Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6390

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-05-2019
Datum publicatie
01-07-2019
Zaaknummer
AWB 19/690
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nareis Eritrea, identiteit niet aannemelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 19/690

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2019 in de zaak tussen

[naam] , eiseres

gemachtigde: mr. F.A. van den Berg,

en

de minister van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen diens rechtsvoorganger, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 4 januari 2019 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 15 april 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens waren aanwezig [naam2] , referent en A. Idris, tolk. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te hebben. Op 28 augustus 2017 heeft referent, de gestelde echtgenoot van eiseres, namens haar een aanvraag ingediend tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Referent is in 2017 uit Eritrea gevlucht en beschikt sinds 30 mei 2017 over een verblijfsvergunning asiel in Nederland.

2. Bij primair besluit van 14 juni 2018 is deze aanvraag afgewezen, omdat haar identiteit onbekend is en geen documenten zijn overgelegd om het gestelde huwelijk aan te tonen. Ten aanzien van een overgelegde huwelijksakte heeft Bureau Documenten op 9 mei 2018 geoordeeld dat de authenticiteit daarvan niet te beoordelen valt.

3. Bij het bestreden besluit is het daartegen gemaakte bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder handhaaft het standpunt dat de identiteit van eiseres en de familierechtelijke band tussen eiseres en referent niet aannemelijk zijn gemaakt.

4. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Volgens paragraaf C1/4.4.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 dient de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zijn gestelde identiteit en familierelatie met de referent aannemelijk te maken. De vreemdeling dient dit te doen door met een grensoverschrijdings- of een ander officieel document zijn identiteit aan te tonen. Daarnaast dient de vreemdeling met documenten de familierechtelijke relatie tussen hem en de referent te onderbouwen. Indien de vreemdeling kan onderbouwen dat het ontbreken van documenten niet aan hem kan worden toegerekend, is er sprake van bewijsnood. In dat geval kan verweerder besluiten om aanvullend onderzoek te doen.

6. Sinds november 2017 hanteert verweerder een nieuwe vaste gedragslijn voor het beoordelen van nareiszaken1. Deze houdt - kort weergegeven - in dat verweerder naast officiële identificerende bewijsmiddelen, ook andere documenten bij zijn beoordeling betrekt, ongeacht of er sprake is van bewijsnood. Indien deze bewijsmiddelen substantieel bewijs leveren voor de identiteit van de vreemdeling en/of zijn familieband met referent, kunnen deze stukken aanleiding vormen voor verweerder om aanvullend onderzoek te doen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in zijn uitspraken van 16 mei 20182 geoordeeld dat deze gedragslijn in overeenstemming is met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn3.

7. Niet in geschil is dat eiseres geen officiële documenten ter onderbouwing van haar identiteit heeft overgelegd. Eiseres heeft gesteld dat er sprake is van bewijsnood, omdat zij niet over een identiteitsdocument heeft kunnen beschikken. Tussen 2014 en 2016 werden immers geen identiteitskaarten verstrekt door de Eritrese autoriteiten. Sinds haar echtgenoot is gevlucht kan eiseres zich niet meer tot de Eritrese autoriteiten wenden om alsnog een identiteitskaart aan te vragen. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat niet aannemelijk is dat sprake is van bewijsnood. Uit het Algemeen Ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Eritrea (ambtsbericht) van 2017 blijkt dat personen ouder dan 18 jaar in het bezit moeten zijn van een identiteitskaart. Dit blijkt ook uit het ambtsbericht van 20184. Verder blijkt uit het ambtsbericht van 2017 dat de Eritrese autoriteiten in 2014 een nieuwe identiteitskaart hebben ingevoerd en dat de afgifte van deze nieuwe identiteitskaarten begon in 20155. Hieruit blijkt niet dat het voor eiseres in 2016, toen zij 18 jaar werd, onmogelijk was een identiteitskaart te verkrijgen. Dit blijkt ook niet uit andere bronnen. Van eiseres mag daarom worden verwacht dat zij onderbouwt waarom zij niet over een Eritrees identificerend document beschikt.

8. Eiseres heeft gesteld dat verweerder onvoldoende waarde heeft gehecht aan de overgelegde indicatieve documenten en verwijst daarbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 6 december 20186. De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de overgelegde indicatieve identiteitsbewijsmiddelen, een kerkelijke huwelijksakte en drie getuigenverklaringen, bij zijn beoordeling heeft betrokken. Verweerder heeft afdoende gemotiveerd dat eiseres haar identiteit met deze stukken niet aannemelijk heeft gemaakt. Omdat deze documenten niet afkomstig zijn van de Eritrese autoriteiten, had eiseres duidelijk dienen te maken op basis van welke brondocumenten deze indicatieve documenten zijn opgemaakt. Nu eiseres dat niet heeft gedaan, heeft verweerder deze documenten als niet-substantieel mogen beschouwen.

9. Eiseres stelt dat verweerder een identificerend gehoor had moeten aanbieden nu de overgelegde stukken als indicatieve documenten kunnen dienen. Ze verwijst daarbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 13 maart 20197 en de bijbehorende conclusie van Advocaat-Generaal (AG) N. Wahl van 29 november 20188. Kort gezegd heeft het Hof in dit arrest geoordeeld dat artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn zich verzet tegen de afwijzing van het verzoek om asiel nareis alleen op de grond dat de vreemdeling geen officiële bewijsstukken heeft overgelegd die volgens algemene informatie wel voorhanden zouden moeten zijn. Verweerder dient ook rekening te houden met de concrete situatie van de vreemdeling, zoals minderjarigheid of bijzondere problemen waarmee hij in zijn land van herkomst is geconfronteerd. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het beroep van eiseres op dit arrest niet slaagt, omdat geen sprake is van vergelijkbare gevallen. In dit arrest is geoordeeld dat rekening moet worden gehouden met de minderjarigheid van eiser in die zaak evenals de bijzondere problemen die ondervonden zijn door de vluchtsituatie. Van dergelijke of andere bijzondere omstandigheden is hier niet gebleken.

10. Eiseres wijst verder op de overwegingen van AG Wahl, die inhouden dat het verzoek om internationale bescherming en het verzoek om een mvv nareis gemeenschappelijke kenmerken vertonen. In beide gevallen kan een gebrek aan officiële documenten zijn ontstaan door de vluchtsituatie in het land van herkomst. In beide procedures dient verweerder daarom met de verzoeker samen te werken om zijn identiteit en familieband aan te tonen. De rechtbank is echter van oordeel dat hieruit niet kan worden afgeleid dat verweerder in het onderhavige geval een aanvullend onderzoek had moeten aanbieden. De AG betoogt immers ook dat het in eerste instantie aan de verzoeker is om een oprechte inspanning te leveren om documenten te overleggen of een plausibele verklaring te geven voor het ontbreken van officiële bewijsstukken.9 Met andere woorden, de verzoeker dient in dat geval bewijsnood aannemelijk te maken. Zoals hiervoor reeds is overwogen, wordt bewijsnood niet aannemelijk geacht.

11. Nu eiseres geen officieel of substantieel onofficieel document heeft overgelegd, en ook geen bewijsnood aannemelijk heeft gemaakt, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om alsnog aanvullend onderzoek te doen. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiseres haar identiteit niet heeft aangetoond.

12. Ter onderbouwing van de gestelde familieband heeft eiseres een kerkelijke huwelijksakte overgelegd en getuigenverklaringen. Nu eiseres er niet in is geslaagd om haar identiteit aannemelijk te maken, kan de aanvraag reeds hierom worden afgewezen. Immers kan niet worden beoordeeld of deze documenten zien op de persoon van eiseres. Gelet hierop behoeft hetgeen is aangevoerd omtrent de gestelde familieband en huwelijksakte geen verdere bespreking.

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Mentink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2019.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Brief van 23 november 2017 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten Generaal (Kamerstukken II 2017/18, 19637, nr. 2354)

2 Waaronder ECLI:NL:RVS:2018:1637

3 Richtlijn 2003/86/EG

4 Ambtsbericht van 21 juni 2018, pagina 21 en 22

5 Ambtsbericht van 7 februari 2017, pagina 21

6 ECLI:NL:RBDHA:2018:14589

7 ECLI:EU:2019:192

8 ECLI:EU:C:2018:973

9 ECLI:EU:C:2018:973, punt 68 tot en met punt 74