecht en consumentenbeschermende bepalingen wordt gefrustreerd op bovenvermelde wijze, beslissen op basis van de dagvaarding. Een gelegenheid om nadere informatie te verschaffen en zich uit te laten over een mogelijk beroep op oneerlijke bedingen en strijdigheid met dwingend consumentenrecht en zo nodig stellingen aan te passen zal niet langer worden geboden. De eventuele gevolgen daarvan voor de vordering komen voor rekening van de eisende partijen.

Beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt eisende partij in de kosten van deze procedure, tot op heden vastgesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.C. Vink en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2019.

de griffier de kantonrechter,