Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6251

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-05-2019
Datum publicatie
21-06-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 65 AWB 19_66
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Irv, opheffing ongewenstverklaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/65 (beroep)

AWB 19/66 (voorlopige voorziening)

[persoonsnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 10 mei april 2019 in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] 1962, van Surinaamse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna te noemen: eiser

(gemachtigde: mr. C.M. Buisman),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers ongewenstverklaring opgeheven en aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.

Op 2 januari 2019 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Daarbij is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat verweerder zich dient te onthouden van uitzetting totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich, met voorafgaande kennisgeving, niet ter zitting laten vertegenwoordigen. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

Feiten en besluitvorming verweerder

1.1.

Eiser is bij besluit van 23 juni 2008 tot ongewenst vreemdeling verklaard.

1.2.

Op 21 augustus 2018 heeft eiser een verzoek om opheffing van zijn ongewenstverklaring ingediend. Voorts heeft eiser op die dag een aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM1 (privé- en familieleven) ingediend. Deze aanvraag is door verweerder buiten behandeling gesteld.

1.3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de ongewenstverklaring opgeheven omdat

sinds de inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn2 niet legaal in Nederland verblijvende vreemdelingen niet langer ongewenst worden verklaard voor Nederland, maar een inreisverbod krijgen voor de Europese Unie (EU). Er is geen reden om de ongewenstverklaring op te heffen op grond van nationaal recht omdat eiser sindsdien niet tien of vijf jaren buiten de EU is geweest. Van bijzondere feiten die nopen tot opheffing, ondanks dat niet aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, is geen sprake, aldus verweerder. Verder heeft verweerder zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat een terugkeerbesluit aan eiser kan worden opgelegd.

Eiser heeft geen verblijfsrecht in Nederland of een ander EU-land. Hij moet Nederland en de EU meteen verlaten. Er is namelijk een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dit onder meer omdat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Op grond daarvan heeft verweerder eiser een inreisverbod opgelegd. Oplegging daarvan is niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Dat is wel het geval als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn meerderjarige dochter. Een dergelijke relatie is echter niet vereist als het gaat om een jongvolwassene die altijd feitelijk heeft behoord en nog steeds behoort tot het gezin van de ouder. Dat is echter niet aangetoond, waarbij van belang is dat eiser niet onderbouwd heeft dat de dochter enige tijd bij hem in Suriname heeft gewoond, dat eiser heeft verklaard dat zij niet bij hem woont en niet is aangetoond dat sprake is van dagelijks contact. Derhalve moet beoordeeld worden of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Dat is niet het geval. Van belang daarbij acht verweerder dat niet met objectiveerbare documenten is onderbouwd dat het missen van eiser ernstige gevolgen heeft gehad voor eisers dochter, dat zij problemen met haar moeder heeft gekregen, dat de kinderbescherming ingeschakeld moest worden en dat een zus van eiser de dochter een jaar in huis heeft genomen. De dochter is thans zelfstandig en heeft een baan in de beveiliging. Zij schrijft dat zij en eiser elkaar bijna elke dag zien en spreken en dat zij de verloren jaren wil inhalen. Verweerder acht dit een normale band. Van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie is verweerder niet gebleken. Van een beschermenswaardig gezinsleven tussen eiser en dochter in de zin van artikel 8 EVRM is geen sprake en verweerder acht het bestreden besluit dan ook niet in strijd met dit artikel.

Oordeel rechtbank

2.1.

Niet in geschil is dat eiser niet in aanmerking komt voor opheffing van de ongewenstverklaring op de grond dat hij tien jaar buiten Nederland heeft verbleven. Verweerder heeft erop gewezen dat uit het besluit tot ongewenstverklaring niet blijkt hoe lang die ongewenstverklaring duurt en dat daaruit niet blijkt dat deze is opgelegd omdat eiser een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat hij kan overgaan tot opheffing van een ongewenstverklaring, als, voor zover hier van belang, de ongewenst verklaarde vreemdeling kan aantonen dat hij na de bekendmaking van het besluit tot ongewenstverklaring vijf jaren buiten de EU is geweest.

2.2.

Eiser voert aan dat hij aan die voorwaarde voldoet nu hij tot 2009 in Nederland heeft gewoond en in 2014 vanuit Suriname is teruggekomen naar Nederland. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser in december 2014 Nederland is ingereisd. In het uittreksel uit de Basisregistratie Personen staat vermeld dat eiser daarin is opgenomen als niet-ingezetene en dat met ingang van 19 januari 2010 zijn adres onbekend is. Anders dan eiser stelt, blijkt uit die verklaring dus niet dat hij tot 2009 in Nederland heeft gewoond. Eiser heeft dan ook niet aangetoond dat hij na de bekendmaking van het besluit tot ongewenstverklaring vijf jaren buiten de EU is geweest. Eiser heeft verklaard dat hij niet meer in het bezit is van het paspoort en vliegticket waarmee hij Nederland in 2009 stelt te zijn uitgereisd en dat dit de enige concrete bewijsmiddelen zijn ter ondersteuning van die stelling. De rechtbank is van oordeel dat verweerder objectief bewijs mag vragen van eiser. Verweerder heeft dan ook geen doorslaggevende waarde hoeven te hechten aan de verklaringen van familieleden op dit punt. Deze verklaringen zijn niet afkomstig uit objectieve bron.

2.3.

Gelet daarop en nu eiser zijn stelling dat hij vijf jaren buiten de EU is geweest ook overigens niet heeft onderbouwd, heeft verweerder terecht gesteld dat hij niet voldoet aan deze eis. Verweerder heeft dan ook terecht geweigerd de ongewenstverklaring op te heffen.

3. Tegen de oplegging van het terugkeerbesluit heeft eiser geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd.

4.1.

Ten aanzien van de vraag of verweerder bevoegd was tot het opleggen van het inreisverbod voor de duur van twee jaren overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder daarvan had moeten afzien omdat oplegging van het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft in dit verband gewezen op de band met zijn jongvolwassen dochter, zijn zussen, broer en overige familie, die allen de Nederlandse nationaliteit hebben en op zijn in Nederland wonende vrienden. Ook heeft eiser erop gewezen dat hij vanwege zijn lange illegale status fysiek en moraal zodanig is verzwakt dat hij afhankelijk is van zijn familieleden.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder bij zijn beoordeling alleen heeft betrokken of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn meerderjarige dochter. De overige door eiser aangevoerde omstandigheden, die betrekking hebben op zijn gestelde privéleven, heeft verweerder ten onrechte niet beoordeeld. Dit klemt temeer nu gelijktijdig met de aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring, een aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM is ingediend. Laatstgenoemde aanvraag ziet op privé- en familieleven. In verband met deze laatste aanvraag heeft verweerder eiser bij brief van 19 december 2018 meegedeeld dat tevens zal worden beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van privéleven op grond van artikel 8 van het EVRM. Het bestreden besluit is in zoverre daarom niet zorgvuldig tot stand gekomen en berust op een motiveringsgebrek.

4.3.

Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet, nu het primair aan verweerder is om de feiten en omstandigheden in verband met het beroep op privéleven te inventariseren en wegen en verweerder dit beide achterwege heeft gelaten, geen aanleiding voor finale geschilbeslechting. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

5. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.536 ,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,--, en een wegingsfactor 1). Als aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 19/65,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen acht weken weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 19/66,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 340,-- (zegge: driehonderd en veertig euro ) aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.536,-- (zegge: vijftienhonderd en zesendertig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.C. Langendoen, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.M. de Buur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EB

D: C

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

2 Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.