Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6015

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-05-2019
Datum publicatie
18-07-2019
Zaaknummer
NL19.7478
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vw, asiel, gestelde identiteit en nationaliteit ongeloofwaardig geacht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.7478


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2019 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J. Eliya),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Kristel).


Procesverloop
Bij besluit van 31 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) afgewezen. Verweerder heeft daarbij aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2019.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Ringelé. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt [A], geboren op [geboortedatum] 1998, te zijn en de Syrische nationaliteit te hebben.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Vw als kennelijk ongegrond afgewezen. Als relevant element wordt door verweerder onderscheiden:

- identiteit, nationaliteit en herkomst.

Verweerder heeft dit relevante element ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat eiser het onderzoek heeft gefrustreerd door niet mee te willen werken aan het eerste gehoor. Een inhoudelijke beoordeling of sprake is van een situatie van vervolging in vluchtelingrechtelijke zin, dan wel of eiser bij uitzetting een reëel risico loopt als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), kon daardoor niet plaatsvinden. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw.

3. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte niet heeft geïnformeerd naar zijn persoonlijke situatie. Voorts betoogt eiser dat hij de omstandigheden voldoende heeft uitgelegd en daarbij heeft verklaard dat hij een dubbelganger heeft, [B]. De reactie van verweerder dat zijn verklaringen hierover weinig plausibel zijn, is onvoldoende gemotiveerd. Veel essentiële punten uit de verklaringen van eiser kon verweerder moeiteloos natrekken. Verweerder heeft dit ten onrechte nagelaten.

Voorts betoogt eiser dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aan zijn eerste gehoor heeft willen meewerken. Het was namelijk niet een kwestie van niet willen, maar van niet kunnen. Hij was daar medisch niet toe in staat. Het FMMU-advies van 21 maart 2019 is onzorgvuldig tot stand gekomen, nu hij pas op 26 maart 2019 voor het eerst een arts heeft gezien die hem een inhaler en pomp voor zijn astma heeft verstrekt. De medische situatie van eiser is door verweerder onvoldoende betrokken bij het bestreden besluit. Volgens eiser heeft verweerder eiser ten onrechte niet na 26 maart 2019 alsnog de gelegenheid gegeven zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken. Verweerder heeft de van derden en geverifieerde informatie niet met eiser besproken en ook niet in samenhang met het relaas van eiser beoordeeld.

Verweerder heeft voorts de aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond afgewezen, aldus eiser. Daartoe voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat hij te kwader trouw heeft gehandeld door zich te ontdoen van zijn

identiteitsdocumenten. Hij heeft uitgebreid verklaard hoe de misverstanden zijn ontstaan.


Verder betoogt eiser dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft gesteld dat eiser asiel voor onbepaalde tijd zou hebben aangevraagd. Voorts zijn er geen originele documenten voorhanden om uit te kunnen gaan van een andere nationaliteit, zodat daarom van de Syrische nationaliteit moet worden uitgegaan. Bij terugkeer naar Syrië loopt eiser risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Ook had verweerder gelet op hetgeen naar voren is gebracht aanleiding moeten zien om eiser in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning op humanitaire gronden, aldus eiser.

Eiser betoogt verder dat verweerder hem ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Eiser is op 16 maart 2019 Nederland ingereisd en heeft op die dag asiel aangevraagd. In de processen-verbaal van bevindingen van diezelfde dag van de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMAR) staat dat eiser heeft verklaard dat hij niet weet waarvandaan hij is vertrokken, dat hij vermoedt vanuit het Midden-Oosten en dat hij meerdere transfers heeft gemaakt. Hij was niet in het bezit van een paspoort, danwel andere bescheiden waaruit de identiteit en nationaliteit van eiser kan worden afgeleid. Eiser was wel in het bezit van twee bankpasjes van twee in Canada gevestigde banken, op naam van [B]. Op basis hiervan heeft verweerder nader onderzoek gedaan. Uit computergegevens dan wel afschriften van de luchtvaartmaatschappij Jet Airways is gebleken dat eiser op naam van [B] vanuit Toronto Lester [C] naar Amsterdam is gevlogen, hetgeen door camerabeelden aan de desbetreffende gate is bevestigd. Volgens de liaison officer van Canada, aan wie een foto van eiser is verstrekt, zijn eiser en [B] dezelfde persoon, is [B] geboren in [PLAATS], India en heeft hij samen met zijn ouders en twee gezinsleden sinds 2011 een permanente verblijfsvergunning in Canada. Bovendien komt de handtekening die eiser op het M35-H formulier heeft gezet overeen met de handtekening van [B] op de bankpasjes.

Gelet op voorgaande heeft verweerder de verklaringen van eiser dat hij en [B] erg veel op elkaar lijken, samen op het vliegveld van Toronto zaten te wachten en dat eiser in de haast per ongeluk de portemonnee en het paspoort van [B] heeft meegenomen weinig plausibel mogen achten. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder dit nader had moeten motiveren. Eiser heeft zijn verhaal op geen enkele wijze onderbouwd. Hij stelt dat [B] een goede vriend van hem is, maar heeft geen verklaring van [B] overgelegd of met bijvoorbeeld foto’s aangetoond dat zij veel op elkaar lijken. De enkele stelling dat eiser dit niet heeft gedaan, omdat hij bang zou zijn geweest dat zijn vriend beschuldigd zou worden van mensensmokkel is daartoe onvoldoende. Ook heeft eiser bijvoorbeeld niet verklaard hoe zij elkaar hebben leren kennen, nu [B] oorspronkelijk uit India komt en voor vertrek naar Canada in de Verenigde Arabische Emiraten heeft gewoond, en eiser stelt uit Syrië te komen. Voor zover eiser ter zitting heeft verklaard dat hij voor de zekerheid veel op de handtekening van [B] had geoefend, wordt overwogen dat niet valt in te zien dat hij de handtekening van [B] zou plaatsen op een formulier waarbij hij op zijn gestelde eigen naam asiel aanvraagt.

Nu eiser niet met een begin van bewijs is gekomen, bestond reeds daarom geen aanleiding voor verweerder navraag te doen bij WestJet Airlines of [B] daadwerkelijk bij zijn gate voor zijn eigen vlucht stond. De rechtbank ziet gelet hierop evenmin aanleiding het onderzoek te heropenen om eiser de gelegenheid te geven alsnog een verklaring van [B] over te leggen en daarbij, zoals eiser heeft verzocht, bij voorbaat de garantie te geven dat [B] niet zal worden vervolgd voor mensensmokkel.

Gelet op voorgaande heeft verweerder de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig mogen achten.

4.2

Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser tegenover de KMAR heeft verklaard gezond te zijn en geen medicijnen nodig te hebben. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat in het FMMU-Advies staat vermeld dat de astma van eiser niet een beperking oplevert bij het ‘Horen en Beslissen’. Het betoog van eiser dat verweerder ten onrechte zelf die conclusie heeft getrokken wordt derhalve niet gevolgd. Eiser heeft niet betoogd in hoeverre de gang van zaken bij de totstandkoming van het medisch advies in strijd is met het Protocol medisch advies horen en beslissen. Voorts is het advies naar het oordeel van de rechtbank, hoewel summier, inzichtelijk en concludent, zodat verweerder van de inhoud daarvan heeft mogen uitgaan.

Het betoog van eiser dat hij, zonder medicatie, niet in staat was te worden gehoord, wordt evenmin gevolgd. In het rapport Niet verschijnen voor gehoor van 23 maart 2019 staat dat eiser verscheidene redenen heeft genoemd waarom hij het gehoor die dag niet wilde doen. Eén van die redenen is dat de medische dienst niet bij hem langs zou zijn geweest voor een astmapomp en hij recht heeft op basiszorg. Hieruit blijkt echter niet dat het voor eiser vanwege medische gronden niet mogelijk was aan het gehoor mee te werken. Uit de klantcontactnotitie van 23 maart 2019 van 11.50 uur blijkt dat de toenmalige gemachtigde van eiser niet verrast was over de omstandigheid dat eiser niet wenst mee te werken. Ook hieruit blijkt niet dat eiser niet in staat zou zijn geweest mee te werken aan het gehoor. Uit het rapport Niet verschijnen voor gehoor van 26 maart 2019 blijkt evenmin dat eiser zou hebben verklaard dat hij zonder medicatie niet kan worden gehoord. De rechtbank ziet geen aanleiding aan de inhoud van de rapporten en klantcontactnotities te twijfelen.

Gelet op voorgaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om eiser, nadat hij de door hem gevraagde medicatie had verkregen, opnieuw de gelegenheid te bieden te worden gehoord. De omstandigheid dat verweerder informatie van derden niet eerst bij eiser heeft geverifieerd komt voor zijn eigen rekening en risico, nu eiser tot twee keer toe heeft geweigerd te worden gehoord.

4.3

Gelet op voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser zijn gehoor heeft gefrustreerd, waardoor zijn reisroute, identiteit en nationaliteit niet konden worden vastgesteld. Verweerder heeft, gelet op de bevindingen, zich daarbij op het standpunt mogen stellen dat eiser verweerder heeft misleid omtrent zijn identiteit en nationaliteit. Verweerder heeft de aanvraag dan ook als kennelijk ongegrond, als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, mogen afwijzen.

4.4

Nu verweerder gegronde redenen heeft om aan te nemen dat eiser niet de Syrische nationaliteit heeft, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM zou lopen. Ook bestond er voor verweerder geen aanleiding eiser een verblijfsvergunning op grond van humanitaire redenen te verstrekken.

4.5

Gelet op voorgaande heeft verweerder de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen. Aangezien verweerder de aanvraag als kennelijk ongegrond heeft mogen afwijzen, heeft verweerder op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw kunnen bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Dit betekent dat verweerder ook een inreisverbod op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw tegen eiser heeft kunnen uitvaardigen.

In het voornemen is opgenomen dat eiser individuele omstandigheden naar voren kan brengen tegen het voornemen aan hem een inreisverbod op te leggen. Eiser heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. De enkele stelling van eiser dat hij door het inreisverbod niet meer in staat zou zijn om een herhaalde asielaanvraag in te dienen, is onvoldoende om van het inreisverbod af te zien.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2019.

griffier rechter

De uitspraak is bekendgemaakt aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.