Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:617

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
09/797090-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval met dodelijke afloop. De rechtbank in Den Haag heeft vandaag een buschauffeur veroordeeld tot een geldboete van 500 euro. De buschauffeur was op 16 april 2018 op de Thorbeckelaan in Gouda betrokken bij een verkeersongeval met dodelijke afloop.

Het ongeval

Het ongeval gebeurde doordat de bus twee naast elkaar rijdende fietsers inhaalde. Bij het inhalen raakte de rechter buitenspiegel van de bus het stuur van een van de fietsende scholieren. Het 14-jarige slachtoffer kwam daardoor ten val en is ter plaatse overleden.

Misdrijf of overtreding

Voor een veroordeling voor artikel 6 van de Wegenverkeerswet moet sprake zijn van ernstige onvoorzichtigheid. Dat is volgens de rechtbank hier niet het geval. Van dat misdrijf wordt de buschauffeur vrijgesproken.

Door de fietsers in te halen op een smal weggedeelte heeft de bestuurder een inschattingsfout gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de buschauffeur hierdoor wel gevaar op de weg heeft veroorzaakt waarmee zij zich schuldig maakte aan een overtreding. Als ervaren buschauffeur had ze moeten zien dat de weg te smal was om de twee naast elkaar fietsende scholieren in te halen.

Situatie ter plaatse

De Thorbeckelaan is een vrij drukke weg met intensief verkeer. In 2015 is de weg gereconstrueerd en is de middengeleider breder gemaakt om het oversteken makkelijker te maken. De rijbaan en de fietsstrook zijn toen versmald, waardoor de weginrichting niet langer voldoet aan de daarvoor geldende normen. Door de inrichting van de weg met een rijbaan en een gemarkeerde fietsstrook wordt de indruk gewekt dat de weg ter plaatse voldoende ruimte biedt om op de fietsstrook rijdende fietsers in te halen. Dat laat echter de eigen verantwoordelijkheid van de buschauffeur onverlet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2019/36
JWR 2019/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/797090-18

Datum uitspraak: 29 januari 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 15 januari 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.M. Ariese en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. L.E. Buiting naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 16 april 2018 te Gouda als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (lijnbus), zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gereden over de Thorbeckelaan, waardoor een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door ter hoogte van een middenberm/middengeleider een of meer op de naast de rijstrook gelegen fietsstrook rijdende fietsers, in te halen en daarbij tegen het stuur van een fietser, te weten [slachtoffer] , is aangereden, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en werd gedood,

terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat zij gevaarlijk heeft ingehaald;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 16 april 2018 te Gouda, als bestuurder van een voertuig (lijnbus), daarmee rijdende op de weg, de Torbeckelaan, door ter hoogte van een middenberm/middengeleider een of meer op de naast de rijstrook gelegen fietsstrook rijdende fietsers in te halen en daarbij tegen het stuur van een fietser, te weten [slachtoffer] , is aangereden, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en werd gedood,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3. Bewijsoverwegingen 1

3.1

Inleiding

Op 16 april 2018 heeft op de Thorbeckelaan te Gouda een aanrijding plaatsgevonden tussen een door de verdachte bestuurde bus en een minderjarige fietser, te weten [slachtoffer] . Het slachtoffer is kort daarna aan haar verwondingen overleden.

Gelet op wat aan de verdachte is ten laste gelegd dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verdachte kan worden verweten dat zij schuld heeft aan de aanrijding, door (zeer) onvoorzichtig, dan wel onoplettend, te handelen, terwijl de dood van het slachtoffer het gevolg is geweest van dat handelen. In het geval de rechtbank dat niet bewezen acht moet de vraag worden beantwoord of verdachtes handelen (in de vorm van een verkeersovertreding) gevaar en/of hinder voor het verkeer op de weg heeft veroorzaakt.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd, zoals verwoord in zijn op schrift gesteld requisitoir, tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit, omdat – kort gezegd – kan worden vastgesteld dat het handelen van de verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Het was niet mogelijk om op die plek op een veilige manier in te halen. Ook bestond er geen noodzaak daartoe, waardoor de verdachte op zijn minst genomen met haar inhaalmanoeuvre had kunnen wachten totdat zij de middengeleider was gepasseerd. De verdachte heeft hierdoor een onnodige inschattingsfout gemaakt en daardoor een ander in gevaar gebracht. Omdat het inhalen ook als gevaarlijk inhalen kan worden aangemerkt, is ook sprake van een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in artikel 175, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, zoals verwoord in zijn op schrift gestelde pleitnota, – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair tenlastegelegde feit, omdat geen sprake is geweest van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid. De verdachte heeft een inschattingsfout gemaakt met dramatische gevolgen. De verdachte heeft zich echter voor het overige keurig aan de verkeersregels gehouden. Om die reden dient vrijspraak van het primair tenlastegelegde feit te volgen. Ten aanzien van een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De weginrichting

Voordat de rechtbank over gaat tot een beoordeling van de tenlastelegging zal de rechtbank enige overwegingen wijden aan de weginrichting ter plaatse van het ongeval.

In het proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse (hierna: VOA) wordt over de locatie van het ongeval vermeld dat het gaat om de Thorbeckelaan te Gouda.

De plaatselijke verkeerssituatie is beschreven en beoordeeld in een proces-verbaal van bevindingen. Bij de beoordeling is gebruik gemaakt van de richtlijnen van het kennisplatform CROW. Het CROW geeft richtlijnen en aanbevelingen voor de inrichting van een weg. Indien een inrichting niet is genoemd in het CROW dan is deze inrichting niet aanbevolen. De Thorbeckelaan is een vrij drukke weg met intensief autoverkeer, waaronder het verkeer van lijnbusdiensten. Er zijn meerdere middelbare scholen in de buurt, wat veel fietsverkeer met zich brengt. De huidige indeling met een middengeleider kreeg de weg in 2005. In 2015 is de weg gereconstrueerd en is de middengeleider breder gemaakt om het oversteken gemakkelijker te maken. De rijbaan en de fietsstrook zijn bij die gelegenheid versmald. Na het ongeval zijn enkele metingen verricht. Gebleken is dat de rijstrook een breedte heeft tussen de 2,76 en 2,80 meter en de fietsstrook een breedte van 1,54 meter.

De bij het ongeval betrokken lijnbus heeft een breedte van 2,50 meter. Met de spiegels heeft de bus een breedte van 2,90 meter.

Een fiets met zijn bestuurder is 0,75 meter breed. Op de Thorbeckelaan konden op de fietsstrook twee fietsers net naast elkaar fietsen, zij het dat rekening gehouden dient te worden met de vetergang (de lichte slingerbeweging die wordt gemaakt door het voortdurend corrigeren van onbalans). Kinderen tot 14 jaar hebben daarbij een verhoogde kans om te slingeren. In het CROW wordt aanbevolen dat een gebiedsontsluitingsweg met fietsstrook binnen de bebouwde kom een fietsstrook heeft van minimaal 1.70 meter breed en een rijstrook van minimaal 2.90 meter breed.

De huidige inrichting van de Thorbeckelaan voldoet dan ook niet aan de richtlijnen van het CROW wat betreft de breedte van de rij- en fietsstrook, waardoor op deze locatie op grond van de CROW richtlijnen twee naast elkaar fietsende fietsers niet kunnen worden ingehaald door een stadsbus. In de huidige richtlijnen van het CROW wordt een middengeleider met fietsstroken langs de rijstrook op een gebiedsontsluitingsweg niet genoemd en derhalve zijn hier dus geen aanbevelingen voor. Daaruit volgt dat die weginrichting niet wordt aanbevolen.2

Toedracht van de aanrijding

De verdachte heeft verklaard dat zij op de dag van het ongeval als bestuurder van de bus reed. Zij had al vaker op die weg gereden en zag een groep bestaande uit twee fietsers en daarvoor een groep bestaande uit drie fietsers rijden. De groep van twee fietsers haalde de groep van drie fietsers in. Toen de groep van twee fietsers weer op de fietsstrook reed, begon de verdachte aan haar inhaalmanoeuvre. Zij reed ongeveer 25 kilometer per uur en reed, zo heeft zij verklaard, een halve meter tot een meter van de stippenlijn tussen de rijbaan en de fietsstrook. Op een gegeven moment hoorde de verdachte een klap en voelde zij dat de bus rechtsachter iets omhoog kwam. De verdachte bracht de bus daarna tot stilstand.3

De bus waarin verdachte reed verkeerde rijtechnisch in een voldoende staat van onderhoud, en vertoonde geen gebreken en/of bijzonderheden, welke mogelijk van invloed zijn geweest op het ontstaan, dan wel het verloop, van het ongeval. Uit het onderzoek is gebleken dat de bus over de Thorbeckelaan reed, komende uit de richting van de Bleulandweg. Rechts naast de rijbaan van de Thorbeckelaan – waar de bus reed – is een fietsstrook gemarkeerd. Het slachtoffer reed op deze fietsstrook, naast een andere fietser aan de zijde van de rijbaan, ook komende vanuit de richting van de Bleulandweg.

Op de camerabeelden van de bus is te zien dat, op het moment dat de fietser wordt ingehaald, het linker handvat van de fiets ter hoogte van de onderste spiegel aan de rechterzijde is en dat die spiegel op dat moment, kennelijk door aanraking met het handvat, naar binnen gedraaid wordt. Hierna is te zien dat de fietser in onbalans wordt gebracht en ten val komt.

Door de confrontatie tussen de bus en de fiets was er aan bijna de gehele rechterzijde van de bus schade ontstaan in de vorm van krassen. Het stuur van de fiets was ontzet en op het linker handvat waren schuursporen zichtbaar.4

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de aanrijding is ontstaan doordat de verdachte met de bus het slachtoffer inhaalde, waardoor de bus een confrontatie heeft gehad met de fiets van het slachtoffer en het slachtoffer ten val is gekomen en onder de bus terecht is gekomen. Het slachtoffer is als gevolg van het ongeval overleden.

Schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994?

De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 het volgens vaste jurisprudentie aankomt op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden van het geval. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een ernstige mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. De ernst van het gevolg is zonder meer niet voldoende om te concluderen dat de verdachte daaraan schuld had (ECLI:NL:HR:2004:AO5822).

De verdachte moet als buschauffeur iedere dag talloze inschattingen maken en telkens in een zeer kort tijdsbestek beslissen hoe te handelen. Bij het maken van die inschattingen spelen ervaring en intuïtie een belangrijke rol, alsook het gedrag van de gemiddelde verkeersdeelnemer. De verdachte reed over de weg. Voor haar reed het slachtoffer samen met een ander. Daarvoor reed een groep bestaande uit drie fietsers. Het slachtoffer haalde met een ander de groep van drie fietsers in. De verdachte zag dit en besloot achter de fietsers te blijven rijden. Pas toen het slachtoffer en de ander weer terug op de fietsstrook reden is verdachte aan haar inhaalbeweging begonnen. Zij veronderstelde dat dat op dat moment mogelijk was Dat bleek een fatale inschattingsfout van de verdachte te zijn. De rechterspiegel van de bus kwam tegen het linker handvat van de fiets van het slachtoffer aan, waardoor het slachtoffer viel en onder de bus terecht kwam.

De rechtbank acht bovengenoemde inschattingsfout van de verdachte niet zodanig onbegrijpelijk en verwijtbaar dat deze fout kan worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag. Die beoordeling wordt niet anders door het gegeven dat de verdachte een professioneel bestuurder is aan wie hogere eisen moeten worden gesteld. Daartoe weegt mee dat de weg als doorgaande ontsluitingsweg in de bebouwde kom door zijn inrichting, met een afzonderlijke rijstrook en een afzonderlijke fietsstrook, beoogt zowel voor het intensieve busverkeer als voor het drukke fietsverkeer een vlotte afwikkeling te bieden, waarbij het autoverkeer en dus ook het openbaar vervoer zich als regel sneller beweegt dan het fietsverkeer. De Thorbeckelaan is aldus ontworpen en presenteert zich dan ook als een weg waar het autoverkeer het verkeer op de fietsstrook veilig voorbij kan gaan (inhalen).

Gelet op het voorgaande spreekt de rechtbank verdachte vrij van het verkeersmisdrijf van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 5 WVW 1994

Het subsidiair ten laste gelegde is toegesneden op artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, waarin strafbaar wordt gesteld het zich zodanig op de weg gedragen dat gevaar wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt, dan wel het verkeer wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Het gaat daarbij niet om abstracte gevaarzetting of hinder, maar om concrete gevaarzetting of hinder. Bij de vraag of een bepaalde handeling kan worden aangemerkt als gevaarzettend gaat het om de handeling in concreto in het licht van alle omstandigheden van het geval.

Dat sprake is van het veroorzaken van een gevaar op de weg, zoals subsidiair ten laste is gelegd acht de rechtbank wel bewezen.

Op het moment dat de verdachte aan haar inhaalbeweging begon, reed zij achter het slachtoffer. Het slachtoffer reed op dat moment samen met een ander op een smalle fietsstrook. In het midden van de weg bevond zich een brede middengeleider, waardoor de weg ter plaatse smal was. Niet uit te sluiten valt dat de verdachte door de inrichting van de weg op het verkeerde been is gezet en dacht dat het mogelijk zou zijn het slachtoffer op die plek in te halen, nu het slachtoffer op de fietsstrook reed en de rijbaan dus vrij was.

Vorenbedoeld gevaarzettend gedrag van de wegbeheerder neemt evenwel niet weg dat de verdachte als bestuurder van een lang en breed voertuig had kunnen en moeten zien dat inhalen juist op die plek gevaar met zich zou kunnen brengen. Als ervaren buschauffeur moet zij immers geacht worden ook zelfstandig een inschatting van de breedte van haar voertuig ten opzichte van de op de weg beschikbare ruimte te kunnen maken. Door op bovengenoemde locatie toch in te halen heeft de verdachte, rijdend als professioneel bestuurder, een gevaar op de weg veroorzaakt. De verdachte heeft zich daarmee naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan gevaarzetting, welk gevaar zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt nu haar handelen heeft geresulteerd in een verkeersongeval.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat (subsidiair):

zij op 16 april 2018 te Gouda, als bestuurder van een voertuig (lijnbus), daarmee rijdende op de weg, de Thorbeckelaan, door ter hoogte van een middenberm/middengeleider twee op de naast de rijstrook gelegen fietsstrook rijdende fietsers in te halen en daarbij tegen het stuur van een fietser, te weten [slachtoffer] , is aangereden, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en werd gedood, gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het haar primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 15 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de strafmaat heeft de raadsman verzocht om een geldboete opleggen. De verdachte gaat gebukt onder het ongeval en krijgt hiervoor professionele hulp. Daarnaast is de verdachte onlangs weduwe geworden en zal zij enorm worden getroffen in haar belangen indien een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zal worden opgelegd, omdat zij kostwinner is en bij een ontzegging haar werk niet meer zal kunnen uitoefenen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Door de verkeersovertreding van de verdachte is een meisje op 14-jarige leeftijd op tragische wijze om het leven gekomen. Het deelnemen aan het verkeer als chauffeur van een bus brengt de verplichting met zich om meer dan normale aandacht aan de dag te leggen voor minder goed beschermde verkeersdeelnemers. De verdachte is in dit opzicht tekortgeschoten, en daarvan is zo een zwakkere deelnemer – in dit geval [slachtoffer] die net van school vrij was en naar huis fietste – het slachtoffer geworden.

De familie van het slachtoffer is onherstelbaar leed en verdriet aangedaan. Uit de ter terechtzitting voorgelezen verklaring blijkt dat zij nog elke dag gebukt gaan onder het verlies van hun dochter en zus en dat dit grote gevolgen heeft voor de verdere invulling van hun leven.

Ter zitting is de rechtbank ook gebleken dat de verdachte zeer gebukt gaat onder het ongeval en de dood van het slachtoffer. De fatale inschattingsfout waarvan sprake is geweest, is iets waar de verdachte nog dagelijks aan terugdenkt en zal zij de rest van haar leven met zich dragen. De verdachte heeft haar medeleven en spijt ook aan de nabestaanden betuigd. Daarnaast is de echtgenoot van de verdachte ruim een maand geleden overleden. Ook deze gebeurtenis heeft een behoorlijke impact op het leven van de verdachte.

Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 14 december 2018 betreffende de verdachte volgt dat zij niet eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie. De verdachte was ten tijde van het ongeval ongeveer 29 jaar werkzaam als buschauffeur en, voor zover de rechtbank bekend, niet eerder betrokken geweest bij een verkeersongeval. Dat getuigt van een – in het algemeen – correcte rijstijl. In dat licht moet de bewezenverklaarde gedraging worden beschouwd als een incident in de loopbaan van de verdachte.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich in voldoende mate bewust is van de ernst van het feit. Het is daarom niet nodig of nuttig de verdachte een waarschuwing te geven teneinde haar te stimuleren zich niet opnieuw schuldig te maken aan enig strafbaar feit. Omdat de verdachte haar rijbewijs nodig heeft bij de uitoefening van haar beroep, beperkt de rechtbank de op te leggen straf tot een onvoorwaardelijke geldboete.

De rechtbank komt tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft gevorderd, omdat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van het verkeersmisdrijf van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. De rechtbank acht de overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet bewezen.

De rechtbank realiseert zich terdege dat geen enkele op te leggen straf in verhouding staat tot het leed van de nabestaanden en het feit dat zij hun dochter en zus nu moeten missen.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht;

- 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een geldboete van € 500,- (zegge vijfhonderd euro);

bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen

door hechtenis voor de tijd van 10 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, voorzitter,

mr. M.E. Groeneveld-Stubbe, rechter,

mr. M.M.F. Holtrop, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. V.A. Paul, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018099034, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn / Gouda, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 119).

2 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 100-102.

3 Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 15 januari 2019.

4 Verkort proces-verbaal van VOA, blz. 49-55.