Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6340

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-07-2019
Datum publicatie
28-08-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 661
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het door haar aangeschafte elektrisch bedienbare bed en fauteuil hulpmiddelen zijn die hoofdzakelijk worden gebruikt door personen met een ziekte of handicap. Verweerder heeft de kosten van de aanschaf van het bed en de fauteuil terecht niet in aftrek toegelaten. Aan de door eiseres aangehaalde passages uit de Kluwer Belastinggids kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 28-08-2019
V-N Vandaag 2019/1954
FutD 2019-2256
V-N 2019/50.2.3
NTFR 2019/2278
NLF 2019/1996 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 19/661

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

4 juli 2019 in de zaak tussen

[EISERES], te [PLAATS], eiseres

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 9 januari 2019 op het bezwaar van eiseres tegen de voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2019. Eiseres is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

[A] en [B].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Ambtshalve overweegt de rechtbank als volgt. Het bezwaar van eiseres tegen de aan haar met dagtekening 16 maart 2018 opgelegde aanslag IB/PVV, is vóór de dagtekening van de aanslag bij verweerder binnengekomen. Hiermee heeft eiseres prematuur bezwaar gemaakt. De rechtbank gaat er vanuit dat in het algemeen de dagtekening van de aanslag op een later tijdstip wordt gezet dan het moment waarop de aanslag wordt verzonden. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat de onderhavige aanslag reeds vóór de dagtekening daarvan bekend was gemaakt aan eiseres. Uit het voorgaande volgt derhalve dat verweerder het bezwaar terecht ontvankelijk heeft geacht.

2. Eiseres claimt een aftrek van € 3.294, welke ziet op kosten voor een elektrisch bedienbaar bed van € 1.299 en een elektrisch bedienbare fauteuil van € 1.995. Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001, zijn uitgaven gedaan voor hulpmiddelen aftrekbaar voor zover deze hulpmiddelen van een zodanige aard zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt. De bewijslast ter zake rust op eiseres.

3. De wetgeving waar eiseres zich op beroept is met ingang van het jaar 2014 gewijzigd. Het criterium is niet langer dat sprake moet zijn van een hulpmiddel dat de persoon in staat stelt tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie, maar of het hulpmiddel hoofdzakelijk door zieke of invalide personen wordt gebruikt. Dit laatste heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen verweerders verklaring dat het bed en de fauteuil ook gebruikt worden door personen waarbij geen sprake is van een chronische ziekte of handicap. Eiseres heeft gewezen op haar gezondheidstoestand en heeft een uitleg gegeven van haar redenen om het bed en fauteuil te kopen; dit is onvoldoende om aan te nemen dat het bed en de fauteuil hoofdzakelijk worden gebruikt door personen met een ziekte of een handicap. Gezien de voorwaarde welke artikel 6.17, eerste lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001 voor aftrek stelt, kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend aan de door eiseres aangehaalde passages uit de Kluwer Belastinggids. Daar komt bij dat de Kluwer Belastinggids geen overheidspublicatie is waaraan een belastingplichtige gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen. Verweerder heeft de kosten van de aanschaf van het bed en de fauteuil dan ook terecht niet in aftrek toegelaten.

4. Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden ingediend tegen de berekening van de belastingrente. Niet gebleken is dat de belastingrente ten onrechte of tot een te hoog bedrag is berekend.

5. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.