Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6262

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-05-2019
Datum publicatie
19-07-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5291
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is huurder van de woning. In geschil is de WOZ-waarde van de woning. De rechtbank heeft de zogenoemde derde partij, de verhuurder van de woning, uitgenodigd om deel te nemen aan de onderhavige procedure. Derde belanghebbende heeft zich echter niet als partij gesteld. De rechtbank oordeelt dat er een leemte in de rechtsbescherming is nu er in de Algemene wet rijksbelastingen geen bepaling is opgenomen vergelijkbaar met artikel 8:26 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en oordeelt dat artikel 8:26 Awb van overeenkomstige toepassing dient te zijn op deze procedure. het ligt op de weg van verweerder om derde belanghebbende in de gelegenheid te stellen zich over het geschil uit te laten. Aangezien derde belanghebbende de mogelijkheid is geboden als procespartij deel te nemen aan het geding verbindt de rechtbank hieraan geen verdere gevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-07-2019
FutD 2019-2051
NLF 2019/1819 met annotatie van Jan Willem Nuis
Belastingblad 2019/348 met annotatie van R.A. Eskes
NTFR 2019/2685 met annotatie van Mr. M.B. Weijers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 18/5291

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 mei 2019 in de zaak tussen

[EISER], wonende te [PLAATS], eiser

(gemachtigde: M. Uijen),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rijswijk, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking van 26 februari 2018 (de beschikking) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [ADRES 1] te [PLAATS] (de woning), op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) op waardepeildatum 1 januari 2017 (hierna: de waardepeildatum) voor het tijdvak 1 januari 2018 tot 1 januari 2019 vastgesteld op € 161.000.

Eiser heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak op bezwaar van 22 juni 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2019.

Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen.
Namens verweerder is [A] verschenen.

De eigenaresse van de woning, woningstichting Vidomes, is uitgenodigd door de rechtbank om deel te nemen aan deze beroepsprocedure. Zij heeft zich echter niet als partij gesteld.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is huurder van de woning. De woning is een appartement met berging en heeft als bouwjaar 1972. De inhoud van de woning is ongeveer 260m³.

Geschil
2. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum.

3. Eiser bepleit een waarde van € 145.000. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met relevante marktcijfers en verschillen tussen de door verweerder gehanteerde referentiepanden en de woning. Eiser verwijst ter onderbouwing van de door hem bepleite waarde naar een drietal verkopen van panden gelegen aan de Dr. [B]. Verder bestrijdt eiser dat de door verweerder aangedragen referentiewoning aan de Ds. van den Boschlaan een mindere ligging zou hebben dan de woning. Ook voert eiser aan dat de gecorrigeerde transactieprijzen van de referentiewoningen aan de [ADRES 2] gelet op de transactiedata niet juist berekend zijn en stelt eiser dat het bedrag aan VVE-reserves door verweerder ten onrechte niet uit de verkoopprijs is geëlimineerd.

4. Verweerder heeft onder meer verwezen naar een door hem overgelegde matrix, waarin de woning op afgerond € 161.000 is gewaardeerd. Naast gegevens van de woning, bevat deze matrix gegevens van een drietal vergelijkingsobjecten. Verweerder voert onder meer aan dat het referentiepand aan de Ds. van den Boschlaan en de door eiser aangedragen panden aan de Dr. [B] een andere ligging hebben dan de woning en daardoor een lager waarde niveau hebben. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Derde-belanghebbende

5. In onderhavige procedure is eiser huurder van de woning. De uitkomst van deze procedure tegen de hoogte van de WOZ-waarde kan echter een direct gevolg hebben voor de eigenaresse van de woning, in casu woningstichting Vidomes. Voor de eigenaresse is er ingevolge de wettelijke bepalingen geen aparte rechtsingang. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) kent in artikel 8:26, eerste lid een regeling waarin een belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld als zogenoemde derde-partij aan het geding deel te nemen. Artikel 30 van de Wet WOZ verwijst naar de Algemene wet rijksbelastingen( Awr). In de Awr is echter geen bepaling opgenomen vergelijkbaar met artikel 8:26 Awb. Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van een leemte in de rechtsbescherming en dient artikel 8:26 Awb van overeenkomstige toepassing op onderhavige procedure te zijn.

Dit brengt mee dat het in voorkomende gevallen op de weg van verweerder ligt om een derde-belanghebbende in de gelegenheid te stellen zich desgewenst over het voorliggende geschil uit te laten. In de onderhavige zaak heeft dit niet plaatsgevonden. De rechtbank verbindt hieraan echter geen verdere gevolgen, aangezien woningstichting Vidomes in beroep de mogelijkheid is geboden als procespartij deel te nemen aan het geding.

Waarde van de woning

6. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44).

7. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op de door hem overgelegde matrix en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, hierin niet geslaagd. Naar volgt uit de matrix, is de waarde van de woning bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Uit deze matrix wordt echter niet duidelijk op welke wijze de aan de woning toegekende waarde is herleid uit de bij de verkoop van de in de matrix genoemde vergelijkingsobjecten behaalde verkoopprijzen. Weliswaar heeft verweerder, door te verwijzen naar de verschillen in verkoopprijzen van woningen gelegen aan de doorgaande weg dan wel verder in de wijk gelegen, aannemelijk gemaakt dat de woningen aan de [ADRES 3] en [ADRES 4] gelegen zijn in een ander waardegebied en voor eisers woning derhalve om die reden een hogere WOZ-waarde gerechtvaardigd is. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe het verschil in transactiedata van de referentiewoningen aan de [ADRES 2] is verwerkt in de gecorrigeerde transactieprijzen van deze referentiewoningen en hoe dit uitwerkt in de WOZ-waarden van die referentiepanden en de waarde van de woning. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte de VVE-reserves die opgenomen zijn in de verkoopcijfers van de referentiewoningen niet heeft geëlimineerd. Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank als volgt. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder meer het arrest van 8 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5446) volgt dat ter bepaling van de waarde in het economische verkeer van een onroerende zaak, gelet op verkoopprijzen van vergelijkbare onroerende zaken, de invloed van de aanwezigheid van een VVE-reserve dient te worden uitgeschakeld door met dat gedeelte van de verkoopprijzen dat aan die reserve kan worden toegerekend geen rekening te houden. Eiser heeft met de door hem overgelegde stukken ter zitting aannemelijk gemaakt dat verweerder hiermee onvoldoende rekening heeft gehouden.

8 Nu verweerder niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of eiser de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. Eiser maakt door te verwijzen naar verkopen van woningen aan de Dr. [B], gelet op hetgeen is overwogen onder 7 met betrekking tot de ligging in een ander waardegebied, niet aannemelijk dat de waarde van de woning € 145.000 dient te zijn. Ook wanneer het bedrag aan VVE-reserves in de verkoopcijfers buiten beschouwing wordt gelaten, maakt eiser de door hem voorgestane waarde niet aannemelijk.

9. Nu geen van beide partijen naar het oordeel van de rechtbank er in is geslaagd het van haar gevergde bewijs te leveren, bepaalt de rechtbank de waarde van de woning op de waardepeildatum in goede justitie op € 155.000.

10. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de woning te hoog is vastgesteld en dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.532 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het horen met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- wijzigt de beschikking aldus dat de vastgestelde waarde wordt verminderd tot € 155.000;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.532;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, voorzitter, en mr. M.C.J.A. Huijgens en mr. A.D. van Riel, leden, in aanwezigheid van mr. B. van Eeuwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.