Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:6001

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-05-2019
Datum publicatie
13-06-2019
Zaaknummer
AWB 18/9785
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faciliterend visum van zoon voor verblijf bij vader; Ghanese geboorteakte; familielid in de zin van Richtlijn 2004/38 dan wel nationaal recht; doel faciliterend visum.

Verweerder dient nader onderzoek te laten verrichten bij de Ghanese autoriteiten indien hij twijfelt aan de juistheid van de overgelegde en echt bevonden documenten.

Verder stelt de rechtbank vast dat artikelen 2, tweede lid, onder b, en artikel 3, tweede lid, onder b van Richtlijn 2004/38 met ingang van 29 april 2006 zijn omgezet in nationaal recht, en dat deze bepalingen nu zijn opgenomen in artikelen 8.7 tot en met 8.25 van het Vb. Uit artikel 8.7, vierde lid, Vb volgt dat artikelen 8.7 tot en met 8.25 van het Vb van toepassing zijn op een niet als zodanig geregistreerde, ongehuwde partner van een Unieburger, die niet de nationaliteit van een andere lidstaat heeft, zo blijkt uit vaste jurisprudentie. Dit betekent dat de grondslag om binnenkomst en verblijf van bedoelde ongehuwde partner toe te staan is gelegen in het nationale recht. De rechtbank is op grond van deze vaste jurisprudentie van oordeel dat in onderhavige zaak het nationale recht van toepassing is. Verweerder heeft niet inhoudelijk nationaal getoetst. Verweerder dient te motiveren waarom eiser niet aan de vereisten zoals bepaald in artikel 8.7 Vb voldoet. Daarbij dient verweerder in aanmerking te nemen dat niet in geschil is dat referent in het bezit is van een verblijfsdocument op grond van artikel 9 Vw, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat eerder al is bepaald dat sprake is van een relatie tussen referent en de Unieburger.

De termijn van 90 dagen is geen voorwaarde om in het bezit te komen van een faciliterend visum, een dergelijk visum is bedoeld om langdurig verblijf bij een Unieburger te verkrijgen.

Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/9785

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 24 mei 2019 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Ghanese nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. J. van der Wielen, advocaat te Amsterdam),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een faciliterend visum voor verblijf bij [referent] (referent) afgewezen.

Bij besluit van 30 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 11 maart 2019 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2019. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Referent is verschenen, bijgestaan door een tolk, mevrouw L. Visser. Verweerder is, met voorafgaand bericht van afwezigheid, niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

  1. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat niet is aangetoond dat hij de biologische zoon is van referent. Voorts is referent niet aan te merken als partner dan wel echtgenoot van een Unieburger, omdat hij geen geregistreerd partnerschap dan wel huwelijk heeft met deze Unieburger.

  2. Eiser voert aan dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft overwogen dat twijfel bestaat aan de familierelatie tussen hem en referent omdat sprake is van een tardieve geboorteregistratie. Tardieve geboorteregistratie is in Ghana toegestaan en dit wordt ook bevestigd door verweerder. Verweerder dient van de inhoud van de overgelegde authentieke geboorteakte en het authentieke paspoort uit te gaan. Zelfs indien een concreet aanknopingspunt zou bestaan voor twijfel hierover, ligt het op de weg van verweerder om nader onderzoek in te stellen. Eiser verwijst hiertoe naar rechtsoverweging 4.2 van een tweetal uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 11 mei 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:1766), en van 22 mei 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:4372). Voor zover verweerder overweegt dat aan de inhoud van de overgelegde geboorteakte moet worden getwijfeld, omdat volgens verweerder de mogelijkheid bestaat dat een geboorte meerdere keren wordt geregistreerd en een dubbele/latere registratie niet als rechtsgeldig wordt gezien, wijst eiser erop dat van een dergelijke registratie in dit geval niet is gebleken. Ook indien dit wel het geval zou zijn, heeft verweerder niet onderbouwd waarom aan een dubbele/latere registratie geen waarde zou toekomen (ECLI:NL:RBAMS:2018:4521). Verweerder had bij twijfel onderzoek moeten doen. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd. Eiser voert verder nog in de aanvullende gronden aan dat [naam 1] de roepnaam van eiser is voor referent en heeft dit standpunt ter zitting nader toegelicht.

3.1

Verweerder stelt zich - samengevat - op het standpunt dat niet onomstotelijk met objectief verifieerbare bewijsstukken is aangetoond dat referent de biologische vader van referent is. Vanwege de mogelijkheid om tardief aangifte te doen van geboortes en het gebrekkige controlesysteem in Ghana, is het in de praktijk mogelijk dat meerdere malen aangifte kan worden gedaan en een geboorte meerdere malen wordt geregistreerd. Geboorte- en overlijdensregistratie in Ghana geschiedt namelijk grotendeels niet geautomatiseerd maar wordt in papieren registers vastgelegd. Hierdoor kan de registrerende instantie niet controleren of personen zich meerdere keren, onder dezelfde of verschillende identiteiten hebben laten registreren. Hierbij wordt nog opgemerkt dat alleen de eerste aangifte rechtsgeldig is; latere registraties worden niet als rechtsgeldig aangemerkt. In het onderhavige geval is daarom reeds sprake van concrete twijfel over de inhoudelijke juistheid van de geboorteregistratie en hierdoor aan de gestelde familierelatie tussen de vreemdeling en de referent. Dat de geboorteakte is gelegaliseerd doet niet af aan het vorenstaande. Legalisatie betreft namelijk geen inhoudelijke toets van een document, maar slechts een controle of deze door de bevoegde autoriteiten is afgegeven. In het verweerschrift vult verweerder hierop aan dat het beroep van eiser op de uitspraken van de rechtbank hierover niet kunnen slagen, nu in beide zaken andere specifieke omstandigheden spelen dan in de onderhavige zaak. Verweerder merkt hierbij op dat de concrete twijfel omtrent de gestelde familiaire relatie tussen eiser en referent niet slechts is gebaseerd op gegevens uit de geboorteakte. Referent heeft in zijn gehoor van 21 november 2015 namelijk verklaard drie kinderen te hebben: [naam 2] , [naam 1] en [naam 3] . De naam van eiser komt hier niet in voor.

3.2

De rechtbank oordeelt als volgt.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling, ECLI:NL:RVS:2014:3087) volgt dat een brondocument, zoals een geboorteakte, wordt aangemerkt als een authentiek document als het is afgegeven door de bevoegde instanties. Niet in geschil is dat de geboorteakte is afgegeven door de bevoegde autoriteiten in Ghana. Volgens vaste jurisprudentie moet dit daarom worden aangemerkt als een authentiek document en voor een authentiek document geldt dat de inhoud in beginsel juist is, totdat in voldoende mate aannemelijk is geworden dat dit niet het geval is. Dit geldt ook ten aanzien van het overgelegde paspoort. Uit de vaste jurisprudentie volgt eveneens dat het verweerder niet vrij staat om aan een echt bevonden paspoort geen waarde te hechten, louter op basis van bij hem om andere reden gerezen twijfel over de juistheid van de gegevens die in het paspoort staan vermeld (vergelijk ECLI:NL:RVS:2010:BL9904). Indien verweerder op grond van twijfel, ingegeven door het brondocument op basis waarvan het paspoort zou zijn afgegeven, niet van de juistheid van de in het paspoort vermelde gegevens wil uitgaan, ligt het op de weg van verweerder om daarnaar onderzoek te laten verrichten bij de betreffende autoriteiten. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich, zonder nadere motivering die ontbreekt, pas en alleen in het verweerschrift op het standpunt heeft gesteld dat hij twijfels heeft omtrent de authenticiteit van het paspoort. Verweerder heeft dus niet tijdig onderbouwd dat en waarom er twijfels zijn gerezen over de authenticiteit van het paspoort. Hieruit vloeit voort dat verweerder nader onderzoek dient te laten verrichten bij de Ghanese autoriteiten indien hij twijfelt aan de juistheid van de overgelegde documenten. De enkele stelling van verweerder dat de omstandigheden in de aangehaalde jurisprudentie anders is, leidt niet tot een ander oordeel, nu deze stelling onvoldoende is geconcretiseerd en toegelicht en aannemelijk is geworden dat de kern van de zaken hetzelfde is. Voorts is de rechtbank van oordeel dat referent ter zitting voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 1] de roepnaam is van eiser, en dat dit niet zijn officiële naam is. De stelling van verweerder dat er concrete twijfel is ontstaan door deze twee namen, kan zonder op deze uitleg nader in te gaan niet slagen. De beroepsgrond slaagt.

3. Eiser voert voorts aan dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft overwogen dat Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor burgers van de Unie en hun familieleden (Richtlijn) niet van toepassing is, omdat referent de partner is van een Unieburger als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn. Op grond van dit artikel wordt voor de toepassing van deze richtlijn verstaan onder ‘familielid’ de partner, met wie de Unieburger overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voor zover de wetgeving van het gastland geregistreerd partnerschap gelijk stelt met huwelijk en aan de voorwaarden van de wetgeving van het gastland is voldaan. Op grond van hetzelfde artikel, onder c, wordt onder ‘familielid’ verstaan de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b, beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn. Op grond van artikel 8.7, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is paragraaf 2, afdeling 2, hoofdstuk 8 van het Vb eveneens van toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame en exclusieve relatie met de vreemdeling heeft, en op de rechtstreekse bloedverwant in de neergaande lijn van een zodanige partner, voor zover die bloedverwant jonger is dan 18 jaar en die partner vergezelt of zich bij die partner in Nederland voegt. Niet in geschil is dat eiser een duurzame en exclusieve relatie heeft met een Unieburger en op die grond een verblijfsrecht aan de Richtlijn ontleent. Het gaat weliswaar alleen om kinderen van Unieburgers of degene die met de Unieburger is gehuwd of een geregistreerd partnerschap is aangegaan, maar dit moet ook voor ongehuwde partners als referent gelden.

4.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat referent de partner is van een burger van de Unie in de zin van artikel 2, tweede lid, onder b van de Richtlijn. Immers, niet is gebleken dan wel aangetoond dat referent en de Unieburger een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan. Uit artikel 3, tweede lid, onder b, van de Richtlijn is omschreven dat de partner met wie de burger van de Unie een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft, als begunstigde van de Richtlijn kan worden aangemerkt. Uit de Richtlijn volgt echter niet dat de kinderen van de partner als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder b begunstigden zijn in de zin van de Richtlijn. Verwezen wordt naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 4 juli 2013 (ECLI:NL:RBGEL:2013:1646) en naar een uitspraak van de Afdeling van 14 september 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BT1936). Derhalve wordt thans vastgesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een faciliterend visum ten behoeve van zijn reis naar Nederland. De specifieke voorschriften van de Richtlijn zijn niet van toepassing.

4.2

De rechtbank stelt vast dat de bepalingen van de Richtlijn die bij het beroep worden betrokken, met ingang van 29 april 2006 zijn omgezet in nationaal recht, en zijn opgenomen in artikel 8.7, tweede en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Dit volgt uit de hiervoor door verweerder aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 4 juli 2013 en de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2011. In de laatste uitspraak heeft de Afdeling bepaald dat uit artikel 8.7, vierde lid, van het Vb volgt dat artikelen 8.7 tot en met 8.25 van het Vb van toepassing zijn op een niet als zodanig geregistreerde, ongehuwde partner van een Unieburger, die niet de nationaliteit van een andere lidstaat heeft. Deze niet als zodanig geregistreerde, ongehuwde partner wordt op grond van nationaal recht gelijk gesteld met een familielid in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Richtlijn, als omgezet in artikel 8.7, tweede lid, van het Vb. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn verplicht louter tot het, overeenkomstig nationaal recht, vergemakkelijken van de binnenkomst en verblijf van een ongehuwde partner van een Unieburger. Dit betekent dat de grondslag om binnenkomst en verblijf van bedoelde ongehuwde partner toe te staan is gelegen in het nationale recht. De rechtbank is op grond van deze vaste jurisprudentie van oordeel dat in onderhavige zaak het nationale recht van toepassing is. Vast staat dat verweerder niet inhoudelijk nationaal heeft getoetst. Verweerder dient te motiveren waarom eiser niet aan de vereisten zoals bepaald in artikel 8.7 van het Vb voldoet. Daarbij dient verweerder in aanmerking te nemen dat niet in geschil is dat referent in het bezit is van een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat eerder al is bepaald dat sprake is van een relatie tussen referent en de Unieburger. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. De beroepsgrond slaagt.

4. Eiser voert als laatste aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat sprake is van kunstmatig gedrag van hem en referent en eiser als enig doel heeft in Nederland een verblijfsrecht te krijgen. Eiser en referent hebben geen tegenstrijdige verklaringen afgelegd, zoals verweerder stelt. Immers, bij de visumaanvraag is niet aangegeven dat eiser een verblijf van maximaal drie maanden in Nederland beoogt. Dit staat weliswaar op het formulier, maar in de begeleidende brief staat duidelijk vermeld dat permanent verblijf wordt beoogd. Een bewijs van de afspraak in Accra is bijgevoegd, en een afspraak kan alleen worden gemaakt voor een ‘short stay’ en men kan niet aangeven dat men voor langer verblijf komt.

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat in onderhavige zaak sprake is van kunstmatig gedrag dat als enig doel heeft het door het EU-recht gewaarborgd recht op vrij verkeer en verblijf te verkrijgen. Een Unieburger heeft krachtens artikel 8.12, eerste lid onder a, b of c Vb langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland indien hij in Nederland economisch actief, economisch niet actief of student is en aan de voorwaarden voldoet. Uit artikel 3, eerste lid van de Richtlijn volgt dat deze rechten ook gelden voor de familieleden van de Unieburger die hem begeleiden of zich bij hem voegen. In het onderhavige geval is gebleken dat bij de visumaanvraag tegenstrijdige verklaringen zijn gegeven met betrekking tot het verblijf van de vreemdeling in Nederland. Bij de visumaanvraag is aangegeven dat de vreemdeling voornemens is om voor de duur van maximaal drie maanden naar zijn vader te reizen. Echter is door de moeder van eiser een verklaring gegeven waarin is aangegeven dat zij de zorg overdraagt aan referent.

5.2

De rechtbank stelt vast dat tijdig voor verweerder duidelijk had kunnen zijn dat door eiser is bedoeld een faciliterend visum aan te vragen, en geen visum kort verblijf zoals verweerder lijkt te bedoelen. De termijn van 90 dagen is geen voorwaarde om in het bezit te komen van een faciliterend visum, een dergelijk visum is immers bedoeld om langdurig verblijf bij een Unieburger te verkrijgen. Het enkele feit dat op het op de ambassade ingevulde formulier staat vermeld dat eiser 90 dagen wil verblijven bij zijn vader, kan hem gelet op het vorenstaande niet worden tegengeworpen. Het standpunt van verweerder dat sprake is van kunstmatig gedrag, is dan ook niet draagkrachtig gemotiveerd. Ten aanzien van de verklaring van de moeder is de rechtbank van oordeel dat dit moet worden gezien als een toestemmingsverklaring om eiser naar Nederland te laten gaan. De beroepsgrond slaagt.

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, te weten de kosten voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt voorts dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op € 170,- te betalen aan eiseres als vergoeding voor het betaalde griffierecht;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.024,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Gall, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2019.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.