Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6253

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-05-2019
Datum publicatie
19-07-2019
Zaaknummer
NL18.15037
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Polen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.15037


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2019 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Selbach),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting stond oorspronkelijk gepland op 23 augustus 2018 maar is in overleg met partijen verdaagd.

Bij uitspraak van 6 september 2018, met zaaknummer NL18.15038, heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en verweerder verboden eiser uit Nederland te verwijderen totdat op het beroepschrift is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2019. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 1992 en de Armeense nationaliteit te hebben. Hij heeft op 2 mei 2018 de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 niet in behandeling genomen. In dit artikel is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen, indien op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Polen een verzoek om overname gedaan. Polen heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op hetgeen eiser heeft aangevoerd, wordt in het navolgende ingegaan.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. Eiser voert aan dat hij geen asielaanvraag in Polen heeft ingediend en daar naar zijn weten ook nooit is geweest.

5.1.

De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening de lidstaat die de verzoeker om internationale bescherming een visum heeft afgegeven dat minder dan zes maanden is verlopen en hem daadwerkelijk toegang heeft verschaft tot het grondgebied van een lidstaat, verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, zolang de verzoeker het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten.

5.2.

Nu eiser in het bezit is gesteld van een Schengenvisum voor Polen, dat geldig was van 20 maart 2018 tot 18 april 2018, is Polen op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk voor de behandeling van eisers asielverzoek. Dat eiser geen asielaanvraag heeft ingediend in Polen doet in dit geval niet ter zake. Verweerder heeft de Poolse autoriteiten op 19 juni 2018 verzocht om eiser over te nemen. Zij hebben hiermee op 22 juni 2018 ingestemd.

5.3.

Eiser heeft onvoldoende aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan verweerder niet van de verantwoordelijkheid van Polen heeft kunnen uitgaan. De stelling dat hij naar zijn weten nooit in Polen is geweest en geen gebruik heeft gemaakt van zijn visum om naar Nederland te reizen, is niet onderbouwd met het overleggen van een paspoort en/of reisdocumenten. Bovendien heeft verweerder eiser kunnen aanrekenen dat hij over zijn reis naar Nederland met de auto slechts summier en vaag heeft verklaard. Zo heeft eiser verklaard dat hij tijdens de reis geslapen heeft en niet weet via welk land hij het Dublingebied is ingereisd noch door welke landen hij is gereisd. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij anders dan met het voormeld visum is ingereisd, heeft verweerder ervan uit kunnen gaan dat eiser het visum heeft gebruikt om in te reizen.

6. Eiser voert aan dat hij in Polen teruggestuurd zal worden naar Armenië.

6.1.

De rechtbank stelt voorop dat Polen is aangesloten bij het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76), (het Vluchtelingenverdrag) en het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In beginsel mag verweerder er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, van uitgaan dat de Poolse autoriteiten zich houden aan hun internationale verplichtingen. Het ligt dan ook op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, zodat niet langer uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd. Zo heeft eiser niet onderbouwd dat sprake is van dergelijke tekortkomingen.

6.2.

Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Polen jegens hem de beginselen van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM niet zal naleven, bestaat er geen grond om aan te nemen dat Polen eiser zal terugsturen naar Armenië zonder dat toetsing aan deze verdragen heeft plaatsgevonden. Middels het claimakkoord hebben de Poolse autoriteiten immers gegarandeerd het asielverzoek van eiser in behandeling te nemen. Daarom is niet op voorhand sprake van (indirect) refoulement bij overdracht van eiser aan Polen.

6.3.

Voor zover eiser van mening is dat Polen zich niet houdt aan Richtlijn 2008/115/EG, Richtlijn 2011/95/EU, Richtlijn 2013/32/EU en Richtlijn 2013/33/EU heeft verweerder, onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk van 2 december 2008 (ECLI:NL:XX:2008:BG9802), terecht overwogen dat eiser zich over eventuele problemen dient te beklagen bij de Poolse autoriteiten dan wel de geëigende instanties. Niet is gebleken dat de autoriteiten van Polen hem niet zouden kunnen of willen helpen.

7. Eiser heeft aangevoerd psychische klachten te hebben, in Armenië kalmeringsmiddelen te hebben gebruikt en op jonge leeftijd opgenomen te zijn geweest. Bij zijn zienswijze heeft eiser hiertoe een overdracht van de behandelend arts op de spoedeisende hulp Weert aan zijn huisarts van 10 mei 2018 overgelegd. In beroep heeft eiser een verklaring van [X] , regiebehandelaar psychiater, van 20 augustus 2018 overgelegd waaruit blijkt dat hij een suïcidepoging heeft gedaan en in de psychiatrische kliniek Rielerenk in Deventer verblijft. Gelet op deze informatie is de overdracht van eiser aan Polen op dit moment niet mogelijk.

7.1.

Naar aanleiding van de door eiser in beroep overgelegde medische informatie heeft de rechtbank in overleg met partijen besloten de behandeling van het beroep dat oorspronkelijk gepland stond op 23 augustus 2018 aan te houden teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen de medische problemen van eiser nader te onderzoeken. Ingevolge het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 in de zaak C.K. e.a. tegen Slovenië (ECLI:EU:C:2017:127) dient immers afgezien te worden van overdracht in het kader van Dublin in het geval de overdracht een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van de vreemdeling met zich meebrengt.

7.2.

Bij brief van 26 oktober 2018 heeft verweerder eiser verzocht een ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring, niet ouder dan zes maanden met vermelding van de behandelaar(s) bij wie eiser momenteel onder behandeling staat, een bewijs omtrent de medische situatie van eiser en medische stukken waaruit blijkt dat de overdracht in het kader van Dublin zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidssituatie dan wel dat er een aanzienlijk risico daarop bestaat, te overleggen. Verweerder heeft eiser hierbij medegedeeld dat als de bovengenoemde stukken niet of niet volledig worden ingevuld, eiser daarmee verweerder de mogelijkheid om het beroep op het bestaan van medische klachten te onderzoeken, onthoudt. Dat betekent dat in dat geval niet kan worden beoordeeld of sprake is van een situatie waarin de overdracht een zodanige ernstige invloed heeft op de mentale of fysieke toestand van eiser dat dit zal leiden tot een artikel 3 van het EVRM schending vanwege een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand.

7.3.

Op 16 januari 2019 heeft verweerder diverse stukken in het digitale beroepsdossier van eiser geüpload waaruit blijkt dat de door eiser aan verweerder opgestuurde stukken voor het verrichten van onderzoek naar zijn medische situatie onvolledig zijn. Bij brief van 17 december 2018 heeft verweerder aan eiser bericht dat de toestemmingsverklaring niet volledig is ingevuld en dat medische stukken waaruit blijkt dat de overdracht van eiser in het kader van Dublin zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidssituatie dan wel dat er een aanzienlijk risico daarop bestaat, ontbreken. Verweerder heeft aan eiser een termijn van twee weken gegeven om deze stukken alsnog aan hem te doen toekomen. Binnen deze termijn heeft eiser geen aanvullende stukken aan verweerder gezonden. De rechtbank heeft eiser om een reactie verzocht. Bij bericht van 22 februari 2019 heeft eiser aan de rechtbank gemeld dat er geen (aanvullende) medische stukken zijn waaruit blijkt dat een overdracht aan Polen op dit moment zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheid van eiser. Dit maakt dat nader onderzoek naar de medische problemen van eiser bij de huidige stand van zaken niet mogelijk is. De rechtbank is derhalve van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overdracht aan Polen zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand waardoor sprake zal zijn van een schending van artikel 3 van het EVRM.

7.4.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat. Hierin is eiser niet geslaagd. Zo heeft eiser niet met stukken onderbouwd dat hij in Polen geen medische behandeling zal kunnen verkrijgen indien hij een dergelijke behandeling behoeft noch dat Nederland het meest aangewezen land is om hem te behandelen.

8. Eiser doet een beroep op artikel 64 van de Vw 2000.

8.1.

De rechtbank overweegt dat de onderhavige procedure slechts betrekking heeft op de vraag welke lidstaat op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is om het verzoek om internationale bescherming van eiser te behandelen. Conform het beleid van verweerder neergelegd in paragraaf A3/7.4.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000, dat de rechtbank niet kennelijk onredelijk acht, past verweerder artikel 64 van de Vw 2000 niet toe als de vreemdeling op grond van de Dublinverordening wordt overgedragen. De vreemdeling kan in dat geval op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden overgedragen aan de andere lidstaat, tenzij de vreemdeling met bewijsmiddelen aannemelijk heeft gemaakt dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is eiser hierin niet geslaagd.

9. Eiser voert aan dat hij veel begeleiding nodig heeft en moeilijk zelfstandig kan functioneren. Aangezien zijn broer en schoonzus eveneens in Nederland verblijven, hoopt eiser dat hij op korte termijn bij hen kan verblijven zodat zijn broer voor hem kan zorgen.

9.1.

Voor zover eiser hiermee een beroep doet op artikel 16 van de Dublinverordening, slaagt dit beroep niet. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat er sprake is van afhankelijkheid tussen hem en zijn broer. Er zijn bijvoorbeeld geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat eiser voor zijn medische zorg afhankelijk is van zijn broer noch dat zijn broer in staat en bereid is deze zorg te verlenen. Van afhankelijkheid in de zin van dit artikel is de rechtbank dan ook niet gebleken. Voor zover eiser hiermee een beroep op artikel 17 van de Dublinverordening doet, heeft verweerder hierin zonder nadere onderbouwing van eisers actuele medische problemen redelijkerwijs geen bijzondere omstandigheid hoeven zien om de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

griffier

rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.