Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:5999

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-06-2019
Datum publicatie
13-09-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5625
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:825, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de aanslagen naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of de pensioenuitkering terecht tot het belastbaar inkomen uit werk en woning is gerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 16-09-2019
V-N Vandaag 2019/2054
FutD 2019-2454
V-N 2019/51.2.1
NTFR 2019/2581
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 18/5625, SGR 18/5626

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2019 in de zaken tussen

[eiser], wonende te [PLAATS], eiser

(gemachtigde: mr. T.A. van Grafhorst),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2014 en 2015 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Gelijktijdig met deze aanslagen zijn bij beschikking verzuimboetes opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 juli 2018 de aanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2019.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B].

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen zich nader te beraden over het door verweerder ter zitting voorgestelde compromis-aanbod.

Per brief van respectievelijk 2 en 3 mei hebben partijen de rechtbank geïnformeerd dat zij niet tot een compromis zijn gekomen. Ter zitting hebben partijen reeds toestemming gegeven om alsdan zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is enig aandeelhouder van de besloten vennootschap [B.V.] B.V. (de vennootschap). In de vennootschap zijn de pensioenaanspraken van eiser ondergebracht.

2. Eiser heeft op 22 oktober 2009 met verweerder een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij ook de vennootschap partij was. Een afschrift van de door eiser en de vennootschap ondertekende vaststellingsovereenkomst (VSO) behoort tot de gedingstukken. In deze vaststellingsovereenkomst is onder meer het volgende vermeld:

“Gemachtigde van partijen [eiser] en [de vennootschap] berekent het pensioen zoals partij [de vennootschap] dit vanaf 1 september 2006 zou hebben moeten uitkeren.

Het verschil tussen de voor 2006 t/m 2009 berekende pensioenen en de in die jaren uitbetaalde pensioenbedragen wordt aan partij [de vennootschap] uitbetaald en in de aangifte inkomstenbelasting 2009 opgenomen. (…) Voor de jaren na 2009 wordt de betaling van pensioenen uitgevoerd overeenkomstig de pensioenbrief.”

2014

3. Eiser is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2014 vóór

1 mei 2015. Op 16 juni 2015 heeft verweerder aan eiser een herinnering gestuurd om aangifte te doen. Verweerder heeft eiser op 21 oktober 2015 aangemaand uiterlijk

4 november 2015 aangifte te doen.

4. Met dagtekening 29 april 2017 is aan eiser een ambtshalve aanslag IB/PVV 2014 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 104.966 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.667. Gelijktijdig met deze aanslag is bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 4.920. Voorts is een bedrag van € 1.102 aan belastingrente in rekening gebracht.

5. Op 12 juni 2017 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de ambtshalve aanslag en de verzuimboete gehandhaafd.

2015

6. Eiser is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2015 vóór

1 mei 2016. Op 14 juni 2016 heeft verweerder aan eiser een herinnering gestuurd om aangifte te doen. Op 22 augustus 2016 heeft verweerder aan eiser alsnog uitstel verleend voor het doen van aangifte tot 1 oktober 2016. Bij gebreke van een aangifte op die datum heeft verweerder eiser op 21 oktober 2016 aangemaand uiterlijk 4 november 2016 aangifte te doen.

7. Verweerder heeft met dagtekening 28 juni 2017 aan eiser een ambtshalve aanslag IB/PVV 2015 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 105.035 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.538. Gelijktijdig met deze aanslag is bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 4.920 en is een bedrag van € 627 aan belastingrente in rekening gebracht.

8. Met dagtekening 9 augustus 2017 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de ambtshalve aanslag en de verzuimboete gehandhaafd.

Geschil
9. In geschil is of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd.

10. Eiser stelt dat de voormalige accountant van de vennootschap in het verleden ten onrechte een pensioen heeft opgegeven bij verweerder. De uittredingsvergoeding is in het verleden niet ten laste van de winst gebracht maar meegenomen in de aangifte IB/PVV en daar belast. Door de pensioenuitkering nu in de heffing te betrekken ontstaat dubbele belastingheffing. Voorts is verweerder ten onrechte uitgegaan van rechtsgeldigheid van de VSO nu deze onvoldoende bepaalbaar is, aangezien een cijfermatige onderbouwing ontbreekt. Om zijn standpunten nader te kunnen onderbouwen heeft eiser verzocht zijn toenmalige accountant en de bij de totstandkoming van de VSO betrokken ambtenaar van de Belastingdienst op te roepen om als getuigen ter zitting te verschijnen. Met betrekking tot de verzuimboete stelt gemachtigde van eiser dat eiser door zijn gezondheidstoestand niet in staat is zelf aangifte te doen.

11. Verweerder stelt dat, nu eiser geen aangifte heeft gedaan, de bewijslast dient te worden omgekeerd. Nu de aangifte berust op een redelijke schatting dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Beoordeling van het geschil

VSO

12. Voor zover eiser stelt dat er in zijn algemeenheid een gebrek kleeft aan de VSO kan de rechtbank hem daarin niet volgen. Op de balans van de vennootschap staat een pensioenvoorziening en tussen verweerder en eiser is louter afgesproken dat het reeds ingegane pensioen daadwerkelijk zou worden uitbetaald vanaf 2006 overeenkomstig de pensioenbrief. Aan eiser kan een en ander weliswaar niet meer worden gevraagd gelet op zijn fysieke gesteldheid, maar met hetgeen de gemachtigde daaromtrent heeft aangevoerd heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat er enige aanleiding bestaat de VSO te vernietigen.

Omkering van de bewijslast

13. Artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) bepaalt dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan, de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

14. Vaststaat dat eiser over de jaren 2014 en 2015, ondanks dat hij hiertoe was uitgenodigd, herinnerd en aangemaand, geen aangifte IB/PVV heeft ingediend terwijl hij in dat jaar zowel belastbaar inkomen uit werk en woning als belastbaar inkomen uit sparen en beleggen genoot. Dit kan tot geen ander oordeel leiden dan dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat het voor hem, door het handelen van voormalige adviseurs en de onduidelijkheid omtrent de pensioenvoorziening, feitelijk onmogelijk was om aangifte te doen, overweegt de rechtbank dat eiser te allen tijde zelf verantwoordelijk is voor het tijdig (doen) indienen van de aangifte. Eiser had bovendien - gelet op de tussen hen gerezen geschilpunten - contact met verweerder kunnen opnemen om een en ander af te stemmen en de thans ontstane problemen daarmee eenvoudig kunnen voorkomen.

Redelijke schatting

15. De omkering en verzwaring van de bewijslast geeft verweerder niet de bevoegdheid de aanslag naar willekeur vast te stellen. De aanslag dient te berusten op een redelijke schatting.

16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanslag gebaseerd op een redelijke schatting. De pensioenvoorziening zoals beschreven onder 1 is in 1993 toegenomen met medeweten van eiser. Het verloop van de voorziening is daarna goed te volgen en door diverse adviseurs overgenomen. Daarbij heeft de voorziening geen noemenswaardige wijziging ondergaan. Op basis van de destijds op de balans opgenomen voorziening en een daarop gebaseerde actuariële berekening is bij VSO een bepaald bedrag per jaar als pensioenuitkering afgesproken. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat bij afwezigheid van een VSO gelet op de aanwezige voorziening eenzelfde jaarlijks bedrag tot uitkering zou dienen te komen. Het bedrag van de door verweerder in aanmerking genomen pensioenuitkering wordt - zoals hierboven reeds opgemerkt - ondersteund door de in het dossier aanwezige pensioenberekening.

16. Nu de vereiste aangifte niet is gedaan en verweerder de aanslag in beginsel heeft gebaseerd op een redelijke schatting dient eiser overtuigend aan te tonen dat de door verweerder ambtshalve vastgestelde aanslag desalniettemin te hoog is. Met hetgeen eiser daartoe heeft aangevoerd is hij daarin, mede gelet op de gemotiveerde weerspreking daarvan door verweerder, niet geslaagd. Eiser heeft met het overleggen van de aanslag IB/PVV 1993 namelijk niet aangetoond dat de uittredingsvergoeding reeds blijvend belast is geweest in de inkomstenbelasting. Verweerder heeft namelijk toegelicht en aannemelijk gemaakt dat de desbetreffende aanslag waar eiser naar verwijst weliswaar in eerste instantie is betaald, maar later weer is teruggedraaid. Hetgeen onder meer kan worden afgeleid uit het verloop van de rekening courant bij de vennootschap in 1997.

17. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het horen van de bij de totstandkoming van de VSO betrokken ambtenaar van de Belastingdienst. Deze ambtenaar is reeds gehoord bij Hof Den Haag in het kader van het hoger beroep met betrekking tot een eerder belastingjaar, en dat heeft niet tot andere inzichten geleid. Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding tot het horen van de voormalige accountant van eiser, aangezien de pensioenvoorziening reeds enkele jaren op de balans stond voordat deze accountant bij het dossier betrokken raakte.

Verzuimboete

18. Ingevolge artikel 67a, eerste lid, van de Awr, kan aan de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte en de aangifte niet, dan wel niet binnen de in de aanmaning tot het doen van aangifte gestelde termijn heeft gedaan, een verzuimboete worden opgelegd. Naar vaste jurisprudentie wordt bij afwezigheid van alle schuld (avas) geen boete opgelegd.

19. Gemachtigde van eiser stelt dat eiser door zijn gezondheidstoestand niet meer in staat is zelf aangifte te doen. Ter zitting heeft verweerder aangegeven de door de gemachtigde gestelde omstandigheden als avas te beschouwen. De rechtbank sluit zich hierbij aan. In de gegeven omstandigheden acht de rechtbank een boete evenmin passend en geboden. De rechtbank zal de boetebeschikkingen voor 2014 en 2015 daarom vernietigen.

Belastingrente

20. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de beschikkingen belastingrente en ook overigens is niet gebleken dat de belastingrente niet in overeenstemming met de wettelijke bepalingen is berekend.

21. Gelet op wat hiervoor is overwogen dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover betrekking hebbend op de
boetebeschikkingen;

- vernietigt de verzuimboete voor het jaar 2014 en 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, rechter, in aanwezigheid van

mr. P. Jasperse, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.