Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6004

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-06-2019
Datum publicatie
05-07-2019
Zaaknummer
7578054 RP VERZ 19-50137
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De Ondernemingsraad verzoekt de kantonrechter te bepalen dat de ondernemer gehouden is besluiten die betrekking hebben op Rijnstraat 8 te Den Haag, ter advies en/of instemming aan de OR voor te leggen. Procesbelang en ontvankelijkheid OR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2019/188
AR-Updates.nl 2019-0718
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team kanton Den Haag

CB

Zaaknr.: 7578054 RP VERZ 19-50137

11 juni 2019

Beschikking op verzoekschrift ex artikel 36 WOR in de zaak van:

De Ondernemingsraad Kerndepartement Ministerie Infrastructuur en Waterstaat,
gevestigd te Den Haag,

hierna te noemen: de OR

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. J. de Waard (Sprengers Advocaten)


tegen

De Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW),

gevestigd te Den Haag,

hierna te noemen: de Staat,
verwerende partij,

gemachtigden: mevr. mr. F.W. van Herk en mr. W.B. van Lingen (Pels Rijcken)

1 De procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

  • -

    het verzoekschrift, ingekomen bij de griffie op 6 maart 2019, met acht producties (nrs. 1 tot en met 8);

  • -

    het verweerschrift met zes producties (Bijlagen 1 tot en met 6);

  • -

    de brief van de gemachtigde van de Staat van 10 mei 2019 met een volledige Bijlage 1;

  • -

    de brief van de gemachtigde van de Staat van 10 mei 2019 met een aanvullende productie (Bijlage 7).

1.2

Op 14 mei 2019 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn namens de OR de heren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] alsmede de gemachtigde van de OR verschenen en namens de Staat mevr. [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en de gemachtigden van de Staat. De gemachtigde van de OR heeft pleitaantekeningen overgelegd en de gemachtigde van de Staat een pleitnota. Van het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling heeft de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt.

1.3

Uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

Aan de Rijnstraat 8 te Den Haag bevindt zich het Rijkskantoorpand Rijnstraat 8 (hierna te noemen: Rijnstraat 8). Rijnstraat 8 is in mei 2017 in gebruik genomen. Op dit moment zijn ongeveer 6.000 medewerkers van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: IenW) en drie diensten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (IND, Dienst Terugkeer en Vertrek en het COA) in Rijnstraat 8 gehuisvest.

2.2

Binnen IenW waren op 1 oktober 2018 in totaal 12.191 medewerkers werkzaam, waarvan 2.192 in Rijnstraat 8. Alle medewerkers van het Kerndepartement IenW (hierna: KDP), 1.267 fte, zijn tewerkgesteld in Rijnstraat 8. De overige medewerkers van IenW, die in Rijnstraat 8 zijn tewerkgesteld, zijn medewerkers van drie andere bedrijfsonderdelen van IenW, namelijk de RWS-staf, ILenT en IBI.

2.3

Voor het gehele departement IenW is een Departementale Ondernemingsraad (hierna: de DOR) ingesteld. Binnen IenW zijn 20 ondernemingsraden actief. Een van de 20 ondernemingsraden is de OR.

2.4

De OR is ingesteld voor het geheel van organisatieonderdelen die deel uitmaken van het KDP.

2.5

De bedrijfsonderdelen RWS-staf, ILenT en IBI, die ook in Rijnstraat 8 zijn gehuisvest, hebben een eigen ondernemingsraad.

2.6

De OR heeft met 3 van in totaal 14 zetels 13,5% van het stemrecht in de DOR.

2.7

In de aanloop naar de ingebruikname van Rijnstraat 8 is een Tijdelijke Ondernemingsraad Rijnstraat 8 (hierna; TOR) opgericht, waarin alle (toekomstige) bewoners waren vertegenwoordigd. Bij de ingebruikname van Rijnstraat 8 is de TOR opgeheven.

2.8

Ten aanzien van medezeggenschapsaangelegenheden met betrekking tot Rijnstraat 8 functioneert een ‘medezeggenschapsdelegatie Rijnstraat 8’, die is samengesteld uit leden van vier ondernemingsraden, waaronder de OR, van bedrijfsonderdelen van IenW, die zijn gehuisvest in Rijnstraat 8. De medezeggenschapsdelegatie komt maandelijks bijeen. Tot voor kort was de voorzitter van de medezeggenschapsdelegatie een lid van de OR. De medezeggenschapsdelegatie heeft geen formele medezeggenschapsbevoegdheden.

3 Het verzoek, de onderbouwing daarvan en het verweer

3.1

De OR verzoekt de kantonrechter om te bepalen dat de ondernemer gehouden is om besluiten die onder het advies- en instemmingsrecht vallen op grond van art 25 en/of 27 WOR en die betrekking hebben op Rijnstraat 8, ter advies en/of instemming aan de OR (mede) voor te leggen.

3.2

De OR onderbouwt zijn verzoek met de stelling dat de OR het grootste deel van de medewerkers van IenW, die in Rijnstraat 8 gehuisvest zijn, waardoor de OR voor huisvestingsaangelegenheden betreffende Rijnstaat 8 in alle gevallen mede de adviesrechten die uit de artikelen 25 en 27 WOR voortvloeien teokomen.

3.3

De Staat voert verweer tegen de stellingen van de Ondernemingsraad. Voor zover van belang voor de beslissing zal het verweer van de Staat hieronder besproken worden.

4 De beoordeling

De ontvankelijkheid van de OR

4.1

De Staat stelt zich primair op het standpunt dat de OR niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat in een procedure op grond van artikel 36 lid 2 WOR geen verklaring voor recht kan worden gevraagd en omdat de OR onvoldoende procesbelang heeft.

4.2

Voor wat betreft de vraag of in een verzoekschriftprocedure op grond van artikel 36 WOR geen verklaring voor recht kan worden gegeven sluit de kantonrechter zich aan bij de ontwikkeling dat meer en meer wordt geaccepteerd dat ook in verzoekschriftprocedures een verklaring voor recht kan worden gegeven, mits deze blijft binnen de grenzen van de betreffende bepaling. Artikel 36 WOR richt zich op de naleving door de ondernemer of ondernemingsraad van de bepalingen van de WOR. In het voorliggende verzoek gaat het om de vraag of de OR advies- en instemmingsrechten heeft op grond van de artikel 25 en 27 WOR voor zaken die Rijnstraat 8 betreffen. Naar het oordeel van de kantonrechter blijft het verzoek van de OR daarmee binnen de grenzen van deze twee artikelen en kan daarmee ook een verklaring voor recht gevraagd worden, die in voorkomend geval ook gegeven kan worden.

4.2

Ook volgt de kantonrechter de Staat niet in de stelling dat de OR geen of onvoldoende procesbelang heeft. De Staat heeft daartoe samengevat aangevoerd dat er geen beleidsvrijheid is met betrekking tot de huisvesting van rijksdiensten, omdat het rijkshuisvestingsstelsel het primaat is van de politiek en voorts vastligt in (bijvoorbeeld) het Vaststellingsbesluit Rijkshuisvestingsstelsel en in op basis daarvan opgestelde masterplannen, waardoor voor medezeggenschap geen plaats meer is. Rijnstraat 8 valt onder het masterplan kantoorhuisvesting Den Haag.

4.3

Zoals de Staat ook in punt 3.24 van het verweerschrift stelt bestaat ten aanzien van besluiten ten aanzien van Rijnstraat 8 alleen nog medezeggenschap voor zover het gaat om uit het politieke primaat voortvloeiende gevolgen voor de werkzaamheden van het personeel. Daarmee geeft de Staat in feite ook aan dat er nog steeds ruimte is voor medezeggenschap ten aanzien van Rijnstraat 8 en dat is ook het oordeel van de kantonrechter. Dat wellicht de huisvesting van het KDP voortvloeit uit een politiek besluit, sluit niet uit dat in de uitvoering of nadere invulling van dat besluit besluiten (moeten) worden genomen die volgens de artikelen 25 en 27 WOR aan een ondernemingsraad moeten worden voorgelegd. Dat dat ook reeds aan de orde is geweest bevestigt de Staat in de punten 3.33 en 3.34 van het verweerschrift, waarin de Staat erkent dat er sinds de zomer van 2017 (weliswaar ´slechts´, maar toch) drie besluiten aan de medezeggenschap, in alle gevallen aan de DOR, zijn voorgelegd. In deze procedure gaat het om mogelijke toekomstige besluiten betreffende Rijnstraat 8, waarvan de OR van mening is dat hem in plaats van de DOR de medezeggenschaprechten zouden moeten toekomen.

4.4

Anders dan de Staat stelt is de kantonrechter van oordeel dat de OR voldoende procesbelang heeft bij het voorliggende verzoek. Het gaat er immers in deze procedure om op welke laag in de getrapte medezeggenschapsstructuur binnen IenW de medezeggenschapsrechten aangaande Rijnstraat 8 zouden moeten worden belegd.

4.5

De tussenconclusie is dus dat de OR ontvankelijk is in het verzoek.

Inhoudelijke beoordeling van het verzoek

4.6

Met het voorgaande komt de kantonrechter thans toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de OR. Primair stelt de OR daarbij dat de WOR de bevoegdheden van een ondernemingsraad koppelt aan een (voorgenomen) besluit en niet aan de bevoegdheden van de betreffende bestuurder en subsidiair dat het zo kan zijn dat in de situatie van Rijnstraat 8 de OR naast de DOR bevoegd is. De kantonrechter zal de beide stellingen van de OR tegelijkertijd behandelen, vanwege het feit dat zij, zoals zal blijken, met elkaar verweven zijn.

4.7

Op zich volgt de kantonrechter de OR in de stelling dat de bevoegdheden van een ondernemingsraad voortvloeien uit een bepaald (voorgenomen) besluit, onafhankelijk van de vraag wie bevoegd is het betreffende besluit te nemen. Dat geldt evenzozeer in private concernverhoudingen, waar het ook niet altijd de formele bestuurder van de ´onderneming´ is die een besluit neemt1, als ook in publieke verhoudingen, zoals in dit geval, waarbij het kennelijk zo is dat de zeggenschap over de huisvesting van IenW bij de secretaris-generaal van het departement ligt.

4.8

Over het feit dat er in voorkomend geval een ondernemingsraad medezeggenschaprechten toekomt voor aangelegenheden die Rijnstraat 8 betreffen verschillen partijen in feite niet van mening. Het gaat er in deze procedure niet om of in voorkomend geval een voorgenomen besluit ter advies of instemming op een van de medezeggenschapslagen binnen IenW moet worden voorgelegd. Het gaat er in deze procedure om op welk niveau dat moet gebeuren, waarbij de OR stelt dat wat betreft Rijnstaat 8 dat altijd (ook) de OR zou moeten zijn.

4.9

Uitganspunt bij de beoordeling van op welke laag binnen de medezeggenschap een bepaald voorgenomen besluit moet worden voorgelegd is artikel 35 lid 1 WOR dat ten aanzien van centrale – en groepsondernemingsraden stelt dat in die raden uitsluitend aangelegenheden worden behandeld die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle of voor de meerderheid van de ondernemingen waarvoor zij zijn ingesteld. Voor de toepassing van artikel 35 WOR is de DOR met een groepsondernemingsraad gelijk te stellen.

4.10

Binnen bepaalde grenzen is het mogelijk dat betrokkenen afwijkend afspraken maken ten aanzien van op welk niveau de medezeggenschap binnen een onderneming of groep daarvan wordt belegd of dat zij aan de bepaling van artikel 35 WOR een nadere invulling geven. Ten aanzien van het overleg in de DOR is dat ook gebeurd via het ´Reglement voor het overleg tussen de Secretaris-generaal (SG) en de Departmentale Ondernemingsraad (DOR) van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW)´ (productie 2 bij verzoekschrift).

4.11

In artikel 1 van dat Reglement is bepaald dat Met de DOR wordt binnen de kaders van de geldende wet- en regelgeving overleg gevoerd over het voor IenW relevante, algemene, beleid, regelgeving of uitvoering, dat de meerderheid van de ondernemingsraden aangaat. In feite is deze bepaling gelijkluidend aan artikel 35 WOR, maar opvallend is dat de reikwijdte van het Reglement gelet op de aanhef beperkt is tot de artikelen 23, 23a, 23b en 24 WOR. Dat zijn de artikelen die gaan over hoe het overleg in de ondernemingsraad moet worden vorm gegeven. Uit de aanhef vloeit voort dat het Reglement niet van toepassing is op de artikelen 25 en 27 WOR, de artikelen die het advies- en instemmingsrecht invulling geven. Voor de beoordeling van het voorliggende verzoek kan het Reglement daarom buiten beschouwing blijven. Niettemin blijft artikel 35 WOR van toepassing, omdat dat artikel juist ook (onder andere) de artikelen 25 en 27 WOR noemt, zodat artikel 35 WOR de maatstaf is aan de hand waarvan bepaald wordt of de advies- en instemmingsrechten aan een onderliggende ondernemingsraad dan wel aan de DOR toekomen.

4.12

Met het voorgaande wordt de kern van het voorliggende verzoek bereikt. De OR stelt namelijk dat wat betreft Rijnstraat 8 alleen de OR medezeggenschaprechten kan toekomen. Tegelijkertijd stelt de OR in het verzoekschrift dat bij huisvestingsvraagstukken betreffende Rijnstraat 8 het om aangelegenheden gaat die slechts vier van de ondernemingen binnen IenW betreft en dat daarom de conclusie moet zijn dat over aangelegenheden betreffende Rijnstraat 8 de bevoegheden niet van rechtswege overgaan naar de DOR. Die conclusie is in die zin juist, waar het gaat om (huisvestings)aangelegenheden, die uitsluitend Rijnstraat 8 betreffen. Echter valt niet uit te sluiten dat bepaalde huisvestingsaangelegenheden meerdere vestigingen van IenW betreffen, in welk geval de toets van artikel 35 WOR anders kan uitpakken. Dat hangt geheel van de aard van het voorgenomen besluit af.

4.13

De conclusie dat de bevoegdheden met betrekking tot aangelegenheden betreffende Rijnstraat 8 niet van rechtswege overgaan op de DOR betekent echter niet dat die bevoegdheden dan vanzelf toekomen aan de OR. Zoals uit de rechtsoverwegingen 2.2 en 2.5 voorvloeit zijn van de 20 bedrijfsonderdelen van IenW vier bedrijfsonderdelen in Rijnstraat 8 gehuisvest en alle vier hebben een eigen ondernemingsraad, zij het dat de ondernemingsraad van RWS-staf nog onderdeel uitmaakt van de groepsondernemingsraad RWS. Voor de beoordeling van het voorliggende verzoek is dat echter niet relevant.

4.14

Hetgeen de OR in feite stelt is dat alle voorgenomen besluiten betreffende Rijnstraat 8 uitsluitend aan de OR moeten worden voorgelegd, omdat 62%, dus de meerderheid, van de medewerkers van IenW in Rijnstraat 8 werkzaam zijn bij KDP. Voor zover het het standpunt van de OR is dat hij uitsluitend (dus met uitsluiting van de ondernemingsraden RWS-staf, IlenT en IBI) bevoegd is in aangelegenheden betreffende Rijnstraat 8 kan dat standpunt geen stand houden. Uit artikel 35 WOR vloeit namelijk niet voort dat als de medezeggenschapsbevoegdheden niet overgaan naar een hoger niveau, binnen het lagere niveau de bevoegdheden slechts aan een van de betrokken ondernemingsraden (bijvoorbeeld de ondernemingsraad van de onderneming met de meeste medewerkers) toekomt. In het geval van een voorgenomen besluit dat gevolgen kan hebben voor de medewerkers van meerdere ondernemingen dan zal aan elk van de betrokken onderneminsgraden het besluit moeten voor worden voorgelegd. Het stelsel van de WOR voorziet niet in een situatie dat binnen een bepaalde laag van de medezeggenschap de ene ondernemingsraad mede een andere vertegenwoordigt of dat de minderheid moet wijken voor de meerderheid.

4.15

Of de OR met betrekking tot een voorgenomen besluit betreffende Rijnstraat 8 bevoegd is zal volledig afhangen van het antwoord op de vraag of het besluit van gemeenschappelijk belang is voor de meerderheid van de betrokken ondernemingen binnen IenW. Is het antwoord op die vraag bevestigend, dan zal de DOR bevoegd zijn. Is het antwoord op die vraag ontkennend, dan zal elk van de ondernemingsraden van de ondernemingen, voor de medewerkers waarvan het besluit gevolgen kan hebben bevoegd zijn. In de context van huisvestigingsaangelegenheden voor Rijnstraat 8 ligt het voor de hand dat de OR dan bevoegd is, maar tegelijkertijd ligt voor de hand dat dan tevens de drie andere betrokken ondernemingsraden (van RWS-staf, IlenT en IBI) bevoegd zijn. Alleen voor besluiten, waardoor alleen de medewerkers van KDP geraakt worden zal de OR uitsluitend bevoegd zijn.

4.16

In deze procedure gaat het in abstracto over toekomstige voorgenomen besluiten. Uit het voorgaande vloeit voort dat niet op voorhand valt aan te geven welke medewerkers door een voorgenomen besluit geraakt kunnen worden. Dat kunnen uitsluitend de medewerkers van KDP zijn, maar meer voor de hand zal liggen dat dat tevens de medewerkers van RWS-staf, IlenT en IBI zullen zijn of zelfs nog meer medewerkers binnen IenW. Ook is voor te stellen dat bepaalde voorgenomen besluiten alleen betrekking hebben op medewerkers van RWS-staf, IlenT of IBI, in welke gevallen de OR juist geen bevoegheden zal toekomen. Op grond daarvan is het verzoek, zoals dat door de OR geformuleerd is, niet toewijsbaar.

4.17

Voor zover de OR nog betoogd heeft dat hij naast de DOR bevoegd zou kunnen zijn, staat aan dat standpunt artikel 35 lid 2 WOR in de weg. Dat artikellid bepaalt namelijk dat een bepaald besluit slechts op één niveau binnen de medezeggenschap besproken moet worden, onverlet mogelijke uitvoeringsbesluiten, die niet van gemeenschappelijk belang zijn, maar dat zijn strikt genomen andere besluiten.

4.18

De slotsom van al het voorgaande is dat het verzoek van de OR zal worden afgewezen.

Kostenveroordeling

4.19

Voor een veroordeling van de OR in de proceskosten is geen plaats, gelet op artikel 22a WOR.

5 De beslissing

De kantonrechter:

- wijst het verzoek van de OR af.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Bijvoorbeeld: in het geval van een rechtspersoon met meerdere vestigingen, is waarschijnlijk een filiaalhouder, tevens bestuurder in de zin van de lokale ondernemingsraad, niet de persoon, die besluit over (bijvoorbeeld) de sluiting van dat filiaal.